vorige dag           volgende dag

Heiligenjaar   -   12 maart

De heilige Theofanes van de Sigrianisberg, was in Constantinopel geboren in 760, uit een voornaam geslacht. Na de dood van zijn ouders werd hij opgevoed aan het hof van keizer Konstantinos Kopronymos, die ook een vrouw voor hem zocht. Hun huwelijk duurde echter niet lang, want toen Theofanes 20 jaar oud was, stelde hij zijn vrouw het monastieke ideaal zo duidelijk voor ogen dat ook zij enthousiast werd en haar leven daarnaar wilde inrichten.
Zij lieten toen hun slaven vrij en stelden heel hun vermogen in handen van instellingen van liefdadigheid. Zij trad in een klooster op de vorsten-eilanden in de Zee van Marmora, en hij vestigde zich als kluizenaar bij het dorp Polychronion op de Sigrianisberg. Later stichtte hij daar een van zijn kloosters, en hij was er gedurende 27 jaar abt. Hij hield zich vooral bezig met het copiëren van de heilige boeken en schreef ook een geschiedkundige verhandeling over de jaren 285 tot 813. Tegen zijn 50e jaar kreeg hij ernstig last van nierstenen, zodat hij bedlegerig werd.
Om de verering van de iconen werd hij naar Constantinopel geroepen en daar gevangen gezet. Na twee jaar werd het vonnis uitgesproken: verbanning naar Samothrake. Hij leed weer aan de kwaal die hem toen hij 50 jaar was reeds op de rand van het graf had gebracht, en de moeizame reis had hem zozeer verzwakt dat hij reeds enkele weken later stierf, in 818.

De heilige Petros, Gorgonios en Dorotheos waren officieren aan het hof. Diokletiaan ontdekte dat Petros een christen was toen deze hem zijn wreedheid tegenover de christenen verweet, en hij liet hem sadistisch martelen. Gorgonios en Dorotheos riepen verontwaardigd: ‘Waarom laat u alleen Petros martelen voor wat wij allen in ons hart belijden?’ Toen liet de keizer hen ombrengen‚ samen met Migdo, een priester, Maxima en vele andere christenen van Nikomedië. Petros werd eindeloos gegeseld en op allerlei manieren gemarteld en tenslotte langzaam verbrand. De anderen werden na hun marteling opgehangen, in 302.

De gerechte Fineës (Pinehas) was de kleinzoon van de eerste hogepriester Aäron en werd reeds priester tijdens het leven van zijn vader. Na diens dood werd hij hogepriester en hij stierf in hoge ouderdom. Hij werd begraven in Gabaoth, 1500 voor Christus. (Num. 25)

