vorige dag           volgende dag Register

Heiligenjaar   -   15 februari

De heilige Onesimos behoort tot de zeventig Apostelen. De heilige Paulos schreef over hem een ontroerende brief aan Filemon. Filemon was een voorname inwoner van Colosse in Frygië. Hij werd christen, en later bisschop, en wordt eveneens tot de zeventig gerekend. Hij en heidense slaaf, Onesimos, aan wie de verandering in het huis blijkbaar niet beviel, zodat hij wegliep. Later werd hij daar toch angstig over, want de straf die een weggelopen slaat te wachten stond in het Romeinse rijk was uiterst wreed en vernederend. Zo moest immers de schrik erin gehouden worden. Hij wist Rome te bereiken en spoorde Paulos op in zijn gevangenis, om diens bemiddeling in te roepen. Paulos deed een dringend beroep op Filemon, en deze gaf daaraan van harte gehoor. Hij stuurde Onesimos, die door Paulos bekeerd was, naar de heilige apostel terug, en hij heeft Paulos inderdaad terzijde gestaan tot aan diens dood. Onder de invloed van de heilige was hij een vurig christen geworden; hij werd bisschop gewijd en trok predikend rond om het Evangelie te verkondigen, onder andere in Spanje, Colosse en Patra. Na de dood van de heilige Timotheos werd hij bisschop van Efese in Klein-Azië, zoals blijkt uit de brief van de heilige Ignatios aan de Efesiërs.
Later werd hij gevangen genomen en naar Rome gevoerd om geoordeeld te worden door de rechter Tertulus, die blijkbaar nog niet streng wilde optreden tegen zulk een oud man, want na achttien dagen gevangenisstraf werd hij naar de streek van Puteoli verbannen met het bevel niet meer te prediken. Toen Onesimos echter niet ophield Christus te verkondigen, werd hij opnieuw gegrepen en zo lang met knuppels geslagen tot al zijn beenderen gebroken waren en zijn bloed in stromen vloeide. Zo gaf hij zijn geest terug aan God in het jaar 109.

