vorige dag           volgende dag

Heiligenjaar   -   16 maart

De heilige Sabinos, de stadhouder van Hermopolis in Egypte, verborg zich met andere christenen in een hut in de bergen, tijdens de vervolging van Diokletiaan. Zij zouden van voedsel worden voorzien door een bedelaar, aan wie Sabinos veel goed had gedaan, maar deze verried hen om een beloning. Sabinos werd, na langdurige folteringen, in de Nijl verdronken, in 287.

De heilige Julianos van Anasarba, uit de omgeving van Tarsos. Zijn vader was een heidense raadsheer, zijn moeder was christin en zij leerde hem het geloof. Toen hij 18 jaar oud was, werd hij voor de stadhouder geleid om te offeren aan de goden voor het welzijn van de keizer, Maximiaan. Toen hij dit weigerde werd hij geslagen en in de gevangenis geworpen. Zijn moeder kwam hem bezoeken en sprak hem moed in en bij het volgende verhoor zei Julianos dat hij liever zou sterven dan Christus verloochenen. Toen werd hij verdronken in een zak met adders en schorpioenen, in Antiochië in Syrië.

De heilige Papas leed in Lykaonië tijdens de vervolging van Maximiaan. Nadat hij hevig geslagen was, spijkerden de beulen hoefijzers onder zijn voeten, spanden hem in een wagen en joegen hem met een zweep door de straten van Laranda. Toen hij machteloos neerzonk, wilde een medelijdende vrouw het bloed en zweet van zijn gezicht wissen als een andere Veronika, en toen stierf hij in haar armen, rond het jaar 310.

De heilige Heribert (Herbert), aartsbisschop van Keulen, was een edelman uit Worms, opgevoed in de abdij van Gorze in Lotharingen. Hij kwam naar Worms terug als een bijzonder begaafde jongeman en de bisschop van Worms kreeg zulk een achting voor hem dat hij hem aanstelde tot deken over de kathedraal. Toen Otto III enkele jaren later tot keizer gekroond werd, stelde hij Heribert aan tot kanselier. In deze functie wist hij alom zoveel vertrouwen te wekken dat hij later in het door partijschappen verscheurde bisdom Keulen, eenstemmig tot bisschop gekozen werd in 999.
Men had geen betere keuze kunnen doen, zijn bestuur bleek een grote zegen voor het bisdom te zijn. Hij bracht de eenheid terug onder de geestelijken en organiseerde de ondersteuning van de behoeftigen. Hij trok voortdurend door zijn diocees om zich persoonlijk op de hoogte te stellen van de omstandigheden waaronder zijn gelovigen moesten leven, en hij spande zich in om misstanden die hij ontmoette, te verhelpen. Zo was hij voor zijn priesters een meeslepend voorbeeld voor wat zielzorg betekent. Daarom steunde hij ook krachtdadig de kloosters die zo duidelijk een zegen waren voor de gehele bevolking, en stelde hij alles in het werk voor de nieuwbouw van de abdij van Deutz op de andere Rijn-oever, die in 1019 werd ingewijd. Ook steunde hij de bouw van de beroemde Keulse kerken: Sankt Pantaleon, Sankt Severin, Sankt Georg, Maria im Kapitol en de Apostelkerk.
ln het bijzonder trok hij zich het lot van de armen aan. Reeds tijdens zijn ambtstijd als kanselier werd hij geroemd om zijn milddadigheid, maar nu organiseerde hij zijn hulp op grote schaal. Steeds meer verarmde boeren trokken naar de stad in de hoop daar nog enig voedsel te vinden na het mislukken van de oogst. Heribert stichtte gasthuizen en ziekenhuizen en liet zijn priesters overal geld inzamelen om ook op het platteland de honger te bestrijden.
Toen er eens een noodlottige droogte heerste, waaronder vooral de boeren en de armen te lijden hadden, trok hij aan het hoofd van een grote processie naar de oude kerk Sankt Severin, en bleef diep gebogen bidden voor het altaar totdat een geweldig onweer een einde maakte aan de nood.
In de winter van 1021, terwijl hij reeds ziek was, ging hij weer op visitatiereis, maar hij kwam niet verder dan Neuss. Toen werd hij naar Keulen teruggebracht; daar liet hij zich in de domkerk dragen waar hij voor het laatst bad voor zijn diocees en zijn armen. Toen stierf hij, op deze dag in het jaar 1022.

