vorige dag           volgende dag

Heiligenjaar   -   20 maart

De heilige twintig monniken, waaronder Johannes, Sergios en Patrikios, van de Heilige Sabbas-Laura (tussen Jeruzalem en Bethlehem), in 797 vermoord door de Arabieren. Zestig monniken waren reeds gedood bij de inval der Perzen onder Chosroës. Nu waren het Arabische stammen die op zoek waren naar de kostbaarheden van de kerk, in het bijzonder het gouden altaargerei. De weerloze monniken werden afgeslacht of in hun grotten met vuur verstikt of gevangen genomen en gewurgd. Een groepje had zich in een kelder verborgen en de indringers staken met hun zwaarden en lansen in alle hoeken. Toen riep een van de monniken: ‘Ik geef me over’ en kwam naar buiten, zodat de overvallers meenden dat hij de enige was. Zo werden er nog een aantal gered, die verslag konden uitbrengen over wat er gebeurd was.

De heilige Eufrosynos van het Sinoserski-klooster. Hij werd geboren in Karelië in de tweede helft van de zestiende eeuw, in de buurt van het Ladogameer. Hij had veel belangstelling voor het monniksleven en bracht enige tijd door in het Walaam-klooster, zonder nog monnik te worden.
Hij verhuisde naar Novgorod en werd lector in een kerk in de omgeving. Pas toen hij een middelbare leeftijd had bereikt, ontwikkelde zich het besluit om zelf monnik te worden. Hij regelde zijn zaken en ging op pelgrimstocht, zonder iets mee te nemen behalve de kleren die hij aanhad. Zo kwam hij in het klooster van de Ontslaping der heilige Moeder Gods in Tichwin. Daar werd hij aangenomen en hij ontving als monnik de naam Eufrosynos (zijn doopnaam was Efraïm). Vol vuur gaf hij zich over aan het monastieke leven, in vasten en onthouding en gewillige gehoorzaamheid aan alle broeders, vol ijver in het werk dat hem werd opgedragen.
Maar steeds sterker groeide in hem het verlangen om op nog veel volstrektere wijze op te gaan in het gebed, ver van de mensen. In het jaar 1600 kreeg hij de zegen van de abt en hij trok naar de moerassige wouden van zijn geboorteland. In een onherbergzaam gebied vond hij een bewoonbare plaats: daar plantte hij een kruis. Hij groef een hol als onderkomen en zo begon hij zijn kluizenaarsleven. Zijn tijd was geheel vervuld met zingen en nachtwaken. Vaak bracht hij de gehele nacht door in gebed. Hij leefde van wat er groeide, bessen en paddenstoelen, en ook van een bepaald soort wit mos. Als handwerk vervaardigde hij visnetten. Hij bouwde ook een kleine kluis om de winters door te kunnen komen.
Twee jaar mocht hi van deze volkomen eenzaamheid genieten, toen werd hij ontdekt door boeren die producten verzamelden in het wilde woud. Het nieuws dat er een heilige in het land was komen wonen, verspreidde zich snel en steeds meer pelgrims kwamen hem bezoeken, waarvan verschillenden niets liever wilden dan bij hem blijven en onder zijn leiding leven. Zo moest er een jaar later een groter onderkomen worden gebouwd, voor het gezamenlijk gebed. Het werd een kerk, toegewijd aan de verkondiging, een uur verder dan zijn oorspronkelijk verblijf, dat de Oude Kluis bleef heten. (...)
Het dichtstbijgelegen klooster was meer dan 60 kilometer ver, en de weg liep door drijfzand, moerassen en moeilijk begaanbare modderpoelen. Toch bezocht hen vandaar op gezette tijden een bevriende priestermonnik voor het vieren van de heilige Mysteriën. Zo leefde Eufrosynos een zevental jaren met zijn toegewijde broeders.
