vorige dag           volgende dag

Heiligenjaar   -   21 maart

De heilige Jakobos de Belijder was een bisschop die door Konstantinos Kopronymos in ballingschap was gezonden wegens de iconenverering, en die daar ook gestorven is.

De heilige Thomas werd in 585 diaken van de heilige patriarch van Constantinopel, Johannes de vaster‚ en belast met het beheer van de goederen van de Grote kerk. Hierbij kwamen zijn bestuurstalenten scherp aan het licht, terwijl tegelijkertijd zijn heilige levenswijze een diepe indruk maakte. Toen keizer Fokas zocht naar een volkomen integere persoon voor de patriarchaatszetel‚ viel zijn keus op deze Thomas, en in 607 werd hij tot patriarch verheven. Onder zijn patriarchaat heerste rust op deze moeilijke post, en hij is in vrede ontslapen in het jaar 610, nadat hij de kerk drie jaar had bestuurd.
Hij wordt getypeerd door de volgende gebeurtenis. Tijdens een processie waren de draagkruisen op onverklaarbare wijze tegen elkaar gestoten en gebroken. Toen patriarch Thomas hiervan hoorde, wendde hij zich tot een in die tijd bekende monnik met profetische gaven, Theodoros Sykeotis (zie 22 april), en verzocht hem dringend te zeggen wat hiervan de betekenis was. Het antwoord was dat er tijden van ongeluk zouden aanbreken: verdeeldheid in het land, zodat christenen zouden strijden tegen christenen, en ook aanvallen van buitenaf, waarbij veel kerken verwoest zouden worden. Toen vroeg Thomas voor hem te bidden dat hij spoedig mocht sterven, opdat hij dit niet meer zou behoeven mee te maken. De heilige Theodoros weigerde aanvankelijk, maar naderhand gaf hij toe en schreef: ‘Wilt ge dat ik bij u kom of dat we elkaar bij God weerzien?’ De patriarch liet hem antwoorden: ‘Het is voldoende dat we elkaar bij God weerzien’. En vol vreugde ontsliep hij diezelfde dag.

De heilige Kyrillos (Beryllos of Viryllos), afkomstig uit Antiochië, werd door de apostel Petros tot bisschop van Catania (Sicilië) aangesteld. Hij predikte het christendom in woord en daad, en God bevestigde zijn prediking door wonderen zodat velen tot het geloof kwamen. Op zijn gebed werd een bron, die ondrinkbaar brak water leverde, tot een rijkelijk vloeiende bron van zuiver zoetwater. Kyrillos bereikte een hoge ouderdom en stierf in vrede.

De heilige Serapion doceerde aan de beroemde catechetenschool van Alexandrië. Hij werd bisschop van Thmuïs (in de Nijldelta) nadat hij als monnik in de Egyptische woestijn had geleefd. Hij was een vriend van de heilige Antonios de Grote (die hem op zijn sterfbed zijn rasso naliet), en een grote verdediger van de heilige Athanasios, met wie hij in briefwisseling stond en die vaak zijn raad inwon. Hij heeft ook verhandelingen geschreven over psalmen en over het Manicheisme, en nam deel aan het Concilie van Sardes in 343. In 356 werd hij, met vijf andere bisschoppen, door Athanasios naar Constantinopel gezonden om de zaak van de orthodoxie bij de keizer te bepleiten. Toen de Arianen aan de macht waren onder Konstantios, werd hij verbannen tot aan zijn dood, in 365. Hij was een scherpzinnig denker met grote studiezin en het wil wel iets zeggen dat de grote Hiëronymos hem ‘Serapion, de geleerde’ noemde. Nog geen eeuw geleden is er een Sacramentarion ontdekt van zijn hand, met gebeden voor de bisschopsliturgie.