De heilige Aristobulos, apostel uit de 70, was een broeder van apostel Barnabas uit Cyprus en eveneens reisgenoot van de heilige Paulos. Deze zond hem naar Engeland om te prediken; daar bekeerde hij vele heidenen tot Christus en hij stierf in vrede, 1e eeuw.

De heilige Christodoulos de wonderdoener, was afkomstig uit de buurt van Nicea omstreeks 1020. Van jongsaf leefde in hem de wens om monnik te worden en zijn ouders, die dit niet wilden, besloten hem zo vroeg mogelijk te laten trouwen. Toen de jongen dit bemerkte, ontvluchtte hij heimelijk zijn ouderlijk huis en ging naar de Olymposberg, eveneens in Bithynië, een beroemd monnikencentrum. Daar ontving Johannes de naam Christodoulos en hij leerde de praktijk van het monniksleven.
Toen enkele jaren later zijn geestelijke vader gestorven was, maakte Christodoulos een grote pelgrimsreis van Rome tot Palestina, en daar ging hij als monnik naar een van de woestijnkloosters. Nu het Byzantijnse rijk zwak was geworden en dit gebied niet meer kon beschermen, werden die kloosters telkens weer lastig gevallen door roversbenden die veel monniken vermoordden en anderen als slaat verkochten. Christodoulos wist met enkele anderen te ontsnappen, zij trokken naar een ander monnikencentrum, de berg Latra bij Milete.
De combinatie van leiderstalent en heilig leven in zijn persoon trok de aandacht, en de monniken wilden hem tot abt over de hele gemeenschap maken. Hij weigerde, maar kreeg toen van de patriarch van Constantinopel de opdracht die taak te aanvaarden, en deze stelde hem tevens aan tot archimandriet, belast met het toezicht over alle kloosters van die provincie.
Maar hier herhaalde zich de treurige geschiedenis: piraten, moord, gevangenschap. En opnieuw deed het praktische verstand van Christodoulos zich gelden, zodat hij met de zijnen kon ontvluchten. Hij trok nu rond op zoek naar eenzaamheid, en vond toen het eiland Patmos, dat aan zijn verlangen beantwoordde: grote onherbergzaamheid en, vooral, de aanwezigheid van de grot waar de Apostel Johannes de Apocalyps had geschreven.
Hij ging naar Constantinopel om een vestigingsoorkonde te vragen maar de keizer verzocht hem om het klooster op de Zagora aan de Hellespont onder zijn hoede te nemen. Christodoulos loste dit slim op door te zeggen dat zij dan eerst moesten beloven zich te houden aan de strikte Regel die hij zou invoeren. Zoals hij voorzien had, vonden de monniken deze regel veel te streng, en zo kreeg hij de handen vrij. De keizer (Alexios Komnenos) verleende de verlangde bul met vrijstelling van de keizerlijke belasting en de toezegging van een jaarlijks geschenk van broodgraan. Hij kreeg ook geld en arbeiders mee, zodat direct kon worden begonnen met de bouw van een kerk, toegewijd aan de heilige Johannes de Evangelist. Om allen aan te sporen deed hij zelf mee aan de zware handenarbeid, zonder af te zien van zijn strenge vasten en lange gebedsuren.
Onder Gods zegen vorderde de bouw voorspoedig, en tijdens een droogteperiode met voedselgebrek vermeerderden zich de rantsoenen ophef gebed van de heilige. Maar aan die gelukkige toestand kwam opnieuw een einde: nu waren het de Noormannen die zelfs tot hier doordrongen op hun plundertochten. En weer besloot Christodoulos te vluchten, en hij gaf opdracht de gehele voedselvoorraad aan de armen uit te delen. Pas na herhaald aandringen gaven de angstig bezorgde monniken aan deze opdracht gehoor. Toen zij echter een veilig toevluchtsoord hadden gevonden op het eiland Euboia, was er direct iemand die een heel schip graan ter beschikking stelde.
Na verloop van tijd begonnen er geregelder toestanden te heersen en de plundertochten namen een einde. Christodouloswas intussen oud geworden, maar hij drong er bij zijn monniken op aan weer terug te keren naar het klooster dat zij met zoveel moeite hadden gebouwd op Patmos en daar de verering van de heilige Johannes levend te houden. Zijn wens was dat ook zijn gebeente daar zou rusten. Zijn lichaam werd inderdaad overgebracht, na zijn dood in 1094. Er werd een kerkje gebouwd voor zijn relieken, waar vele wonderen geschiedden.