Het was echter een tijd van grote moeilijkheden voor het land. In de buurt van Moskou kwam de bevrijding op gang, maar dit grensgebied werd nog steeds geteisterd door invallen van gewapende benden uit Polen, die op rooftocht waren. De boeren namen bij het naderen van de benden de vlucht en verborgen zich in de bossen, waar het klooster natuurlijk een heel welkom onderkomen verschafte. Maar toen dit in 1612 weer gebeurde, zei de heilige Eufrosynos: ‘Beste kinderen, mijn beminde broeders en zusters in Christus, laat wie aan de dood ontsnappen wil zo spoedig mogelijk het klooster verlaten, want de rechtvaardige God heeft toegestaan dat deze keer de vijanden de heilige plaats zullen binnendringen.’ Velen geloofden hem niet omdat hij zelf niet wilde vertrekken: hij had de opdracht ontvangen te sterven voor Christus. Allen die gehoor gaven aan zijn waarschuwing, bleven in leven, die in het klooster waren, werden gedood.
De vreesachtigen onder de monniken wekte hij op om te blijven en geen angst te hebben voor de dood, die immers niet in staat is ons van Christus te scheiden. Op 20 maart omsingelde een bloeddorstige roversbende het klooster en vermoordde allen die daar waren, tot de laatste man.

De heilige Wulfram, bisschop van Sens en Medemblik, was geboren in de buurt van Fontainebleau. Zijn vader was een vertrouwensman van Dagobert I en Clovis II, en hij had hun grote diensten bewezen in verschillende oorlogen. Maar al was hij geheel in beslag genomen door het kampleven, toch zorgde hij dat zijn zoon een uitstekende opvoeding ontving, en toen Wulfram een duidelijke aanleg vertoonde voor het religieuze leven, liet hij hem de priesterstudie doen.
Maar Wulfram kreeg niet de kans om ongehinderd aan zijn verlangen naar een teruggetrokken leven van studie te voldoen: in 670 werd hij opgeroepen om dienst te doen aan het hof bij Clotarius III en Dirk III, tot aan de dood van zijn vader. In diezelfde tijd raakte de zetel van Sens vacant en Wulfram werd unaniem tot opvolger gekozen. In 693 werd hij bisschop gewijd. Hij bezette deze zetel slechts twee jaar en deed toen afstand ten bate van de oorspronkelijke bisschop van Sens, die uit ballingschap terugkeerde.
Wulfram trok zich enige jaren terug in de abdij van de heilige Wandril om zich voor te bereiden voor een nieuwe taak. Hij schonk al zijn bezittingen weg om de handen geheel vrij te hebben, en in 700 zeilde hij met enige monniken uit naar West-Friesland voor missiewerk. Er was daar een fort gebouwd in Medemblik, dat dienst deed als uitgangspunt. Hij trad vrijmoedig voor koning Radboud en kreeg verlof om het Evangelie te verkondigen. Het land was nog geheel overgegeven aan de afgodendienst en er werden afschuwelijke plechtigheden gehouden.
Daarbij werden kinderen opgehangen als offer aan Wodan of in zee vastgebonden aan staken tot zij verdronken in de opkomende vloed, als offer aan de zeegodin Ran, opdat zij geen stormvloed over het land zou zenden. Deze kinderen werden door loting genomen uit de adellijke geslachten. Wulfram protesteerde hevig, maar vergeefs. Dat waren nu eenmaal de gebruiken van zijn land, zei koning Radboud.
Eens zag Wulfram hoe zulk een jongen opgehangen werd, maar hij werd er niet bij toegelaten. Twee uur later brak het touw en het lichaam viel op de grond. Wulfram boog zich erover heen, bad vurig en het kind herleefde. De jongen hechtte zich met heel ziel aan zijn levensredder, ging later met hem mee en werd monnik in de abdij van Fontenelle. Deze Jona van Fontenelle is het ook die het leven van Wulfram heeft geschreven.
Dergelijke voorvallen maakten natuurlijk een diepe indruk en langzamerhand begon het volk tot het geloof te komen en liet zich dopen. In die tijd valt ook het bekende verhaal over koning Radboud die eveneens op het punt stond zich te laten dopen maar toen terugtrok omdat hij liever bij zijn voorouders in de hel wilde zijn dan zonder hen in de hemel. Deze geschiedenis staat echter niet in de oorspronkelijke levensbeschrijving. waarschijnlijker is dat Wulfram als Frank, dus behorend tot de stam van de erfvijand, niet de meest geschikte missionaris was voor deze streek. Later zullen de Angelsaksische, dus bloedverwante zendelingen zoals Wilfried en Willibrord, meer succes behalen. Toch zal ook het voorbereidende werk van Wulfram daarin een rol hebben gespeeld.