De heilige Gregorius de Grote, paus van het oude Rome, geboren in 540, stamde uit een beroemd senatorengeslacht. Hij was een jongeman van bijzondere geestkracht en werd aangesteld tot praetor van Rome in een bijzonder moeilijke tijd door de voortdurende invallen der barbaren, met onvoldoende steun vanuit Byzantium. Hij won de harten van het volk door zijn manier van optreden en voerde een grote staat.
Zijn hart zocht echter naar meer wezenlijke dingen. Hij sloot vriendschap met een aantal leerlingen van de heilige Benedictus, en tenslotte besloot hij gehoor te geven aan die innerlijke roepstem. Hij verbrak alle wereldse banden, besteedde zijn rijkdom aan de bouw van zes kloosters op Sicilië, richtte zijn paleis ook in als een klooster, toegewijd aan de heilige Andreas, voerde daar de benedictijnse Regel in en werd daar zelf monnik. De rest van zijn bezittingen maakte hij te gelde en hij schonk de opbrengst aan de armen, in 575. En het volk van Rome, dat de jonge patriciër door de straten had zien gaan gekleed in kleurige zijde en omhangen met juwelen, zag nu vol bewondering hoe hij in een armoedige pij de bedelaars bediende in het hospitium dat hij had ingericht in het poortgebouw van zijn vaderlijk huis.
Nu hij eenmaal monnik was geworden, wilde hij dat ook volkomen zijn en hij volgde zo strikt mogelijk de ascese die door de Regel werd toegestaan. Verder legde hij zich met vuur toe op de studie van de Heilige Schrift. Daarbij vastte hij zo streng dat hij zijn gezondheid ruïneerde, zodat hij verplicht was zachte spijzen te gebruiken en tot zijn grote schaamte ook de vasten van de Paasnacht niet kon houden, wanneer zelfs de kinderen ongespijzigd blijven. Door deze zwakke gezondheid werd hij heel de rest van zijn leven gekweld.
Paus Benedictus I haalde hem al na twee jaar uit het klooster en stelde hem aan tot kardinaal-diaken, belast met een van de zeven departementen van Rome. De volgende paus, Pelagius II, zond hem aan het hoofd van een gezantschap naar Constantinopel. Hij kwam in de zes jaren dat hij daar verbleef in nauwe aanraking met de Griekse eredienst. Daar schreef hij over het boek Job de beroemde ‘Moralia’. In 585 kwam hij in Rome terug, en kon weer teruggetrokken leven in zijn klooster. In die tijd schreef hij zijn bekende ‘Dialogen’ met de levensbeschrijvingen van eigentijdse heiligen, onder andere van de heilige Benedictus.
Het einde van zijn kloostertijd werd aangekondigd door een kenmerkend voorval. Hij ontmoette op de markt een paar slavenkinderen wier blonde schoonheid hem in verrukking bracht. Zij waren afkomstig uit het land der Angelen. ‘Dat zijn geen Angelen’, zei Gregorius‚ ‘maar engelen’. Dat heidense land moest beslist voor Christus worden gewonnen. Hij organiseerde direct bij de paus dat daarheen een missie gezonden zou worden, en toen er geen missionarissen beschikbaar waren, bood hij zichzelf aan en regelde zijn vertrek. Hij was reeds vertrokken eer het verbaasde volk reageerde, maar toen werd de paus bestormd om Gregorius, zulk een onschatbare kracht voor Rome, terug te doen halen. Er werd dus een delegatie achter hem aan gezonden die hem na drie dagreizen inhaalde en hem dwong naar zijn klooster terug te keren.
In 590 stierf de paus aan de pest, die toen de bevolking van Rome decimeerde. Ogenblikkelijk werd Gregorius eenstemmig gekozen door volk, senaat en geestelijkheid, en al zijn protesten mochten niet baten. Zelfs zijn beroep op de keizer om deze verkiezing niet te bekrachtigen bleef zonder uitwerking. Toen vluchtte hij vermomd uit Rome, maar hij werd ontdekt en teruggebracht, en nu erkende hij de eenstemmigheid van zijn medeburgers als de uitdrukking van Gods wil en hij aanvaardde het ambt.