De heilige Trofimos en Thallos, in de provincie Karië van Klein-Azië. In 298 werden zij gegrepen en geruime tijd gestenigd‚ zonder dat ze daardoor zwaar gewond raakten. Toen werden ze met rust gelaten, maar tijdens de vervolging onder Maximiaan werden ze toch weer gegrepen en aan het kruis geslagen, waar zij biddend hun ziel teruggaven aan God. Vrome christenen hebben hun lichamen toen eerbiedig begraven in hun geboortestreek.

De heilige Eusebia (Ysoie), abdis van Hamage, waar zij als kind was opgevoed onder het bestuur van haar grootmoeder, de heilige Gertrudis. Nadat deze gestorven was, werd Eusebia, die nog pas 12 jaar oud was, wegens haar koninklijke geboorte tot abdis aangesteld, waarbij het bestuur natuurlijk door een priorin werd waargenomen. Haar moeder, die intussen abdis was geworden van een nabijgelegen abdij, vond de toestand toch te gevaarlijk en droeg de nieuwe abdis op met heel haar klooster bij haar te komen wonen. Eusebia gehoorzaamde met tegenzin en verhuisde met heel haar communauteit. Maar ‘s nachts liep ze blootsvoets naar haar eigen abdij om daar de kerk niet zonder gebed te laten. Toen haar moeder dit bemerkte, liet zij haar slaag geven, maar Eusebia bleef die nachtelijke tochten volhouden. De bisschop gaf de raad, nu zij zulk een geestkracht betoonde, de communauteit weer in haar eigen tehuis te herstellen. Ze gingen dus terug en Eusebia bestuurde de gemeenschap met wijsheid en vroomheid tot aan haar dood in 680, in de ouderdom van 43 jaar.

De heilige Gregorios van Armenië, bisschop van Nikopolis, waar hij eerst als monnik had geleefd. Om zijn vroomheid en grote kennis van de Heilige Schrift was hij eerst priester gewijd en vervolgens tot bisschop gekozen. Omdat hij ook als bisschop in zijn ascetische levenswijze volhardde, wekte hij ergernis bij lieden die vonden dat hij niet volgens zijn rang leefde. Gregorios deed toen afstand van het ambt en trok met twee Griekse metgezellen steeds verder naar het westen, tot zij eindelijk het eindpunt van hun reis bereikten in Pluviers, bij Orléans. Daar leefde hij nog 7 jaar in uiterste ascese. Zijn voedsel bestond uit rauwe wortelen en gekiemde linzen met een weinig gerstebrood. Andere levensmiddelen die hem door bezoekers werden gebracht, aanvaardde hij wel, maar hij deelde ze uit aan armen in de omgeving. Op vastendagen at hij in het geheel niets. Hij is gestorven tegen het jaar 1000.