Nadat Wulfram zo 20 jaar in Friesland had gewerkt, verlieten hem zijn krachten. Hij trok zo haastig mogelijk terug naar Fontenelle en stierf daar in vrede, te midden van zijn broeders, in 720, waarschijnlijk tegen de 80 jaar oud.

De heilige Cuthbert, bisschop van Lindisfarne, begon zijn leven als schaapherder. Later was hij lansdrager te paard. De beroemde Beda‚ zijn tijdgenoot, schrijft over hemdat hij boven alle jongens van zijn leeftijd uitstak door zijn dadendrang, zijn handigheid en stoutmoedigheid in sport en gevecht. Bij iedere wedstrijd was hij overwinnaar. Tegelijk ontwikkelde zich in hem een vroegrijpe vroomheid. ln een nachtelijk visioen zag hij hoe een wolk van engelen een stralende ziel naar bisschop leidden, en de volgende ochtend hoorde hij datdie nacht de heilige Aidan van Lindisfarne gestorven was. Dit gezicht gaf de doorslag tot zijn monastieke roeping.
Vijftien jaar oud deed hij zijn intrede in het klooster. De robuuste jongeman stortte zich met groot enthousiasme in dit geheel nieuwe leven. Ook hier ging hij de andere te boven in studie, gebed, nachtwaken en handenarbeid. En al speoedig nam hij bovendien de taak op zich om te prediken in de omliggende dorpen, waar het christelijk geloof nog zeer vervlochten was met het heidendom. Hij trok steeds verder weg in het schaars bewoonde land, waar nog geen wegen waren en dat hij te voet moest doorkruisen, hoe guur het weer ook was. Maar waar hij ook kwam, daar liep het volk te hoop, aangetrokken door zijn sterke persoonlijkheid en machtige welsprekendheid.
Die kracht ontleende hij aan de zware boetplegingen die hij zichzelf oplegde. Hij stond uren in ijskoud, zelfs bevriezend water, terwijl hij het officie zong, zoals bij verschillende Keltische heiligen gewoonte was. Zulk een geweldig bestrijden van de eigen gevallen natuur herstelde soms weer de eenheid van de gebroken natuur: er komt iets terug van het paradijs. Een leerling die hem tersluiks gevolgd was zag hoe hij na een tijd op de oever knielde en hoe twee otters zijn bevroren voeten ontdooiden. Naderhand nam zijn abt hem mee naar een gemeenschap van Keltische monniken in Ripon. Daar werd hij kellenaar en had hij zorg voor de gasten, een ambt dat hij met evenveel ijver vervulde. Reizigers die in de winter totaal uitgeput van de koude binnenkwamen, verzorgde hij als een moeder: hij waste hun voeten, warmde die in zijn handen en deed alles om voor hen aan eten te komen.
Terug in Melrose, zijn eerste klooster, werd hij tot abt gekozen, nadat de vorige in de grote pestepidemie van 664 was gestorven. Hij was ook zelf door de ziekte gegrepenen lag te bed. Hij hoorde dat de broeders heel de nacht voor hem waren blijven bidden. Hij voelde geen verbetering maar hij kon het toch niet meer uithouden en riep: ‘Wat doe ik hier in bed? Het is toch niet mogelijk dat God zijn oren zou sluiten voor zulke mannen?’ En hij stond op en sleepte zich voort, leunend op zijn staf. Toch was hij hierna zeer verzwakt.
Nog geen dertig jaar oud werd hij tot een nieuwe taak gekozen. De door Rome gezonden bisschop Wilfrid had grote onrust veroorzaakt door zijn bars optreden tegen de Keltische gebruiken en vooral de monniken waren tegen hem in oppositie gegaan. Toch had de synode van Whitby beslist dat er veranderingen moesten komen. Cuthbert werd overgeplaatst naar het in het kerkelijk centrum gelegen klooster van Lindisfarne. De beminnelijke en energieke Cuthbert was de juiste persoon om een verzoenende rol te vervullen. Geduldig discussieerde hij dagelijks in het kapittel met de behoudende monniken en weerlegde hun bezwaren. Hij verdroeg zo lang mogelijk hun boze opmerkingen en wanneer het al te erg werd, hief hij vriendelijk de zitting op om de volgende morgen weer rustig verder te gaan. Maar wanneer een regel eenmaal was vastgesteld, dan moest die ook gehouden worden.
