vorige dag           volgende dag

Heiligenjaar   -   17 maart

De heilige Alexios, de Mens Gods, was geboren in Rome rond 360, als zoon van een senator. Op wens van zijn ouders trouwde hij met een nicht van de keizer, maar op de dag van de bruiloft overviel hem zulk een verlangen naar het zonder enige beperking op God gerichte leven dat hij de feestelijke menigte van het huis ontvluchtte, waarschijnlijk zonder een bepaald doel. Aan de kade zag hij een schip dat op het punt stond te vertrekken; hij had juist genoeg geld bij zich om de passage te betalen en hij kwam geheel berooid in Edessa aan.
Daar leefde hij 17 jaar als bedelaar in het voorportaal van de kerk, waar hij ‘s zondags de heilige communie ontving. De aalmoezen die men hem gaf om zijn eerbiedwekkend voorkomen, deelde hij weer uit aan minder fortuinlijke armen. Men begon hemd ook gebeden te vragen en toen er een opvallende gebedsverhoring plaatsgreep, begon men met ontzag over hem te spreken en hem eer te bewijzen.
Dit was geheel tegen zijn bedoelingen en opnieuw nam hij de vlucht. Hij vond een kapitein die hem mee wilde nemen naar het niet zo ver verwijderde Tarsos, maar het schip kwam in langdurig noodweer terecht, waardoor het ver werd meegesleept over de Middellandse Zee, en tenslotte met zware averij een Italiaanse haven binnenliep, dezelfde plaats waar hij was uitgevaren.
Hij was zich er goed van bewust hoeveel leed hij bezorgd had aan zijn ouders en zijn jonge vrouw, maar hij had het als een onontkoombare plicht gezien de roepstem van Christus ogenblikkelijk te volgen, omdat hij het later misschien niet meer zou kunnen opbrengen. Hij had het voorbeeld van de apostelen, die ook hun vader en hun schip met de netten, en hun vrouw en eventuele kinderen in de steek lieten toen Christus hen vroeg met Hem mee te gaan. Dat hij nu in zijn vaderstad geland was, zag hij als een aanwijzing van God om zijn ouderlijk huis op te zoeken.
Maar daarom nam hij ook het feit dat hij na zoveel jaren niet herkend werd als een aanwijzing dat hij zijn bedelaarsleven moest voortzetten. Wel vroeg hij een plaatsje bij zijn ouderlijk huis, of misschien had de medelijdende moeder hem het hutje in de tuin als onderkomen aangeboden, toen ze hoorde dat hij geen thuis bezat. Ook hier won hij de sympathie, elke dag werd hem een maaltijd gebracht, maar die deelde hij weer uit aan anderen, en voor zichzelf hield hij slechts een minimum aan brood en wat drinkwater.
Zo leefde hij daar nog twintig jaren, en zijn aanwezigheid was waarschijnlijk toch een troost voor de twee eenzame vrouwen, zijn moeder en zijn echtgenote. En toen hij tenslotte kalm en zacht overleed, in het jaar 411, liet hij een brief na waarin hij zich bekend maakte en zijn leven beschreef. Zijn levensloop maakte grote indruk op de gewone mensen, die in een warm familieverband leven. Zij oefenden geen kritiek, maar zagen in hem zichtbaar geworden de grote kracht waarmee God iemand tot zich kan trekken, op een wijze die de natuurlijke mogelijkheden te boven gaai, en zij noemden hem daarom met een eretitel: de Man Gods.

