vorige dag           volgende dag Register

Heiligenjaar   -   13 februari

De heilige Martinianos van Palestina was geboren in Caesarea. Reeds vroeg was hij geraakt door verlangen naar het volmaakte leven, en toen hij achttien jaar was trok hij naar de woestijnachtige omgeving en leidde daar een leven van gebed en ascese. Langzamerhand kwamen steeds meer mensen naar hem toe om zijn gebed te vragen, want God had hem de gave van wonderen verleend. Martinianos bleef zich bewust van de gevaren die deze bezoeken konden meebrengen en ontving daarom nooit een vrouw alleen.
Zulk een bijzonder mens was natuurlijk een onderwerp van gesprek in de stad, en een van de lichte vrouwen kreeg in de zin om te onderzoeken wat er nu werkelijk van waar was. Zij maakte zich op als een arme oude vrouw en bij slecht weer kwam zij ‘s avonds aan zijn deur, smekend dat zij verdwaald was en de weg naar de stad niet kon vinden in het donker.
Martinianos kreeg medelijden, liet haar binnen, gaf haar te eten en ging zelf naar buiten om de nacht door te brengen in gebed. De volgende morgen ging hij de hut binnen en kwam met een schok tot de ontdekking dat daar een schone jonge vrouw stond, die zich inspande om hem te verleiden. Die plotselinge aanval bracht hem van zinnen, en in gedachten trof hij reeds voorbereidselen om aan haar toe te geven. Slechts enige schaamte weerhield hem nog en hij ging naar buiten om langs de berghelling omlaag te kijken of er soms bezoek op komst was.
Door Gods genade kwam hij echter in de koele buitenlucht weer tot zichzelf en hij begreep dat het een list van de duivel was. Hij stapte met blote voeten in het vuur dat hij had aangelegd, tot de ontzettende pijn hem dwong er weer uit te komen, terwijl hij uitriep: ‘Als je dit tijdelijke vuur niet eens kunt verdragen, hoe zul je dan het eeuwige vuur van de hel kunnen doorstaan?’
Toen de vrouw zag met welk een geweld hij zichzelf strafte voor een zonde die hij nog alleen maar in gedachten had begaan, kwam ze tot inkeer en zij begon hem vergeving te vragen en wat zij nu verder met haar leven moest doen. Martinianos bad voor haar en zond haar tot de heilige Paula in haar klooster bij Bethlehem. Daar leefde Zoë nog twaalf jaar vol berouw in zware ascese, tot zij stierf als een heilige.
Martinianos wilde niet nog eens zulk een risico lopen, en nadat zijn zware brandwonden genezen waren en hij weer kon lopen, vertrok hij naar een afgelegen onbewoond eilandje. Met een schipper maakte hij een afspraak dat hij steeds voor hem zou bidden, en dat deze hem in ruil daarvoor driemaal per jaar van brood en water zou voorzien. En hij hervatte met nog grotere ijver zijn leven van boete en gebed.
De duivel, die de zwakke plaats in zijn karakter had gezien, wist hem ook hier nog in verleiding te brengen. Een schip verging met man en muis in de nabijheid van zijn verblijfplaats, alleen een jonge vrouw had zich aan een wrakstuk kunnen vastklampen en spoelde aan op de rots. Geheel uitgeput was ze niet in staat de steile kust te beklimmen, maar op haar hulpgeroep kwam Martinianos aan. Toen zij in veiligheid was, wist hij eerst niet wat te doen, want hij begreep dat ook deze gebeurtenis een aanslag betekende op zijn innerlijk leven, immers, stro en vuur kunnen niet naast elkaar bestaan.
Na tot God te hebben gebeden kwam hij tot een besluit. Tegen het jonge meisje, Fotina, zei hij: ‘Wees maar niet bang, hier is brood en water, daar kun, je mee in leven blijven totdat over enkele maanden de schipper komt; die kan je dan meenemen naar de bewoonde wereld.’ Daarna bekruiste hij zichzelf en sprong in zee om zwemmend ergens anders aan land te komen, want hij was ervan overtuigd dat het risico om te verdrinken minder ernstig was dan het risico dat hij liep wanneer hij met een schone vrouw zo nauw moest samenleven.
Zoals echter wel meer gebeurd is, er kwamen twee dolfijnen die hem hielpen zich drijvend te houden en zo kwam hij veilig aan land. Nu het gebleken was dat hij zelfs op de afgelegenste plaatsen niet ongehinderd kon blijven, nam Martinianos de ascese van het zwervend bestaan op zich. Biddend en bedelend trok hij rond tot hij aangeland was in Athene. Nu was hij aan het einde van zijn krachten; doodziek trok hij nog door de straten totdat hij stervend neerlag in een van de kerken, met een gelaat dat straalde van hemels geluk. Zo stierf hij in 422.
Intussen had hij steeds gebeden voor de achtergelaten Fotina. Deze was diep onder de indruk gekomen toen zij zag hoe God Zijn dienaar door middel van de dolfijnen te hulp was gekomen, en vol vreugde bleef zij wonen in de verblijfplaats van zulk een heilig man. Zij wilde niet meer vertrekken maar ging met de schipper dezelfde overeenkomst aan. Zo leefde zij nog zes jaar op water en brood in volstrekte eenzaamheid. De laatste keer vond de schipper haar overleden, slechts 31 jaar oud. Vol eerbied nam hij haar lichaam mee naar Caesarea van Palestina, de geboorteplaats van Martinianos. Daar werd zij door de bisschop met al zijn priesters plechtig begraven en om haar heilig leven geëerd.