De heilige Abraham en Maria. Abraham was de enige zoon van schatrijke ouders, die leefden te Chidama in Mesopotamië. Zijn vader vond voor hem een mooi meisje waarmee hij met grote praal trouwde. Hij had nu alles wat de wereld kon geven: rijkdom, een hoge positie, een geliefde, maar innerlijk bleef hij onbevredigd. In hem groeide de onweerstaanbare overtuiging dat alleen God deze leegte kon vullen, en dat de enige werkelijke voldoening was: Hem te dienen met de grootst mogelijke volmaaktheid. Daarom verliet hij op een nacht heimelijk het huis en verborg zich in de woestijn.
Weken later werd hij daar gevonden, maar niets kon hem overhalen om met zijn ouders en zijn bruid terug te keren. Hij had een hutje gevonden waarvan hij de deur deed dichtmetselen. Slechts een vriend kwam hem geregeld brood en water brengen. Toen hij zo twaalf jaar geleefd had, stierven zijn ouders en lieten hem een enorm bezit na. Hij vertrouwde het aan zijn vrienden toe dit alles te gelde te maken en de opbrengst aan de armen te geven.
In de buurt lag een heidens dorp dat tot dan toe hardnekkig weerstand had geboden aan alle missioneringspogingen. De bisschop van Edessa dacht nu dat het misschien zou lukken wanneer een heilige daar kwam preken. Hij kwam naar Abraham en verplichtte hem onder gehoorzaamheid dit op zich te nemen en daartoe wijdde hij hem priester. Abraham bouwde toen een kerkje bij het dorp en toen er niemand naar hem wilde luisteren bracht hij de nachten door in vlammend gebed voor hun bekering. Dit vuur greep hem ook aan om hun afgodenbeelden omver te werpen. Toen liepen de inwoners te hoop en sloegen op hem los tot hij zich niet meer kon bewegen en zich pas in de nacht naar zijn hut kon slepen. Maar Abraham gaf de moed niet op. Telkens keerde hij naar het dorp terug, ook al werd hij steeds opnieuw met stokken en stenen eruit gejaagd.
Dit duurde zo drie jaren. Toen begon langzamerhand de mening van het dorp te veranderen, en zodra de mensen eenmaal werkelijk naar hem begonnen te luisteren, vereerden ze hem al spoedig als een apostel der waarheid. Nog een jaar hield Abraham zijn onderricht vol, tot zij in het geloof bevestigd waren, daarna vertrouwde hij hen toe aan de bisschop en hij keerde terug naar zijn cel.
Toen overkwam hem een nieuw avontuur. Zijn nichtje, Maria, een meisje van zeven jaar, was wees geworden, zonder middelen van bestaan. Ze werd bij hem gebracht als haar enige familielid. Abraham liet een kamer bouwen naast zijn eigen hut en verzorgde het meisje, dat opgroeide tot een jonge vrouw. Een jongeman uit de buurt vatte een hevige hartstocht voor haar op, schaakte haar, nam haar mee naar een andere stad en liet haar in de steek. Zij leidde nu het leven van een gevallen vrouw in Assos. Dit kwam tenslotte haar oom ter ore, die overal naar haar had laten informeren, en die dag en nacht bad en boete deed voor haar redding. Hij kwam tot het besluit dat hij er persoonlijk op af moest gaan.
Abraham sloopte de muur van zijn kluis, verwisselde zijn monnikshabijt voor een soldatenpak enging naar Assos. Hij huurde een woning naast het bordeel waar Maria verbleef en probeerde met haar in contact te komen. Daarom ging hij er op bezoek, bestelde een maaltijd en vroeg of zij met hem mee at. Zwaar opgemaakt kwam ze bij hem zitten, zij at en dronk en lachte luidruchtig terwijl Abraham steeds stiller werd en tenslotte zijn tranen niet meer kon bedwingen toen hij haar in deze toestand zag. Zij kuste hem en zag toen plotseling dat ernstige, zo intens treurige gelaat. Er werd een herinnering in haar wakker en ze begon te huilen. De herbergier vroeg verbaasd wat haar mankeerde, ze was immers in die twee jaar zo luchthartig en vrolijk geweest. Maar zij zag opnieuw die tranen van Abraham en riep: ‘Mijn God, was ik maar drie jaar geleden dood gegaan! Als ik hem zie, moet ik weer denken aan mijn lieve oude oom in de woestijn, en hoe onschuldig ik toen was en hoe ik toen echte blijdschap bezat’.
Toen stuurde Abraham de man de kamer uit, deed zijn kap af, vatte haar handen en zei: ‘Maria, mijn kind!’ Toen zij hem herkende, versteende zij. En hij klaagde: ‘Waarom heb je het me niet gezegd toen je in verzoeking kwam, we zouden de hemel met gebeden en tranen hebben bestormd om je te bevrijden. Waarom heb je me in de steek gelaten en deze ondraaglijke zielenangst over me gebracht?’ Maar ze bleef sidderend en dodelijk verschrikt zitten en zei geen woord. Hij bleef haar vasthouden: ‘Mijn eigen Maria, wil je niet eens tegen me spreken?’ en hij schudde van het snikken. Toen begon hij opnieuw: ‘Jouw zonde zal op mij rusten, mijn kind, ik zal er verantwoording voor afleggen tegenover God op de oordeelsdag. Ik zal boete doen en alles verdragen om je zonde uit te wissen, maar kom terug, mijn kind’.
Eindelijk barstte zij los: ‘Ik durf u niet eens in het gezicht te zien, oom, hoe kan ik dan tot God roepen nu ik Hem zo beledigd heb?’ Maar weer zei hij: ‘lk zal de last van je zonden dragen, Maria, laat het op mij drukken’. Toen viel ze schreiend neer en hield zijn voeten vast en beloofde terug te gaan. Hij hielp haar overeind en vroeg haar om meteen te vluchten. Zo kwamen ze bij de kluis en nu gaf hij Maria de binnenste cel en betrok zelf de buitenste. En zij beweende haar verleden met bittere tranen en zo leefden zij nog tien jaar tot hij in vreugdevolle gerustheid kon sterven na haar oprechte bekering. Hij stierf tegen het einde van de 6e eeuw, 70 jaar oud.
Maria leefde nog vijf jaar na de dood van haar oom en God werkte wonderen door haar gebeden, zodat zij troost vond voor de smart van haar ziel omdat God haar overtredingen had uitgewist wegens haar intens berouw.