De heilige Makarios, abt van Kaljasin. Hij was kind van een adellijke moeder en op wens van zijn ouders was hij in het huwelijk getreden. Maar nadat zowel zijn ouders als zijn echtgenote gestorven waren, trad hij in het klooster bij de stad Kasjib. Hij onderscheidde zich door zijn behulpzaamheid, hij stond altijd klaar om in te vallen of mee te helpen, ook bij het onaangenaamste werk. Hij was deemoedig en onderdanig, ook tegenover de jongste monnik. Uit de levens van de heiligen leerde hij om steeds meer vast te houden aan het gebed, aan vasten en nachtwaken.
Terwijl hij zo lange jaren in volstrekte gehoorzaamheid geleefd had, groeide er in hem een steeds sterker verlangen naar de eenzaamheid, om op de meest volstrekte wijze het gebed te kunnen beoefenen. Hij kreeg de zegen om zich terug te trekken in het woud bij de Wolga. Daar bouwde hij een kluis en nu kon hij geheel leven volgens zijn verlangens. Maar in het klooster waren nog andere monniken die dit verlangen koesterden. Zij kwamen hem opzoeken en werden daarin gesterkt, en na enige tijd voegde zich een groep van zeven broeders bij hem. Ook uit andere kloosters kwamen medebroeders en zo ontstond er een hele groep van kluizenaarscellen. Gezamenlijk bouwden zij een kerk, gewijd aan de Heilige Drie-eenheid.
Bij het uitbreiden van de gemeenschap ontstonden weer andere behoeften, het werd moeilijk om de oorspronkelijke geest vast te houden en ze besloten om gezamenlijk weer tot het gemeenschappelijke leven over te gaan. En tegen heel zijn bedoeling in werd Makarios tot abt gekozen, omdat hij nu eenmaal het meest daarvoor begiftigd was. Maar ook als abt bleef hij aan zijn strenge levenswijze vasthouden, en hij was nu nog meer een voorbeeld voor allen bij het zware lichamelijke werk dat nodig was.
De eigenaar van de naburige gronden zag hoe alles groeide en hij werd bang voor zijn positie als de enige grote heer in die streek. Hij vatte het plan op om Makarios te vermoorden, maar toen hij dit plan ten uitvoer wilde brengen, werd hij door een plotselinge felle ziekte daarin verhinderd. Omdat hij in de grond een gelovig man was, zag hij hierin de hand van God, en hij kreeg diep berouw. Hij biechtte zijn zonde aan de abt en vroeg hem vergeving. Deze sprak hem toen met zoveel begrip en liefde toe, dat de man tot een volkomen omkeer kwam. Hij werd zelf monnik en schonk al zijn bezittingen aan het klooster, dat sindsdien naar hem het Kaljasinski-klooster genoemd werd.
Ook door Makarios werd weer duidelijk hoe in deze verstorven monniken, die zo onbarmhartig waren voor hun eigen lichaam, maar die daardoor een waardige woning werden voor de Heilige Geest, een stukje paradijs op aarde terugkeerde.
Wanneer hij zijn weg zocht door het onbetreden woud, kwamen de wilde dieren naar hem toe, liepen met hem mee en vonden zichtbaar vreugde in zijn gezelschap. En met bewondering zagen de anderen hoe hij de barre winters door stond, wanneer zijn cel volkomen begraven was onder de sneeuw en hij slechts verwarmd werd door de gloed van zijn gebed.

Dit alles bracht het heilige leiderschap van Makarios aan het licht. Niet slechts geestelijke zwakheid, maar ook lichamelijke ziekten genazen op zijn gebed. Hij bestuurde de gemeenschap tot in de ouderdom van 81 jaar en is toen gestorven, in 1438. Hij werd begraven naast de door hem gebouwde houten kerk, en toen deze een eeuw later werd vervangen door een stenen kerk, werd bij het graafwerk voor de fundamenten zijn graf gevonden. Temidden van de muffe grondlucht die oude graven eigen is, kwam de monniken een heerlijke myrongeur tegemoet die ontsnapte uit een onvergane kist. De klokken werden, geluid, de bewoners van de streek en de monniken der omliggende kloosters, kwamen bijeen voor een Pannychide, een dodenherdenkingsdienst. Daarna werd de kist geopend en het gave lichaam en de ongerepte kleding van Makarios werden zichtbaar. Dit gebeurde op 26 mei 1521. Sindsdien wordt de gedachtenis van de heilige gevierd op zijn sterfdag, maar in het klooster wordt op 26 mei een grote processie gehouden.