De heilige Priscilla en Akylas, apostelen, een joods-christelijk echtpaar, leerlingen en medewerkers van de heilige apostel Paulos, met wie zij door een bijzondere vriendschap verbonden waren, zoals uit verschillende van zijn brieven blijkt. Akylas was afkomstig uit Pontus, het verre Oosten van het keizerrijk; hij was naar Rome getrokken waar hij als vakman tentenmaker een zekere positie bekleedde. Door de vervolging onder keizer Claudius werden zij uit Rome verdreven, en Paulos ontmoette hen in Corinthe. Akylas had daar blijkbaar een vooraanstaande positie onder de tentenmakers, want Paulos kwam bij hem om werk, omdat het ook zijn vak was en hij altijd in zijn eigen levensonderhoud wilde voorzien. Er moet direct een goed contact tot stand gekomen, zijn, want het echtpaar nam Paulos bij zich in huis en zij werkten samen (Hand. 18). In die tijd van samenwerken raakten zij zo nauw met elkaar verbonden, dat Priscllla en Akylas Paulos volgden op zijn missiereis naar Syrië; hij nam echter afscheid van hen in Efese.
Later waren zij blijkbaar toch weer in Rome en stonden daar aan het hoofd van de christengemeente (Rom. 16: 3-5), zoals zij dat reeds gedaan hadden in Corinthe (1 Cor. 16: 19). Minder historisch vaststaand is de overlevering dat Akylas tenslotte bisschop was van Heraklea (Kreta), waar zij de marteldood gestorven zijn.

De heilige Symeon de Myronvloeiende was de vorst Stefan I Nemanja van Servië de grote heerser van het Servische volk, die de verschillende Servische landen tot eenheid had gebracht onder een onafhankelijk Servisch bestuur. Hij was gedoopt in de Latijnse kerk maar later overgegaan tot de orthodoxie. Nadat hij langdurig zijn volk had gediend en door zijn voorbeeld het christendom had verbreid, werd hij op tachtigjarige leeftijd monnik, terwijl zijn vrouw moniale werd. Hij droeg de regering over aan zijn zoon Stefan (de eerstgekroonde), en met zijn andere zoon, de heilige Sabbas (Sava) bouwde de hij het tot een ruïne vervallen Chilandari-klooster, dat sindsdien het Servische klooster op de Athos gebleven is. Zelf bleef hij eerst nog in Servië, in het, klooster Studenitsa (waar hij later ook begraven is), maar toen na twee jaar de toestand in het land gestabiliseerd was, trok hij naar de Athos en stond onder de geestelijke leiding van zijn zoon tot hij drie jaar later, toen hij voelde dat zijn einde nabij was, zich liet neerleggen op een biezen mat op de grond. Terwijl hij zei: ‘Alles wat adem heeft, love de Heer’‚ gaf hij de geest, 86 jaar oud, in 1200.
Zijn gebeente bleek een rijkvloeiende bron van hemels-geurende myron te zijn, ook in Servië‚ waarheen zijn relieken werden overgebracht.