Hij organiseerde een grote boeteprocessie om Gods toorn af te wenden van de stad. Zij kwamen bij elkaar in zeven afdelingen uit de zeven statie-kerken van Rome, die elk een eigen afdeling verzorgden: geestelijkheid, monniken, monialen‚ kinderen, volk, weduwen en matrones, waarvan velen in het laatste stadium van de ziekte verkeerden. Tijdens de tocht stierven tachtig van de deelnemers, maar Gregorius liet het doorgaan en hij zag de verschijning van een engel op de Hadrianusheuvel, die het zwaard in de schede stak. Het beeld van deze engel werd later opgericht op het dak van het mausoleum dat daarom San Angelo heet.
De pest nam langzamerhand een einde, maar er moest het hoofd worden geboden aan telkens nieuw onheil, en Gregorius was een der meest geplaagde bisschoppen van Rome. Steeds zal hij treurig zijn dat hij vanuit de geestelijke rust van het klooster zich in zulk een levensgewoel moest storten. Italië werd verscheurd door de voortdurende oorlog tussen Constantinopel en de Longobarden‚ en de Griekse troepen richtte even grote verwoestingen aan als de barbaren. Gregorius wist na eindeloze pogingen een soort vrede te bewerkstelligen en Rome te vrijwaren voor de eeuwige plunderingen door woeste soldaten, maar het land bleef geteisterd door pest, honger en overstroming.
Als paus bleef hij trouw aan zijn liefde voor Engeland. In 590 zond hij de heilige Augustinus met 40 monniken, en hij opende daarmee een geheel nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de kerk van Engeland, waar hij als hun apostel werd geëerd. Hij opende ook voor Europa een nieuwe weg door de contacten die hij zocht met de Germaanse stammen in Frankrijk, waar de jonge stammen begonnen te ontwaken die het in verval geraakte Byzantijnse imperium zouden aflossen.
Gregorius organiseerde ook de kerkzang door het oprichten van een zangacademie, die het voorbeeld werd voor vele zangscholen door heel Europa, waardoor de Latijnse zang zijn naam draagt: het Gregoriaans. En toen hij in de laatste jaren van zijn leven zozeer gemarteld werd door de jicht dat hij het kamertje waarin hij leefde niet meer kon verlaten, liet hij de koorzangers bij zich komen omdat hij zijn lessen niet wilde staken. In een brief aan de patriarch van Alexandrië schreef hij: ‘Al bijna twee jaar ben ik aan mijn bed gekluisterd door zulke pijnlijke jichtaanvallen, dat ik op de grote feestdagen nauwelijks een paar uur kan opstaan voor de plechtige dienst, en dan direct weer moet gaan liggen om het niet uit te schreeuwen van de pijn. De ziekte laat niet van me af en is evenmin in staat me te doden; ik smeek uwe heiligheid voor mij te bidden dat ik spoedig bevrijd mag worden om de glorievolle vrijheid te ontvangen van de kinderen Gods’.
Tot in zijn laatste dagen dicteerde hij zijn omvangrijke correspondentie inzake de aangelegenheden van de kerk. Bijna in volle activiteit is hij gestorven in 604, nog net geen 55 jaar oud, in het 13e jaar van zijn pontificaat. Zijn opvolger maakte een einde aan de vrijgevige schenkingen die Gregorius altijd voor de verzorging van de armen had gedaan, onder het voorwendsel dat de schatkist leeg was. Het volk liep nu te hoop tegen zijn overleden weldoener, beschuldigde hem van het verkwisten van de kerkelijke eigendommen en begon al zijn geschriften te verbranden om zijn gedachtenis uit te wissen.
Petrus, de diaken en persoonlijke vriend van Gregorius (die we steeds in de Dialogen ontmoeten), wist dit met uiterste moeite te verhinderen, maar dit had hem zo ingespannen dat hij bij het einde van zijn redevoering ook zijn laatste adem uitblies. Om zijn trouwe vriendschap wordt hij samen met Gregorius op deze dag herdacht.
Om nog eens samen te vatten wat Gregorius in zijn korte leven tot stand bracht: hervorming van de geestelijkheid, verbetering van de liturgische boeken, organisatie van het zangonderricht, weldadigheid voor armen, kerken en kloosters, vluchtelingenhulp in de Longobarden-oorlogen, en zijn geschriften: Dialogen over het leven der contemporaine heiligen, de Regula Pastoris over het priesterambt, preken en commentaren over de Evangelies en de Profeten, en een uitgebreide correspondentie.