De heilige Eufrosyne was de dochter van Pafnutios, een rijke christen in Alexandrië, geboren uit een gedurende lange tijd kinderloos gebleven huwelijk, op voorbede van de abt van het klooster van de heilige Theodosios. Haar moeder stierf toen ze twaalf jaar oud was en zo ontstond er een nauwe band met haar vader, die haar zelf les gaf en alles leerde.
Toen zij achttien was, nam Pafnutios haar mee op bezoek naar het klooster om te laten zien welk een mooi meisje er gegroeid was als vrucht van het gebed van de abt, en om zegen te vragen over het huwelijk dat haar vader voor haar had gearrangeerd. Zij bleven drie dagen in het gastenverblijf en namen deel aan het leven en het bidden van de monniken, waardoor Eufrosyne diep getroffen werd.
Niet lang daarna werd de abt priester gewijd en hij nodigde Pafnutios uit daarbij aanwezig te zijn, zodat Eufrosyne alleen thuis bleef. Na het vertrek van haar vader stuurde Eufrosyne een dienstmeisje de straat op om naar de kloosterkerk te gaan en te vragen of een monnik haar wilde komen bezoeken. Ze trof een oude monnik die juist was uitgegaan, en deze gaf aan haar verzoek gehoor. Eufrosyne legde hem de zaak voor, dat zij zo graag naar het klooster wilde gaan maar haar vader niet ongehoorzaam durfde te zijn. De monnik zei toen: “Dit heeft de Heer gezegd: ‘Zo iemand tot Mij komt en niet zijn vader en moeder haat, ja zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn leerling niet zijn’. Dat zegt de Heer, wat kan ik daar nog aan toevoegen?” Daarop antwoordde het meisje: “Dan vertrouw ik mij toe aan God en aan uw gebeden; snijd mijn haar af”. Dit deed hij en hij gaf haar het monnikskleed en ging verheugd weg.
Eufrosyne had de monnik uitgehoord over het klooster en gehoord dat er 352 monniken waren en dat een aanvrager met vreugde zou worden opgenomen want de Heer heeft gezegd: ‘Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins afwijzen’. En dat ze allen samen zongen in de kerk, maar dat ieder vastte volgens eigen vermogen. Niemand wordt daartoe gedwongen, dat gaat volgens eigen vrije wil. Ze besloot naar dit klooster te gaan, omdat ze wist dat als ze naar een vrouwenklooster zou gaan, haar vader haar daar zou zoeken en met geweld weghalen. Ze trok dus mannenkleren aan en verliet in de schemering het huis. Zij ging naar het klooster en liet de portier aan de abt zeggen dat er een eunuch was uit het paleis om hem te spreken. Toen de abt gekomen was, wierp Eufrosyne zich op de grond, en nadat ze samen gebeden hadden, gingen ze zitten. Hij vroeg haar: ‘Waarvoor kom je, mijn zoon?’ Ze antwoordde dat ze graag in het klooster zou blijven om hun heilig leven te delen. En de abt zei: ‘Dat is een goed voornemen, mijn zoon. Hier is het klooster en als het je bevalt, blijf dan bij ons. Maar hoe heet je?’ En zij gaf als naam op Smaragdus. Hij vond haar te jong om alleen te wonen en dat ze een leraar nodig had. ‘Zoals ge wilt, vader’, en Eufrosyne gaf hem het geld dat ze bij zich gestoken had. Hij riep een oude broeder, Agapitos, een heilig man, en gaf hem opdracht Smaragdus bij zich in de cel te nemen als zoon en leerling. Zij knielden, ontvingen de zegen en gingen daar heen.
Zoals Eufrosyne voorzien had, doorzocht haar vader heel Alexandrië, alle schepen die in de haven lagen en alle vrouwenkloosters, heel het land rondom, de woestijngebieden en de spelonken, de huizen van alle bekenden die ze hadden, maar nergens werd ze gevonden. Toen beweende hij haar als een dode, samen met de bruidegom en diens vader. En hij ging naar de abt van het klooster om zijn gebed en dat van de broeders te vragen opdat het kind van zijn gebeden teruggevonden mocht worden. Zij baden en vastten, maar er kwam geen openbaring, en de abt troostte hem dat haar dus niets ergs overkomen kon zijn, omdat de Heer het dan wel bekend gemaakt had.
Maar de vader bleef ontroostbaar en kwam telkens weer zijn nood klagen bij de abt. Deze stelde hem toen voor om eens te praten met een jonge monnik uit het paleis van de keizer, en liet hem naar de cel van Smaragdus brengen. Deze herkende bij het kloppen de stem van haar vader en werd diep bewogen, maar ze trok de kap diep over haar gezicht, zodat hij haar door het vasten ingevallen gelaat niet herkende. Smaragdus sprak hem over het komende koninkrijk van eeuwige vreugde en heerlijkheid en hoe wij dat moeten verkrijgen door deemoed, reinheid, heilig leven en toegewijde liefde. En bij het zien van zijn treurigheid sprak ze: ‘Geloof me, God veracht uw smart niet. Als uw kind met iets slechts bezig zou zijn, dan zou Hij u de weg naar haar tonen om haar daaruit te redden. Heb daarom vertrouwen in Hem dat zij iets beters gekozen heeft en ergens God dient. Hij heeft de macht om u tot haar te leiden en Hij zal u haar zeker eens doen zien’. Toen stuurde zij hem weg, want ze kon zich niet langer inhouden. Doodsbleek barstte ze in wenen uit.
Maar haar vader voelde zich wonderlijk vertroost en zei tegen de abt dat hij zich zo verlicht voelde alsof hij zijn eigen kind gesproken had. En God dankend ging hij naar huis. En vaak zocht hij daarna Smaragdus op, tot hij eens, na 38 jaar, hem doodziek op bed vond liggen. Opnieuw werd hij in smart gedompeld nu hij ook deze dierbare vriend moest gaan missen in zijn ouderdom en hij weeklaagde luid. Smaragdus vroeg hem toen nog drie dagen daar te blijven en toen zij voelde dat haar laatste levensdag was aangebroken, maakte zij zich aan haar vader bekend. En zij vroeg hem haar af te leggen na haar dood, omdat geen der monniken wist dat er een vrouw in hun midden had gewoond.
Pafnutios viel in onmacht over het dode lichaam van zijn dochter, en zo kwamen de monniken de waarheid te weten. Zij begroeven Eufrosyne als bruid van Christus en baden om haar voorspraak. Pafnutios zelf bleef nog 10 jaar leven in de cel van Smaragdus en werd toen begraven naast zijn dochter, rond 480.