De heilige Eulogios van Alexandrië was van 589 tot 607 patriarch en de directe voorganger van Johannes de Barmhartige. Levenslang moest hij strijden tegen de telkens weer actieve ketterijen, vooral tegen de monofysieten, die de menselijke natuur van Christus niet wilden erkennen en daardoor ons verbonden zijn met Hem vernietigden.

De heilige Fulcran, bisschop van Lodève in Languedoc. Om zijn geleerdheid, vroomheid en vriendelijkheid werd hij tot bisschop gekozen. Hij schrok daarvoor terug en nam de vlucht, maar zijn schuilplaats werd ontdekt en hij werd min of meer gevankelijk naar de aartsbisschop gebracht, die hem de handen oplegde. Daarna gaf hij zich met hart en ziel aan zijn taak, de heiliging van zijn bisdom. Hij trok rond voor het geven van godsdienstonderricht, stimuleerde het gezamenlijk gebed, trachtte misstanden uit te roeien, zocht overal naar middelen om zieken en armen te helpen. Hij bezocht de kloosters en wakkerde hun vurigheid aan, en stichtte waar nodig nieuwe kloosters. Ook bouwde hij gasthuizen en ziekenhuizen en zorgde dat er steeds middelen waren om ze in bedrijf te houden.
Met heftige woorden had hij eens gesproken over een naburige bisschop die van het geloof was afgevallen. Toen deze kort daarna stierf, trok Fulcran zich dat sterk aan omdat hij door zijn optreden misschien medeschuldig was aan diens dood. Hij legde zichzelf een zware boetedoening op en ging naar Rome om absolutie te krijgen. Daarna is hij zelf gestorven in 1006.

De heilige Fusca en Maura, martelaressen. Fusca was een jong meisje van 15 jaar te Ravenna, die samen met haar voedster Maura onderricht was in het christelijk geloof en gedoopt door de heilige Hermolaos. Dit gaf aanleiding tot heftige scènes met haar heidense ouders, die haar met alle middelen van bedreiging en overreding probeerden terug te brengen van deze, in hun ogen heilloze, weg. Haar vader trachtte haar in blinde woede aan te vallen, maar werd door haar moeder tegengehouden.
Het geval kwam echter de prefect ter ore. Deze liet de beide vrouwen halen en toen Fusca ondanks alle bedreigingen vasthield aan het geloof, liet hij haar geselen. Woedend over de tegenstand die het kind bleef bieden, beval hij de beul om haar met zijn speer te doorboren. Hij deed dit en Maura ving haar op, en riep dat ze haar ook maar moesten doodsteken, wat dan ook prompt werd gedaan. 3e eeuw.

De heilige Modomnoc, een Ierse prins, was een leerling van de heilige David, bij wie hij in het klooster in Wales vooral in de tuin werkte, en de speciale zorg had voor de bijen. Toen hij later naar Ierland terugkeerde, zette een bijenzwerm zich neer op het schip waarmee hij vertrok. Modomnoc wist de zwerm te verzamelen en bracht zo het eerste bijenvolk naar zijn land, waar de kunst van het bijen-houden nog niet bekend was. Hij diende God in Tiprat Fachtua, in het westen van het land, in de 6e eeuw.

De heilige Harlindis (Herlinda) en Relindis (Reinilda), abdissen van Aldeneik. Zij waren zusters, geboren op het landgoed Maaseik, en voor hun opvoeding naar de Benedictinessen gebracht in Valensijn. Daar ontwaakte in hen de roeping om zelf kloosterling te worden. Hun ouders waren het daarmee eens en bestemden een stuk van hun domein, het moerassig gebied Aldeneik, voor de bouw van een abdij. De jonge meisjes werkten geestdriftig mee en sjouwden zand en stenen van de Maas naar de bouwplaats.
De oprichting gebeurde in de jaren 720-730. Hun ouders bleven er wonen tot aan hun dood. Het klooster werd een bekend middelpunt, zowel de heilige Willibrord als Bonifatius kwamen er graag op bezoek. Zij haalden daar de liturgische boeken die de monialen copieerden voor de missie.
Harlindis was de eerste abdis. Na haar overlijden in 755 nam Relindis haar taak over tot haar eigen dood in 780. Reeds spoedig begon hun verering en in 860 werden hun relieken door de bisschop van Luik, plechtig verheven.