De heilige Marinos was christen van geboorte. Bij een heidens feest dat op een duidelijke duivelsaanbidding uitliep, werd hij zo verontwaardigd dat hij het offeraltaar omver wierp terwijl hij riep dat een christen zoiets niet kon verdragen.
Vanzelfsprekend kwam hierop een woedende reactie van de verzamelde menigte en Marinos werd meer dood dan levend naar de streekbestuurder gesleurd. Daar moest hij nog vele kwellingen ondergaan en tenslotte werd hij onthoofd.

De heilige Paulos, een monnik op Cyprus, werd tijdens de iconenstrijd gevangen genomen en bij zijn rechtszaak voor de keuze gesteld om op een voor hem neergelegde kruisigingsicoon te trappen of de pijnbank te verduren. Toen knielde Paulos neer, kuste de icoon van zijn Meester, terwijl hij riep: ‘Moge mij dat nooit overkomen, Heer Jezus Christus, eniggeboren Zoon van God, dat ik Uw heilige afbeelding zou vertrappen!’ Hij werd toen afschuwelijk gemarteld en tenslotte levend verbrand, in 760.

De heilige Theosteriktos werd in het begin van de 8e eeuw geboren te Trigla in Klein-Azië. Nadat hij de school doorlopen had, werd hij monnik en om zijn voorbeeldig leven koos men hem tot abt. Onder Constantijn V brak een zware vervolging los omwille van de iconen, waar vooral dit klooster te Pelekitië te lijden had. Achtendertig monniken werden in een oud badhuis ingemetseld tot zij van de honger gestorven waren. Anderen werden mishandeld en verminkt en daarna in Constantinopel in de gevangenis geworpen. Het klooster werd in brand gestoken.
Toen de vervolging voorbij was, keerden de nog in leven zijnde monniken van dit klooster terug om het weer op te bouwen. Onder hen bevond zich ook de abt Theosteriktos. Van hem komt de Troostcanon van de heilige Moeder Gods. Hij is gestorven in hoge ouderdom, tegen het jaar 800.