De heilige Dalmatos van Siberië, waar hij het klooster gesticht heeft van de Ontslaping van de Moeder Gods, waarvan hij ook de eerste abt is geweest. Hij is geboren in het begin van de 17e eeuw uit een kozakkenfamilie van Siberische Tataren. Hij was dus een geboren Siberiër, waarschijnlijk uit Tobolsk, het grote centrum van heel Siberië. In de doop werd hij Dimitri genoemd naar de heilige Demetrios Priluki, de leerling van de heilige Sergios van Radonesj. Het merkwaardige is dat hij veel karaktertrekken met deze heilige gemeen had, en ook, net als hij, als kluizenaar leefde in een grot van de taiga, het maagdelijke, dichte woud van de noordelijke streken, de ‘woestijn’ van deze gebieden.
Maar eerst diende hij in het leger als kozak, waar hij zich zo moedig gedroeg en zulke intelligente beslissingen nam, dat hij in de adelstand verheven werd. Hij was groot, knap en sterk, gelukkig getrouwd en hij had een goed gezin. Er moet echter iets bijzonders gebeurd zijn, want plotseling verliet hij vrouw en kinderen om zich geheel te wijden aan het ascetische leven en hij trad in een klooster van het Oeral-gebergte. Het is mogelijk dat het samenhangt met de ontzettende brand die in 1643 vrijwel geheel Tobolsk verwoestte, met alle kerken en regeringsgebouwen, en waardoor menigeen tot de bedelstaf werd gebracht.
In het klooster verkreeg hij de naam Dalmatos en ook hier blonk hij zozeer uit boven de anderen dat hij door de broeders tot abt gekozen werd, al was hij nog vrij jong. Hij durfde deze last echter niet op zich te nemen en hij ontvluchtte het klooster en nam de icoon van de Ontslaping van de Moeder Gods mee, die hij van huis uit naar het klooster had gebracht als zijn enige persoonlijke bezit.
Hij vond een bewoonbare plek bij de uitmonding van de Tjecha in de lset, op een heuvel die vanouds de naam droeg van ‘Witte Stad’. Daar groef hij een hol en begon zo zijn kluizenaarsleven. De roep van zijn heilig leven verspreidde zich echter door het schaars bewoonde gebied. Verschillende heidenen lieten zich door hem dopen en christenen kwamen vragen om zijn leven te mogen delen. En zelfs van ver kwam men bij hem om zijn gebed en zijn raad te vragen.
Dit was in 1644 het povere begin van wat later het grote Dalmatos-klooster zou worden. De pachters van de Witte Stad, die een goed inkomen trokken uit deze visrijke plaats, waren beducht voor concurrentie en klaagden de monniken aan bij de moslim-vorst. Deze kwam, woedend over hun beweerde onbeschaamdheid, met getrokken zwaard het hol binnenstormen, maar stokte van verbazing over de eerbiedwaardige gestalte van de overste der monniken. Toen deze hem kalm vertelde dat ze nog familie van elkaar waren, legde de vorst zijn zwaard voor Dalmatos’ voeten en vertrok in stilte.
Maar opnieuw werd er geïntrigeerd en gezegd dat Dalmatos zelfs van plan was om de vorst te vermoorden, en weer geloofde deze naïeve heethoofd die wonderlijke verhalen. Met een hele legertroep kwam hij naar de nederzetting, vastbesloten om die te verwoesten en allen te doden. Zij legerden zich voor de nacht aan de overzijde van de rivier, en hun Iegervuren en de dreigende krijgszangen waren bij de monniken duidelijk waarneembaar. Dezen hielden dus een nachtwake om de bescherming van de Moeder Gods af te smeken, want een ander middel van verdediging bezaten zij niet.
Zij verleende dan ook ogenblikkelijk hulp door in een droom aan de vorst te verschijnen, gekleed in koninklijk purper met een stralende kroon op haar hoofd en een vlammend zwaard in haar ene hand en een zweep in de andere. Streng verbood zij hem om Dalmatos leed aan te doen, maar hem integendeel het land te schenken.
De vorst was door deze verschijning volkomen van zijn stuk gebracht. Hij liet zijn krijgsplan varen en sloot vrede met de heilige. En toen het volgend jaar de termijn van de pacht verstreken was, kwam hij met heel zijn gezin naar het klooster, leidde Dalmatos rond over het gebied om de grenzen af te palen, en schonk hem als teken van respect zijn eigen helm en maliënkolder, die sindsdien in het klooster bewaard zijn gebleven. Dit geschiedde in 1646, en daarom werd dit jaar als het stichtingsjaar van het klooster beschouwd.
Toch was de toestand nog niet vreedzaam. In het begin van 1651 kwam een horde Kalmukken die het klooster tot op de grond verbrandden en de monniken gevangen wegvoerden. Alleen de icoon bleef gespaard van de algehele verwoesting. Dalmatos, die op geheimzinnige wijze niet gevangen genomen was, keerde naar de puinhopen terug en begon de wederopbouw. Door zijn enorme werkkracht was in enkele jaren het klooster opnieuw opgericht, dat echter nog enkele malen ten offer viel aan verwoesting door wilde stammen, totdat in 1682 de tsaar het klooster liet omringen door een vestingmuur met versterkingen. Zo werden de laatste jaren van Dalmatos’ leven in vrede doorgebracht. Hij stierf in 1697.