De heilige Lecinius, bisschop van Angers, was geboren in 540 in een adellijke familie, en hij genoot een uitstekende opleiding. Op twintigjarige leeftijd kwam hij aan het hof van Clotarius‚ zijn bloedverwant. Om zijn wijs beleid en onverschrokkenheid benoemde deze hem tot maarschalk, en hij wist dit ambt te heiligen door zijn christelijke levenswijze.
Toen hij graaf van Anjou geworden was, besloot hij te gaan trouwen. Maar zijn bruid bleek op de vooravond van de huwelijksinzegening getroffen te zijn door melaatsheid. Lecinius, die ondertussen de leeftijd van 40 jaar had bereikt, zag daarin de roep van God. Hij trok zich terug uit het wereldse leven en trad in bij een gemeenschap van geestelijken, waar hij zich onderscheidde door zijn rouwmoedigheid en zijn ijver voor de studie en de overweging van de Heilige Schrift.
Toen de bisschopszetel van Angers vacant kwam, herinnerde het volk zich het weldadig bewind van graaf Lecinius, en het koos hem tot bisschop. Hij liet zich met veel moeite overhalen die post te aanvaarden. Vanaf dat ogenblik beschouwde hij zich als iemand die niet meer aan zichzelf toebehoorde, en vond hij dat al zijn tijd ten dienste moest staan van zijn kudde.
Zijn zorg strekte zich uit zowel over hun ziel als overhun lichaam. In het handhaven van de discipline was hij onwrikbaar, maar hij wist ook mee te lijden met de zwakheid van de overtreders. Zelfs verstokte zondaars konden geen weerstand bieden aan de kracht van zijn opwekkend woord, gesteund als het werd door zijn eigen levenswijze.
Om te ontkomen aan het gevaar dat de veelvuldige verplichtingen van het ambt, hoe noodzakelijk ze ook waren, hem van het geestelijk leven zouden vervreemden, trok hij zich vaak in de stilte van de eenzaamheid terug. Maar het was hem niet vergund zich daar geheel aan over te geven, iedereen drong er telkens op aan dat hij naar zijn kudde moest terugkeren.
Zo putte hij zijn lichaamskrachten uit. Toen hij 65 jaar oud was, begon voor hem een tijd van ernstige ziekten en veel lijden, dat hij met groot geduld verdroeg. Zo stierf hij, 65 jaar oud, in 605.

De heilige Ermenilda, abdis van Ely, waar eerst haar moeder, koningin Saxburga, na haar regentschap over haar minderjarige zoon, abdis was geweest.
Ermenilda was gehuwd met koning Wulfhere van Mercia, met wie zij door een diepe liefde verbonden was. Zij spande zich in om de laatste resten van de afgodendienst uit te wissen in hun land, en het volk luisterde graag naar haar omdat er zulk een daadwerkelijke liefde van haar uitging. Deze richtte zich vooral op de ongelukkigen. Ook was zij geliefd om haar onschokbare vriendelijkheid tegenover allen met wie zij in aanraking kwam.
Nadat zij weduwe geworden was, trad zij in het klooster Ely, waar haar moeder abdis was, zodat deze op tweevoudige wijze haar moeder werd. De twee vrouwen wedijverden als het ware in monastieke deugden en liefde voor alle zusters. Ermenilda werd dan ook na de dood van haar moeder door de gehele gemeenschap, zonder een enkele tegenstem, tot opvolgster gekozen, ‘niet om haar rang’, zo zegt de kroniek, ‘maar om haar deugden en haar liefde voor de armoede’. Zij was niet zozeer een overste, maar een moeder voor de communauteit. Maar de kroniek zegt wel met trots dat de eerste drie abdissen van Ely koninginnen waren, respectievelijk van Northumbrië, van Kent en van Mercia. Ermenilda is gestorven rond 700.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren: Benignus, priester in Umbrië, tijdens de vervolging onder Diokletiaan en Maximiaan; Julianus, gemarteld in Lyon; en Craton in Rome, ter dood gebracht met heel zijn gezin.

Eveneens op deze dag de heilige profeet Agabus te Antiochië, genoemd in de Handelingen der Apostelen; abt Stephanus te Riéti, bij wiens sterfbed engelen zichtbaar aanwezig waren; Stephanus, bisschop van Lyon (512); Domninus van Digne (370); en Castor, een priester, die het Evangelie predikte te Carden aan de Moezel (389).


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.