Twaalf jaar werkte hij zo in de abdij van Lindisfarne, vierde met grote stiptheid alle diensten en was ‘s nachts zo verzonken in vurig gebed dat hij meestal niet tot slapen kwam. En buiten het klooster bleef hij met dezelfde ijver voor het geestelijk en lichamelijk heil van het volk zorgen. En dit volk beantwoordde deze liefde met een steeds groeiende genegenheid. In steeds grotere aantallen kwamen ze naar hem toe om te biechten en dikwijls nam hij zelf de boete op zich van hen wier zonden hij kon vergeven.
Steeds sterker werd echter in hem de drang naar de totale toewijding aan God, en tegen zijn veertigste jaar trok hij naar een dor en verlaten eiland, dat door demonen bezeten was, om daar als kluizenaar te leven. Hij holde een cel uit in de basaltrots,vanwaar hij alleen nog maar de hemel kon zien, en een scherm van ossenhuid bij de opening diende om de wind wat te breken in deze gure streek. Voor zijn voeding had hij een klein veldje gerst, en de kustbewoners rapporteerden vol verbazing dat hij dan wel door de engelen gevoed moest worden.
Ook hier kwamen weer die paradijselijke verhoudingen aan de dag, de legenden over de heilige Cuthbert verhalen steeds weer over zijn omgang met de dieren. Er is op dat eiland een vogelsoort die nergens anders voorkomt, en die de naam ‘Sint Cuthberts-vogel’ draagt. Dit geldt ook voor een klein soort schelpen dat nergens anders te vinden is.
Maar het zoeken van eenzaamheid betekende voor Cuthbert geen zich terugtrekken van broederlijke zorgen. Hij bleef steeds meer bezoekers ontvangen, zowel de broeders van zijn eigen abdij van Lindisfarne als de velen die hem kwamen raadplegen over het heil van hun ziel, of om getroost te worden over wat zij moesten verduren in dit leven. Deze kwamen tot uit de verste streken van Engeland: overal was de roep doorgedrongen over deze vriend van God. Bij de landingsplaats had hij daarom een soort spreekkamer en een refter ingericht voor de ontvangst van al deze gasten. Daar at hij met hen mee en hij zorgde voor iets extra’s bij bijzondere gelegenheden. De grote feesten kwamen de monniken bij hem vieren.
Hij was ook bezorgd dat de anderen hem te hoog zouden schatten omdat hij als kluizenaar leefde, want dat was alleen maar omdat hij liever alleen leefde: een goede cenobiet die zijn abt in alles gehoorzaamde, was veel bewonderenswaardiger.
Toen kwam de dag dat de koning met zijn raad en een groot deel van de monniken van Lindisfarne op het eiland neerstreek en Cuthbert knielend en onder tranen bad om de bisschoppelijke waardigheid te willen aanvaarden die hem door de synode van Twyford was toegekend. Na langdurig verzet stemde Cuthbert, eveneens wenend, toe. Hij kreeg nog uitstel tot volgend jaar Pasen, en kon nu de laatste winter in zijn geliefde eenzaamheid doorbrengen.
Na zijn wijding verkreeg hij het bisdom Lindisfarne, de plaats waar hij zo lang had geleefd. Hij veranderde niet veel aan zijn monastieke en eremieten-Ieefwijze maar hij nam daarbij het oude apostolische werk weer op. Hij trok door zijn uitgestrekte diocees, waar overal waar hij kwam het volk zich verzamelde om hem wederliefde te bewijzen op de genegenheid die zo rijkelijk van hem uitstroomde. Hij ging inderdaad weldoende rond met aalmoezen, kleding, vurige prediking en de gave van wonderbare genezingen. Hij bezocht de meest afgelegen gehuchten en vergeten uithoeken van het land, hoe steil de wegen ook waren, en sliep in een tent of in een hut van bijeengeraapte takken.