De heilige priester Faustinus en zijn broer, de diaken Jovita bemoedigden de gemeente van Brescia tijdens de vervolging van Hadrianus, toen de bisschop zich verborgen had. Zij richtten daardoor de woede der magistraten op zichzelf en werden daarom gevangen genomen en aan heftige folteringen onderworpen.

De moed waarmee ze dit alles verdroegen, leidde tot de bekering van Calocerus, die later eveneens ter dood werd gebracht, in 120.

De heilige Georgia, een maagd uit Clermont in Auvergne, volbracht rustig haar God-welgevallig leven. Zij stierf zonder bijzondere bekendheid te hebben. verworven, maar toen haar lichaam naar de kathedraal werd gebracht voor de begrafenis, werd de stoet begeleid door een grote wolk van duiven die van alle kanten kwamen aanvliegen, zich toen neerzetten op het dak van de kathedraal tot deze geheel overdekt was met duiven-vleugelen, en toen weer het lichaam begeleiden naar zijn laatste rustplaats. Dit werd door het volk gezien als een teken van Gods bijzondere gunst en waarschijnlijk hierom werd Georgia als een heilige vereerd.

De heilige Eusebios van Syrië was een van de vroege woestijnvaders. Hij voerde zijn strijd nabij het dorp Asichi, waar hij zich vestigde op een berg. Om enige beschutting tegen de snijdende wind te hebben, bouwde hij een lage ringmuur, waarbinnen hij verbleef als in een hut zonder dak. Hij sliep op de grond, zonder dekens, in een leren tuniek. Geweekte rauwe bonen vormden zijn voedsel en soms enkele gedroogde vijgen. Deze strenge gewoonten veranderde hij ook niet in zijn hoge ouderdom. Steeds meer mensen kwamen zijn raad vragen, maar naarmate het drukker werd, kwam men ook met meer onnozelheden en daarom trok Eusebios zich steeds verder terug, en verstopte zich in een ontoegankelijk hoekje buiten tegen zijn ringmuur. Zo werd hij meer dan 90jaar oud, en hij verliet dit aardse leven in de vroege jaren van de 5e eeuw.