De heilige Lupicinius, abt van Condat, zocht met zijn jongere broer Romanus het kluizenaarsleven. Zij klommen rond in de rotsachtige bossen van het Jura-gebergte tot ze een geschikte plaats vonden in de woeste streek van Joux, waar zij leefden van bessen en wilde planten. Het viel hun echter steeds zwaarder om dit vol te houden en ten laatste gaven ze de moed op en daalden af naar de bewoonde vlakte. Daar zochten zij onderdak in de hut van een arme vrouw. Zij vertelden hoe zij God hadden willen dienen tussen de rotsen, maar dat ze het niet hadden kunnen volhouden. De vrouw had echter geen medelijden met hen, maar verweet hun dat zij de hand aan de ploeg hadden geslagen en nu terugkeken.
Ze voelden zich diep beschaamd en keerden naar de bergen terug. Intussen was het graan dat zij gezaaid hadden toch opgeschoten en de groenten die zij hadden uitgezet waren aan het groeien gegaan. Toen kwamen van alle kanten mannen naar hen toe die hun leven wilden delen. Zij gingen aan het werk, er werden bomen geveld en er werd gebouwd. En zie: daar was de abdij van Condat. Het aantal der monniken nam steeds meer toe, er trokken hele groepen weg voor nieuwe stichtingen in Lauconne en Romainmoutier, alle onder abt Lupicinius.
In zijn levensbeschrijving staat een gebeurtenis die de sfeer tekent van deze gemeenschappen. Een van de monniken, niet tevreden met de strenge regels van het huis, had zich bijzonder toegelegd op het vasten. Hij wilde niet eten op de tijd van de maaltijd, maar at noch dronk tot de vespers gezongen waren. Dan veegde hij de kruimels bijeen die de broeders op de grond hadden laten vallen, maakte die in zijn hand wat nat met water en gebruikte dat als zijn enige voedsel. Zijn gezondheid ging zienderogen achteruit en tenslotte lag hij volledig verlamd en uitgeteerd op zijn strozak, nauwelijks in staat om adem te halen, op sterven na dood. Maar hij bleef vasthouden aan zijn eetregel. Lupicinius dacht erover na hoe hij hem kon bereiken.
Op een mooie dag in de lente kwam hij bij hem en stelde hem voor naar buiten te gaan om wat bij te komen in de zon. En omdat de ander niet kon lopen, droeg hij hem op zijn rug naar buiten, en legde hem op een paar schapevachten‚ in het gras. Hij ging naast hem liggen, zei dat hij ook zo’n pijn had in armen en benen en begon zichzelf te wrijven. ‘Wat doet me dat goed’, zei hij. ‘Kom, broeder, laat me je rug en benen masseren, dan voel je je veel beter’. En inderdaad kon de broeder zijn benen weer een beetje uitstrekken in de zon. Toen ging Lupicinius naar de keuken, weekte wat stukjes brood in wijn, deed er wat olie overheen en kwam bij de broeder terug. ‘Luister toch naar me, lieve broeder, je bent al te hard geweest voor jezelf, volg mijn raad toch eens op.’ En samen met de broeder at hij het zo toebereide brood. En hij wreef hem nog eens, zong een hymne en deed een gebed en bracht hem weer naar zijn cel.
Dit deed hij een aantal dagen achtereen en langzamerhand kon de ander op zijn arm leunend zelf naar buiten strompelen. Het ging steeds beter en hij begon licht werk in de buitenlucht voor hem te zoeken, zoals het plukken van bessen. Op den duur kreeg de monnik zijn krachten terug en hij die eerst stervend was, leefde nog vele jaren.
Toen Lupicinius oud geworden was, ging hij op reis naar Genève, waar koning Chilperic zich toen ophield, om te pleiten voor een stam uit de Jura. Deze was in slavernij gebracht door een van de Bourgondische senatoren, die als een tiran over hen heerste. De oude man, gekleed in dierenhuid, won het van de vorstelijke senator. De mensen voor wie hij gekomen was, werden in vrijheid gesteld, en Chilperic schonk hem het vruchtgebruik van een aantal landerijen, ten behoeve van het klooster. Lupicinius is gestorven rond het midden van de 5e eeuw.

De heilige Domninus en Filemon, afkomstig uit Rome, lieten zich door de vervolging niet weerhouden om vol vuur Christus te verkondigen. Zij gingen echter naar het boerenland en predikten daar, zodat zij velen bekeerden en mochten dopen. Zij werden tenslotte toch gevangen genomen, en toen zij, ondanks geselingen en mishandeling, Christus niet wilden verloochenen, werden zij onthoofd.