De heilige Serapion, bisschop van Novgorod, was afkomstig uit de buurt van Moskou. Op wens van zijn ouders was hij gehuwd en hij werd priester gewijd. Na de dood van zijn vrouw verdeelde hij zijn vermogen onder de armen en werd monnik. Later werd hij tot abt gekozen. In 1493 werd hij tot abt benoemd van de grote Sergei-Laura en in 1506 tot aartsbisschop van Novgorod. Daar kreeg hij twist met Josef van Wolokolamsk over de verdeling van kerk- en kloostergoederen. Deze liet zijn invloed in Moskou gelden en Serapion werd daarom naar Moskou geroepen, afgezet als bisschop van Novgorod, en geïnterneerd in een klooster van de stad.
Na twee jaar bleek dat zijn verzet gerechtvaardigd was geweest. Er kwam een verzoening tot stand met Josef van Wolokolamsk‚ doch Serapion keerde met naar Novgorod terug, doch bleef in de Sergei-Laura tot aan zijn dood in 1516.

De heilige Hilarius, bisschop van Aquilea (Noord-Italië) met zijn diaken Tatianus en nog andere christenen. Zij werden gevangen genomen onder de vervolging van Numerianus en voor de gouverneur geleid. Deze vroeg Hilarius zijn naam. De bisschop antwoordde: ‘Mijn naam is Hilarius, ik ben de bisschop van de hier wonende christenen.’ De gouverneur zei hierop: ‘Er is een bevel dat iedereen moet offeren aan de onsterfelijke goden.’ Hilarius antwoordde: ‘Van kind af heb ik geleerd om te offeren aan de levende God, en om Jezus Christus te aanbidden met een zuiver hart. Ik kan geen demonen aanbidden.’ De gouverneur zei daarop: ‘Die Christus die ge zegt te aanbidden, is door de Joden gekruisigd.’ Hilarius zei: ‘Zo ge de kracht kende van Zijn kruis dan zoudt ge de dwaling van de afgoderij afzweren en Hem aanbidden Die de wonden kan genezen van uw ziel.’ Ongeduldig riep de gouverneur: ‘Doe wat ik zeg of ik laat je de tong afsnijden!’ ‘Heer’‚ antwoordde de bisschop, ‘doe het in plaats van ermee te dreigen.’
De gouverneur liet hem naar de tempel van Herkules brengen en met roeden slaan. En toen hij bleef weigeren liet hij hem de rug verbranden met gloeiende kolen, de rauwe wonden nog verder openschuren om die te bijten met zout en azijn. Zo werd hij terug in de gevangenis geworpen. Ook de diaken Tatianus werd voor de gouverneur gebracht, mishandeld, en bij zijn bisschop in de gevangenis gebracht, waar zij samen de lof zongen van de God van hemel en aarde. En terwijl zij zo baden, geschiedde er een aardbeving die de tempel van Herkules deed instorten. De volgende morgen werden zij met het zwaard gedood samen met Felix, Largus en Dionysius die eveneens als christenen gevangen waren, in 285.

De heilige Finian de melaatse, uit de koninklijke familie van Munster, was een leerling van de heilige Brendaan. Hij werd getroffen door melaatsheid maar wist toch drie kloosters te stichten. ln dat van Clain-more Madoc is hij gestorven op de 2e februari. Zijn gedachtenis wordt echter gevierd op 16 maart.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren: Columbia, een maagd, werd ter dood gebracht in Sens, onder Aurelius; Alexander, paus van Rome, werd op bevel van Hadrianus in een oven verbrand, rond 115; de diaken Cyriacus met Largus, Smaragdus en nog 20 anderen, die te Rome na ontzettende martelingen zijn onthoofd.

Eveneens op deze dag de heilige oudvader Johannes van Rufiane; Agapitus, bisschop van Ravenna; en Patricius, bisschop van Clermont.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.