De heilige Patrick, apostel van Ierland, werd geboren in een dorp in Groot-Brittannië dat hijzelf Bonaven Taberniae noemt, waarschijnlijk de plaats Killpatrick in Schotland. Zijn grootvader was priester, zijn vader diaken, afkomstig uit Rome, gehuwd met een Frankische vrouw, en eigenaar van een kleine bezitting. Patrick werd geboren in 387 en als jongen van 16 jaar werd hij gevangen genomen, samen met veel andere jongens, tijdens een inval door een Ierse koning die op rooftocht was. Zo werd hij in Ierland slaat van een zekere Millac. Hijzelf schrijft in zijn levensverhaal dat hij als jongen heel weinig godsdienstig was, maar dat in de ellende van de slavernij God hem de ogen opende om de wonderbare grootheid van Zijn wetten te zien. Hij had de opdracht om schapen te hoeden, en hoe slecht het weer ook was, hij stond in het donker op om de dageraad te kunnen begroeten met zijn gebeden.
Toen hij zo zes jaar had gediend, hoorde hij in zijn slaap een stem die tot hem riep: ‘Je hebt goed gevast, je zult spoedig naar je land terugkeren, er ligt een schip gereed’. Patrick schonk hieraan geloof en nam de vlucht. Inderdaad kwam hij ongehinderd, dwars door het land heen, naar de kust waar het schip zich bevond. De koopman zei eerst bars dat hij er niet aan dacht om hem mee te nemen, maar later verklaarde hij zich bereid op de betaling te wachten.
Ze gingen naar Noord-Schotland. Daar aangekomen gingen ze met hun koopwaar op weg door een totaal verwoest land. Na een maand waren hun meegebrachte levensmiddelen uitgeput en de karavaan sleepte zich voort, halfdood van de honger. De koopman riep toen: ‘Christen, jij hebt toch zulk een machtige God? Bid voor ons want we sterven van de honger.’ Patrick zei dat ze op de Heer moesten vertrouwen, en terwijl hij bad, brak een kudde varkens door het struikgewas, waarvan ze er vele konden grijpen en doden, zodat ze volop vlees hadden. Ze bleven daar twee dagen om weer op krachten te komen en trokken toen verder. Patrick was 22 jaar oud toen hij eindelijk weer thuis kwam. Hij bleef enkele jaren in zijn geboorteland, maar werd daar opnieuw gevangen genomen, nu door de Franken, maar deze gevangenschap duurde slechts twee maanden. Zijn hart trok naar Ierland waar zovelen verstrikt waren in duistere dwaalleer en hij hoorde in zijn droom hoe van daar tot hem geroepen werd. Toch vertrok hij nog niet maar hij stelde zich onder de leiding van de heilige bisschop Germanus van Auxerre, in 418. Met hem ging hij tien jaar later naar Engeland toen Germanus en Lupus geroepen waren voor de bestrijding van het Pelagianisme. Dit werd waarschijnlijk naar Rome gerapporteerd want toen daar plannen ten uitvoer werden gelegd voor de missionering van Ierland, viel de keus op Patrick, die immers jarenlang in Ierland was geweest en de taal beheerste. Patricks vrienden stelden alles in het werk om hem bij zich te houden: het was verspilling dat iemand met zoveel talenten zich zou gaan begraven onder barbaarse inboorlingen. Zij probeerden op allerlei wijzen zijn wijding te verhinderen maar het mocht niet baten.
Hij werd bisschop gewijd in zijn geboorteland en landde in 432 in Ierland. Na enkele pogingen kwam hij bij een welwillende stam en maakte hij zijn eerste bekeerlingen. Patricks krachtige en tegelijk innemende persoonlijkheid boezemde de mensen snel vertrouwen in, zelfs wanneer men eerst tegen hem in verzet gekomen was. Een opmerkelijk voorbeeld hiervan zien we bij de eerste paasviering van PatrickIin Ierland. Deze viel samen met een bijeenkomst van stamhoofden, waarbij het nieuwe lentevuur gewijd werd tijdens de eerste lente- vollemaan. Dan moesten drie dagen lang alle vuren gedoofd zijn, opdat alles ontstoken zou worden aan het nieuw gewijde vuur. In de nacht was alles donker, behalve de tent van de heilige Patrick. Verontwaardigd trokken de stamhoofden erop af, maar Patrick wist zo met hen te spreken dat sommigen zich zelfs bekeerden. Bovendien kreeg hij toestemming om ongehinderd te prediken. En terwijl hij sprak over het mysterie van de heilige Drie-eenheid, bukte hij zich en plukte de beroemde Shamrock, het klaverblad dat deze gedachte zo mooi symboliseert.
Zo stichtte hij, verspreid door het land, ettelijke kolonies van christenen, waar hij ook priesters voor aanstelde. Hij maakte daarbij gebruik van de eerbied die de simpele bevolking had voor de hogere cultuur die hij vertegenwoordigde. Hij gaf aan de hoofdlieden Europese voorwerpen als geschenk, en nam hun zonen mee met de belofte ze een betere opvoeding te geven. Hele stammen gingen soms zo over tot het christendom. Het horen over de verheven God Die het heelal geschapen heeft en Die heeft toegelaten dat Zijn enige Zoon aan eenkruis ter dood werd gebracht om ons te redden, sprak tot het hart van deze onbedorven natuurvolken, die hij voor zich gewonnen had door zijn stralende goedheid.
Onvermoeibaar trok Patrick rond tot in hoge ouderdom. In zijn laatste dagen schreef hij zijn levensverhaal. Hij had elke provincie van Ierland bezocht en het land was nu praktisch geheel christen, terwijl de kerkelijke verhoudingen in een vaste organisatie waren vervat. Hij is gestorven in de ouderdom van 78 jaar, in 465, na een ongelooflijk werkzaam leven. Uit heel Ierland stroomden de monniken en de priesters toe om hun beminde leraar de laatste eer te bewijzen, en de diensten gingen dag en nacht door, waarbij er zoveel kaarsen werden gebrand dat het leek of de zon niet onderging. De overweldigende indruk die zijn persoon maakte op ieder die met hem in aanraking kwam, blijkt uit de talloze legenden die er over hem in omloop zijn.
Hij heeft een belijdenis geschreven over zijn leven en werk, die begint met de hem typerende zin: “Ik, Patrick, ben een zondaar, onwetend en onaanzienlijk onder de gelovigen, en die daarom door velen veracht word . . . Maar Gods genade heeft in mij gewerkt, opdat door mij velen weer op God gericht en nieuw geboren zouden worden.” Zijn naam betekent: ‘de edele’. Hij heeft inderdaad het geloof naar Ierland gebracht en in één mensenleven vrijwel het gehele eiland bekeerd. En hij heeft het geloof zo diep doen wortelen dat nog eeuwen lang Ierse missionarissen over geheel Europa zijn uitgetrokken om Christus te prediken.