Bijzonder hartelijk was zijn verhouding met de monialen, zowel met hen die in de kloosters leefden als met hen die in kleine groepjes thuis een godsdienstig leven leidden. Hij zocht hen voortdurend op, en ook zijn oude voedster die hem als kind verzorgd had toen hij wees werd, en die hij nu ‘moeder’ noemde, bezocht hij op elke reis die daartoe maar enigszins de gelegenheid bood. Allerlei kleine details die verhaald worden over zijn omgang met de meest verschillende mensen, schetsen tezamen een lieflijk en aantrekkelijk beeld van deze uiterst beminnelijke heilige, die voor zichzelf zo rigoureus streng leefde, een beeld dat nog lichtender wordt door de donkere achtergrond van een tijd van ruwe zeden en barbaarse gevechten tussen de verschillende stammen.
Ook de genegenheid die naar hem uitging, tekent zich af in deze verhalen, hoe hij zwak wordt op het einde van zijn leven maar toch zijn dierbaren bezoekt, terwijl hij haast geen eten meer naar binnen kan krijgen, en hoe soms het mes uit zijn bevende handen valt. De robuuste kracht van zijn jeugd was volkomen verdwenen. Slechts twee jaren in het bisschopsambt hadden al zijn krachten verteerd. In 686 vierde hij zijn laatste kerstfeest met zijn monniken; daarna deed hij afstand en keerde terug naar het dierbare eiland Farne, waar hij zich nog twee maanden kon voorbereiden op zijn dood. Monniken die hem bezochten, verhaalden hoe zwak en mager hij was geworden en hoe volkomen uitgeput. Hoe ze naast hem gingen zitten op zijn stenen bed om hem te steunen en overeind te houden wanneer hij hun zijn laatste onderrichtingen gaf:
‘Weest eensgezind onder elkander. Onderhoudt goede betrekkingen met de andere dienaren van Christus. Minacht niemand die uw gastvrijheid inroept maar behandelt hen met echte vriendschap en acht hun levenswijze niet minder dan de uwe. Maar hebt geen omgang met hen die zich afscheiden van de kerk. Het is beter weg te trekken dan te blijven leven onder een ketterse heerschappij. Leert en onderhoudt de voorschriften van de vaders en de monastieke regels die God u door mijn hand gegeven heeft. Velen hebben op mij neergezien tijdens mijn leven, maar na mijn dood zal blijken dat wat ik leerde niet verachtelijk was.’
Dit was het laatste dat hij kon uitbrengen. In stilte ontving hij de heilige Mysteriën en op het nachtelijk uur van de Metten hief hij ogen en handen ten hemel, en zo stierf hij, slechts 50 jaar oud, in 687.

De heilige Martinus van Duma, bisschop van Braga (Portugal). Hij was afkomstig uit Pannonië (Hongarije) maar studeerde in Frankrijk. Gregorius van Tours noemt hem een van de grootste geleerden van zijn tijd (6e eeuw). Na een bedevaart naar Palestina, waar hij de heilige plaatsen bezocht, ging hij prediken in Galicië, het grensgebied van Frankrijk, Spanje en Portugal. Nadat hij de koning van melaatsheid had genezen door de voorbede van de heilige Martinus van Tours, vond hij een open oor bij het volk, dat hij vanuit het arianisme tot de orthodoxie terugvoerde. In 560 bouwde hij daar verschillende kloosters, met als centrale vestiging Duma, waar hij de leiding had. Uit respect voor zijn heilig leven werd hem de bisschoppelijke waardigheid toegekend, en later werd hem de zetel van Braga toevertrouwd, de hoofdstad van Galicië. Hij oefende een grote invloed ten goede uit, en na een gezegende levenstijd is hij ontslapen in 580.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren: Niketas de Belijder, bisschop van Apollonia in Bithynië, om de iconenverering in ballingschap gestorven, 9e eeuw; de maagden Alexandra, Klaudia, Eufrasia, Matrona, Juliana, Eufemia en Theodosia, die hun lijden hebben ondergaan in Aminsa in 310; en Myron van Kreta, door de Turken ter dood gebracht in 1793.

Eveneens op deze dag de heilige Urbicus, bisschop van Metz, 450; Remigius, bisschop van Straatsburg, 783; en Benignus, abt van Flay-et-Fontenelle, 723.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.