De heilige Quinidius (Quiniz), bisschop van Vaison, zijn geboortestad. Vanaf zijn kindertijd was hij voor zijn opvoeding toevertrouwd aan enkele vrome geestelijken, als voorbereiding voor zijn toekomstige levensstaat. Door de heilige bisschop Theodosius werd hij diaken gewijd, en als zijn afgezant naar het concilie van Arles gezonden, in 552. Deze taak volbracht hij tot ieders tevredenheid en daarom nam Theodosius hem als coadjutor (hulpbisschop), en na diens overlijden volgde Quinidius hem op als bisschop van Vaison.
Mommol, de generaal van het Franse leger, trad eens zeer beledigend tegen hem op omdat de bisschop hem niet voldoende eer had bewezen toen hij van een overwinning terugkwam. Hij liet hem lastig vallen en mishandelen, maar toen de generaal verder trok werd hij door een zware ziekte overvallen, en hij leed heftige pijnen. Zijn gevolg droeg hem terug en legde hem stervend neer aan de voeten van de bisschop. Op diens gebed werd Mommol plotseling genezen. Zulke daden van heldhaftige barmhartigheid toonden helder de schoonheid van zijn innerlijk leven, en toen hij in 578 stierf werd hij weldra als een heilige vereerd.

De heilige Severus was priester van Valeria aan de Tiber. Eens was hij zijn wijngaard aan het snoeien toen hem de boodschap bereikte dat een stervende zijn bijstand vroeg. Severus had geen zin om zijn werk af te breken en zei dat hij zou komen zodra hij klaar was.
Toen hij het huis van de zieke naderde, liepen de mensen hem tegemoet en riepen: ‘Ach, heer, waarom bent u niet direct gekomen? Nu is hij dood’. Severus werd gegrepen door een geweldig berouw toen hij het dode lichaam zag. Hij barstte in tranen uit en sloeg met zijn hoofd tegen de grond en was wanhopig over zijn nalatigheid. En God had medelijden: de geest kwam in de gestorvene terug, hij opende de ogen, sprak zijn biecht, ontving absolutie en stierf toen in vrede. Maar Severus was door deze ervaring een ander mens geworden en vervulde voortaan met gloeiende ijver zijn priesterambt. Hij is gestorven in 530.

De heilige Siegfried van Zweden was een van de grote missionarissen in dat land. Hij was een priester uit York die in een groep naar Scandinavië gezonden was voor de prediking van het Evangelie. Hij stichtte een centrum in Vaexjø in Zuid-Zweden, en werkte met succes in Smaeland en de districten van West- Gothland. Hij heeft waarschijnlijk ook koning Olaf gedoopt. Hij is daar gestorven in 1002. Een voorval uit zijn leven heeft diepe indruk gemaakt op de mensen.
Terwijl hij predikend rondtrok, had hij drie neven achtergelaten in Vaexjø waar ze door een groep heidenen lafhartig werden gedood. De koning was hierover zeer verontwaardigd en veroordeelde de moordenaars ter dood. Zodra Siegfried dit hoorde ging hij naar de koning en smeekte hem met de grootste aandrang dit niet te doen. Deze gaf toe, maar veroordeelde de fanatici toen tot een zware boete ten bate van de bisschop. Maar dat weigerde hij aan te nemen, al leefde hij in grote armoede en geldgebrek door de hoge uitgaven voor zijn missiewerk.

De heilige Walfrid, een inwoner van Pisa, was gehuwd en had vijf zonen. Toen deze groot waren besloten hij en zijn vrouw zich terug te trekken uit de wereld. Walfrid stichtte voor zichzelf de abdij van Monte Virido in Toscane, en bestuurde deze tot hij stierf in 765. Er zijn geen verdere bijzonderheden over hem bekend.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren: Saturninus, Castulus, Magnus‚ Agape en Lucius te Terni; Maior de soldaat, die in Gaza de waarheid vond en tot Christus kwam; tijdens de vervolging van Diokletiaan werd hij doodgeslagen, in 304.

Eveneens op deze dag de heilige Jozef, diaken van Antiochië; Decorosus, bisschop van Capua, belijder; Berach, bisschop in Ierland, 415; en Pafnutios van het Holenklooster in Kiev, waar hij een leven van strenge afgeslotenheid leidde in de 13e eeuw.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.