De heilige martelaren van Alexandrië. Keizer Theodosios had een leegstaande Bacchos-tempel toegewezen aan de christenen om daar een kerk van te maken. Dezen gingen er dus heen om alles schoon te maken en in te richten voor de eredienst. In onderaardse grotten onder het gebouw, die in de heidense tijd ontoegankelijk heetten omdat daar schrikwekkende mysteriën verborgen waren, vonden zij inderdaad afschuwelijke en tegelijk potsierlijke beelden. De patriarch zag hierin een mooie gelegenheid om het heidendom belachelijk te maken en hij liet die beelden openlijk door de stad wegbrengen, opdat het volk zou kunnen zien hoe zij zich gebogen hadden voor onzinnigheden.
Deze optocht bracht de heidenen tot een uitzinnige woede: zij grepen naar wapens, vielen de stoet aan en brachten de dragers zware verwondingen toe waaraan zij stierven. Vervolgens verschansten zij zich in de Serapis-tempel en deden van daaruit herhaalde aanvallen die nog meer slachtoffers eisten. Zij grepen christenen vast en sleepten hen naar binnen om hen te dwingen aan Serapis te offeren, of brachten hen anders onder wrede folteringen ter dood, terwijl ze de lijken in het stadsriool wierpen.
Toen de keizer hiervan op de hoogte werd gesteld, loofde hij de moed der martelaren, maar hij wilde hun moordenaars niet straffen om geen afbreuk te doen aan de glorie van hun overwinning. Wel gaf hij de opdracht om alle afgodstempels in Alexandrië met de grond gelijk te maken.
Dit edict werd voorgelezen op het plein voor de Serapis-tempel. De heidenen vluchtten eruit terwijl zij riepen dat de wereld verwoest zou worden wanneer de Serapis-beelden zouden worden aangetast, en zij trokken de stad uit om niet mee ten onder te gaan. Maar de christenen hakten de beelden aan spaanders en verbrandden ze zonder dat er iets gebeurde, zodat de meer nadenkenden zich tot het christendom wendden.
De Serapis-tempel diende ook voor de registratie van de jaarlijkse Nijl-overstroming die aan het land zijn vruchtbaarheid gaf, en het volk had het idee dat er verband tussen tempel en overstroming bestond. Maar de Nijl bleef wassen, nog overvloediger dan voorafgaande jaren, zodat ook deze vrees ongegrond bleek.
Door het afbreken van de verschillende tempels raakten nog andere gruwelen bekend van de wrede Mithra-cultus. De meeste indruk maakte een verzameling afgehouwen kinderhoofdjes met vergulde lippen. Ook werden er uitgeholde godenbeelden ten toon gesteld, van waaruit priesters orakels hadden doen horen. Deze gebeurtenissen staan vermeld in de kroniek van keizer Theodosios, en vonden plaats in het jaar 392.