De heilige Simeon de Nieuwe Theoloog, 949-1022. Hij was geboren in Paflagonië (Klein-Azië) en zijn welgestelde ouders stuurden hem voor zijn opvoeding naar Constantinopel. Hij was intelligent maar niet leergierig en na de middelbare opleiding volgde hij geen onderwijs, maar vestigde zich als schrijver. Dit vond een oom van hem te min, en hij bezorgde hem (tegen de zin van Simeon in) een plaats aan het hof. Toen deze oom stierf, leek dit voor Simeon de kans om het hof te verlaten en aan zijn geestelijke vader, Simeon de Vrome, vroeg hij om opgenomen te worden in het Studionklooster. Daar hij echter pas 14 jaar oud was, werd hem dit geweigerd. Hij kreeg wèl het boek van de heilige Markos de Asceet (5 maart) als geestelijke lectuur.
Zo begon Simeon zich toe te leggen op gebed, matigheid en Schriftlezing tot diep in de nacht, terwijl hij overdag aan het hof verbleef. Maar vooral: hij leerde zichzelf nauwlettend acht te slaan op wat zijn geweten hem ingaf en dat altijd, zonder enige beperking, uit te voeren: ‘Maak nog enkele knielbuigingen‚ zeg nog een paar psalmen, zeg nog vaker het Jezusgebed’. Hij redeneerde daar niet over maar beschouwde het als een rechtstreekse opdracht van God. En toen hij op deze wijze eens in de nacht aan het bidden was, werd hij volkomen onverwacht omstraald door een wonderbaar licht, dat hem met een onzegbare vreugde vervulde. Hij begreep dat dit een genade was die hij te danken had aan het vurig gebed van zijn geestelijk vader.
Hij was nu 20 jaar, het wereldse leven ontplooide nu zijn volle kracht, en de herinnering aan dit visioen begon te verflauwen. Hij bezoekt nog wel geregeld zijn geestelijke vader, maar zijn ijver voor het gebed verdwijnt en hij laat zich meeslepen in de sleur van de dagelijkse verstrooiingen‚ zonder tot een bepaald zondig leven te geraken. Dit duurt ruim zes jaar.
Toen kwam er een tijd van bezinning, het drong tot hem door wat hij verloren liet gaan en hij nam het definitieve besluit om monnik te worden. Opnieuw ging hij naar het Studionklooster, en werd aangenomen, hij was 27 jaar. Nu kwam echter de moeilijkheid dat hij zich niet los wilde maken van zijn geestelijke vader en dat werd in dit strikte klooster niet toegestaan. Simeon ging dus weer weg en trad in het minder strakke Mamasklooster, waar hem die mogelijkheid wèl gelaten werd.
Hier erkenden de monniken de waarde van zijn persoonlijkheid: reeds spoedig werd hij monnik gewijd en priester, en reeds na drie jaar werd hij tot abt gekozen. ln deze tijd hield hij zijn beroemde toespraken, de Catechesen, erop gericht het geestelijk leven van zijn monniken te versterken. Doordat hij met heel zijn wezen zulk een vurig voorbeeld gaf, bezorgde dit alles hem geestdriftige navolgers, maar het kweekte ook een partij van ontevredenen die hun vroegere leven goed genoeg vonden. Simeon wilde zich losmaken uit deze verscheurdheid; hij droeg het bestuur over aan zijn beste leerling, Arsenios, en trok zich terug om zich geheel te wijden aan het geestelijk gebed en aan zijn geschriften.
Intussen stierf zijn geestelijke vader, met wie hij zo innig verbonden was. Op eigen gezag stelde hij een jaarlijks gedachtenisfeest in en daar kwam natuurlijk reactie tegen. Stefanos, de bisschop van Nikomedië, klaagde hem aan bij de patriarch en zei dat een niet-theologisch geschoolde monnik zoiets niet mag doen. De patriarch, een vriend van Simeon, is in verlegenheid en schuift de zaak op de lange baan. Maar omdat Simeon hardnekkig vasthoudt aan zijn viering - hij ziet het opgeven ervan als ontrouw aan zijn geestelijke vader, aan wie hij heel zijn innerlijk leven te danken had - moet er na zes jaar een beslissing worden genomen. Simeon wordt verbannen en zonder meer over de Bosporus gezet.
Daar ging hij wonen bij een vervallen kerkje van de heilige Marina, het eigendom van een van zijn leerlingen, die nu ook in Simeons levensbehoeften voorzag en zorgde voor de restauratie van het kerkje. Al spoedig kwamen er gelovigen die zich onder zijn geestelijke leiding stelden en er ontstond een kloostertje. Intussen waren vrienden van Simeon in Constantinopel actief gebleven en zij drongen er bij de patriarch op aan de zaak te herzien. Zij slaagden erin te bewerkstelligen dat de verbanning werd opgeheven en dat Simeon werd teruggeroepen. Hij kwam wel, om hun die genoegdoening te geven, maar hij keerde toch weer terug naar zijn eigen klooster, dat geheel van zijn geest doordrongen was en waar hij zich in alle rust kon wijden aan het creëren van zijn geestelijke geschriften. En na 48 jaar priesterschap is hij daar in vrede ontslapen in de Heer.
Deze enigszins bizarre levensloop moet ons niet doen vergeten wat voor een mens de heilige Simeon was, die we pas door zijn werk leren kennen. De halsstarrige liefde die hij zijn geestelijke vader toedroeg, was slechts een afschijnsel van de gloeiende liefde tot Christus welke hem bezielde. Zijn toespraken, zijn overwegingen, zijn hymnen, zij tonen ons telkens opnieuw hoe sterk zijn leven met God verbonden was, hoe bewust hij leefde in Gods stralende tegenwoordigheid, hoe Gods liefde in hem leefde en uitstraalde naar zijn broeders. Deze liefde van God manifesteerde zich in meeslepende mystieke ervaringen, en Simeon, die tegelijk een groot dichter was, stelde heel zijn talent in werking om die ervaringen onder woorden te brengen om ze te kunnen delen met zijn broeders. Het is deze rechtstreekse beleving van Gods energie en Gods aanwezigheid die hem tot een ware ‘Godskenner' maakt, een ‘theoloog’, iemand die God kent vanuit zijn binnenste, vanuit levende ervaring, niet vanuit zijn redenerend verstand. En het is daarom dat Simeon na de Evangelist Johannes, en na de God-schouwende Gregorios van Nazianze, in de Orthodoxe kerk de eretitel krijgt van de ‘Nieuwe Theoloog’.
De volgende aanroeping van de Heilige Geest is uit één van zijn hymnen:
Kom, waarachtig Licht.
Kom, eeuwig Leven.
Kom, Mysterie dat verborgen is.
Kom, Rijkdom zonder naam.
Kom, Gij die onuitspreekbaar zijt.
Kom, Wezen, onbereikbaar voor mensenverstand.
Kom, altijddurende verheffing.
Kom, avondloos Licht.
Kom, Verlangen van allen die naar verlossing dorsten.
Kom, opstanding der gestorvenen.
Kom, Machtige, die door een wenk alles voortdurend schept, verandert en beweegt.
Kom, Gij die geheel en al onschouwbaar, onaanraakbaar en onaantastbaar zijt.
Kom, eeuwig Onbeweeglijke die toch geheel de tijd in U omsloten houdt.