De heilige Gertruda, abdis van Nijvel, dochter van Pepijn van Landen, een van de beroemde hofmeiers. Toen zij tien jaar oud was, wilde koning Dagobert haar, volgens de gewoonte van die tijd, verloven aan een van zijn jonge edelen. Haar vader wilde haar niet dwingen en daarom liet de koning haar roepen. Voor heel het hof verklaarde het kind nu dat zij niemand anders tot bruidegom wilde hebben dan Jezus Christus. De koning respecteerde dit vroegrijpe besluit en liet haar teruggaan naar haar moeder.
Toen deze weduwe werd, bouwde zij, op advies van de heilige Amandus van Maastricht, het beroemde kanunnikessen-klooster van Nijvel. Zij stelde Gertruda aan tot abdis en leefde zelf onder haar gehoorzaamheid, tot zij na 12 jaar stierf. Gertruda stelde kanunniken aan voor het beheer van de bezittingen van het huis en wijdde zichzelf geheel aan de geestelijke leiding. Daartoe bestudeerde zij de Heilige Schrift zo grondig dat zij deze vrijwel geheel uit het hoofd kende. Zij bouwde ook hospitia voor weduwen, pelgrims en wezen, die zij onder het beheer van de zusters stelde. Maar zij besteedde eveneens een vermogen om het klooster van een goede bibliotheek te voorzien, want geestelijk voedsel was minstens zo belangrijk als lichamelijke spijs.
In het klooster zorgde zij ook voor een opleiding in spinnen en weven en fijn naaldwerk, en al spoedig was de abdij beroemd om de prachtige kerkgewaden die de zusters leverden. Zelf besteedde zij een groot deel van de dag aan spinnen of weven, en de nachten bracht zij door in gebed. Op deze wijze heeft zij wel veel van haar gezondheid gevergd, zoals we zien aan haar vroege dood. Maar zou een langer leven met kleinere spankracht ook zulke resultaten hebben opgebracht?
Toen haar talentvolle nicht Wilfetrudis, die zij had opgevoed, reeds als jonge vrouw een gerijpte geestelijke persoonlijkheid bleek te zijn, maakte zij deze tot abdis om zichzelf geheel aan het ascetische leven te kunnen wijden en zij werd een echte mystica. De uitdrukking ‘Sint Geertens minne’ werd een begrip in de middeleeuwse vroomheid. Zij is gestorven op 17 maart 959, 18 jaar na de kloosterstichting, op de leeftijd van 33 jaar. Door de grote gastvrijheid van haar pelgrimshospitium is zij de patrones van de reizigers geworden. Haar gedachtenis wordt ook gevierd op 12 februari.

De heilige Agricola, bisschop van Chalons, was klein van gestalte, maar wekte eerbied op door de grootheid van zijn ziel. Hij bezat een grote welsprekendheid, gedroeg zich tegenover iedereen met liefdevolle wellevendheid en had een rijp oordeel. In zijn jeugd leefde hij bij Venantius Fortunatus, de grote hymnen-dichter, maar op 35-jarige leeftijd werd hij aangesteld tot bisschop van Chalons-sur-Saone, in 532. Dit ambt bekleedde hij bijna een halve eeuw totdat hij stierf in 580.

De heilige Withburga was een van de dochters in een oost-Engelse koningsfamilie die een hele stoet van heiligen heeft voortgebracht. Zij was voor haar veiligheid opgevoed op het platteland en was nog heel jong toen haar vader stierf op het slagveld. Zij besloot toen om verder als maagd voor Christus te leven. Op een van haar vaders landerijen in Norfolk liet zij een klein klooster bouwen, maar het was daar zo arm dat ze zelfs de metselaars die het bouwden niet meer konden bieden dan droog brood. Toen zij zich in haar gebed daarover tegen God beklaagde, kwamen er de volgende dag twee hinden uit het bos tevoorschijn die bij de beek kwamen drinken en zich gewillig lieten melken door de zusters (‘de maag- delijke handen van de zusters’, zegt het verhaal), waardoor hun armoede minder drukkend werd.
Maar al was haar leven arm en onaanzienlijk, de lieflijke geur van haar heiligheid verbreidde zich door heel de streek en het volk droeg haar op handen. En na haar dood in 743 wortelde haar verering zo diep onder de bevolking dat de boeren zelfs twee eeuwen later gewapend in opstand kwamen toen de koning haar relieken bij die van haar heilige zusters wilde laten begraven.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren: Alexander en Theodorus te Rome. Eveneens de heilige Jozef van Arimathea, die op deze dag in Jeruzalem wordt herdacht.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.