De heilige Hereswide, koningin van Oost-Engeland, was de vrouw van koning Annas. Drie van de dochters uit dit voorbeeldige gezin zijn eveneens heilig verklaard. Toen Annas gestorven was, voelde Hereswide zich vrij van haar verplichtingen. Ze ging naar Frankrijk en nam de sluier aan in de abdij van Chelles, dichtbij Parijs. Ook daar was zij een voorbeeld voor allen door haar zachtmoedigheid, haar geduld in alle beproevingen en haar liefde voor de ascese. Zo is zij in vrede overgegaan naar de Heer.

De heilige Maximilianos was de zoon van een Romeins soldaat. Toen hij 21 jaar was, moest hij ingeschreven worden in het leger, maar hij weigerde dit om de afgodendienst waarmee het verbonden was. ‘Ik ben soldaat van Jezus Christus’, zei hij, ‘en ik wil geen dienst aanvaarden die mij noodzaakt Hem te beledigen. Ge kunt mij het leven ontnemen, en dan verlaat ik de aarde, maar mijn ziel zal dan in de hemel leven bij Hem, mijn goede Meester’. En hij vroeg aan zijn vader om aan de beul het nieuwe soldatenkleed te geven dat hij voor hem had laten maken. Toen werd hij onthoofd, in 296. En zijn vader was trots op zijn zoon en hij dankte God Die hem in staat had gesteld zulk een geschenk aan te bieden aan de hemel.

De heilige Paulus, bisschop van Leon, was een leerling van de heilige Iltut. Toen hij 16 jaar werd, verliet hij zijn meester, stak de zee over en vestigde zich op een eenzame plaats in de Bretonse moerassen, waar hij een gebedsplaats en een cel bouwde. Na verloop van tijd kwamen andere jongemannen, die evenals hij een beter vaderland zochten, om zich onder zijn leiding te stellen. De gemeenschap groeide, en Paulus werd samen met twaalf van zijn monniken priester gewijd. Zij werden uitgenodigd door de vorst van een nabijgelegen rijkje om het volk te komen onderrichten in Gods Woord.
Hij onderrichtte hen niet alleen in het geloof, maar leerde hen ook hoe zij bijen moesten houden en varkens om de lasten van het leven wat lichter te maken. Toen hij een kerk had gebouwd in Leon, wilde de koning hem daar tot bisschop hebben, maar hij was ervan overtuigd dat Paulus dat zou weigeren. Daarom zond hij hem naar koning Childebert met een uiterst belangrijke brief, die hij persoonlijk moest overhandigen. Childebert las de brief, nam de staf van een van zijn hofprelaten, en gaf die Paulus in de hand met de woorden: ‘Ontvang de herderlijke waardigheid om te dienen ten bate van velen’. En hij riep drie bisschoppen voor de wijding. Paulus weende en verzette zich, maar niets mocht baten: hij werd gewijd.
Met groot gejubel werd hij ontvangen toen hij terugkwam en het bisschopsambt op zich nam. Maar hij bouwde een klooster op het eiland Batz en trok zich daar zo dikwijls terug als de lopende zaken dat maar enigszins toestonden. Op hoge leeftijd legde hij het ambt neer. Hij wijdde drie van zijn leerlingen als zijn opvolgers, maar hij overleefde nog twee van hen. Tenslotte is hij gestorven in 573.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren: Maximilianus te Rome; en de priester Egdunos met nog zeven anderen te Nikomedië, die telkens de een na de ander gewurgd zijn.

Eveneens op deze dag de heilige Muran, abt van Fathinis in Noord-Ierland, 7e eeuw; en Bernardus, bisschop van Capua.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.