De heilige Serapion was afkomstig uit Sidon, maar met een woordspeling werd hij Sindoniet genoemd: nadat hij zelfs zijn kleren aan de armen had weggegeven toen hij monnik werd, bedekte hij zijn naaktheid met een laken (sindona). Hij behield slechts een Evangelieboek (in die tijd van alleen handgeschreven boeken was elk boek een kostbaar bezit), waarin hij steeds las totdat hij het uit het hoofd kende. En toen iemand hem vroeg wie hem van al zijn kleren had beroofd, antwoordde hij: ‘Dit’, en hij wees op zijn Evangelieboek. Daarna verkocht hij ook dat om de opbrengst aan de armen te kunnen geven..
Eens ging hij met zijn leerling naar de stad en liet zich door hem verkopen aan een heidense theatergroep, die in gemeenschap leefde. Hij diende hen trouw als slaaf en volbracht al hun bevelen. Overdag at hij niets, ‘s avonds nam hij wat brood en water, ‘s nachts bad hij urenlang en zegde zachtjes een van de Evangelies op. De goedhartige lieden die hij diende, kregen steeds meer respect voor hem en kwamen onder zijn bekoring. Tenslotte lieten zij zich dopen en schonken hem uit dankbaarheid de vrijheid, omdat hij hen had vrijgemaakt uit de slavernij van de zonde en de gevangenschap van de duivel. Toen maakte Serapion zich bekend als kluizenaar die niemands slaaf was, en hij gaf hun het geld dat zij voor hem betaald hadden terug. Hij was daar niet meer nodig, al wilden zij hem nog zo graag bij zich houden: hij moest ook anderen tot Christus brengen.
De Geest bracht hem eens naar Rome, waar hij hoorde spreken over een maagd, een recluse, die nooit met een man wilde spreken. Hij ging naar haar kluis en liet haar dienares zeggen dat er een abba uit Egypte gekomen was om haar te spreken. Zij vond het echter niet nodig om met een man te spreken. Serapion bleef toen bij de ingang van de kluis staan, dag en nacht. Toen zij na drie dagen nog bleef weigeren, gaf hij de boodschap dat God hem gezonden had voor haar geestelijk nut. Daarop liet ze hem binnen.
Serapion vroeg haar toen: ‘Waarom zit ge hier?’ Zij antwoordde: ‘Ik zit niet, ik ben onderweg.’ ‘Waarheen?’ ‘Ik ben onderweg naar mijn Heer.’ ‘Leeft ge of zijt ge gestorven?’ ‘Ik geloof dat ik naar het vlees gestorven ben, want het vlees gaat niet naar God.’ ‘Als ik dat moet geloven, kom dan naar buiten en doe wat ik zeg.’ ‘Ik leef hier nu al 25 jaar ingesloten, en als ik naar buiten kom, wat zullen de mensen dan zeggen?’ ‘Voelt een dode dan of de mensen hem prijzen of beledigen? Kom naar buiten om tot inzicht te komen van uw dwaling.’
Uit deze woorden begreep zij dat hij een wijs en heilig man was, en omwille van de nederigheid gehoorzaamde zij en kwam naar buiten. Toen zei Serapion: ‘Ga naakt door de stad zonder u te schamen, dan weet ge of ge werkelijk aan de wereld gestorven zijt.’ Toen begreep ze dat zij te hoog van zichzelf had gedacht, en zij keerde in haar kluis terug met groter deemoed, terwijl Serapion terugkeerde naar de woestijn.
Over zichzelf vertelde hij: ‘Toen ik jong was en onder gehoorzaamheid stond van abba Theodoros, viel het vasten mij zo zwaar dat ik brood van tafel stal om het ‘s nachts heimelijk op te eten. Maar dat bezorgde me zoveel wroeging dat het verdriet groter scheen dan het genot van het eten. Toch kon ik me er niet van losrukken. Eens kwamen er echter broeders die erover spraken dat men zijn geheimste gedachten aan zijn geestelijke vader moet zeggen. Het leek me of dit woord speciaal tot mij gericht was, en ik begon te wenen, wierp me op de grond en vertelde hoe ik gezondigd had. Toen zei mijn oudvader: ‘Vertrouw op God, mijn kind, want door deze deemoed heb je de demon overwonnen, en nu heeft hij geen macht meer over je. En ik voelde hoe een vlam uitging van mijn borst en sinds die dag ben ik, met Gods hulp, niet meer in die zonde gevallen.’
Zo gaf hij onderricht door woorden en daden, en overtuigde ook door wonderen die op zijn gebed geschiedden. En na een vruchtbaar leven is hij opgegaan tot Christus, naar Wie hij zozeer verlangd had, in het jaar 388, toen hij ruim 60 jaar oud was.

De heilige Serapion (Sarapion) de priester, leefde in de woestijn van Nitrië en was eveneens een vriend van de heilige Antonios. Hij had het toezicht over een grote menigte monniken, er wordt zelfs gesproken over 11000. Van hem is het woord: ‘Geloof toch niet dat ziek zijn een ongeluk is; alleen de zonde is werkelijk een ongeluk. Want ziekte kan ons slechts in het graf brengen, maar de zonde brengt ons in de eeuwige dood voorbij het graf.’
De monniken die aan zijn zorg waren toevertrouwd en die zich gevestigd hadden in de streek van Arsinoë, trokken als seizoenarbeiders door Egypte om te helpen met de graanoogst. Hun loon werd uitgekeerd in tarwe dat bij Serapion werd gebracht. Deze mat af wat strikt nodig was voor hun levensonderhoud, en zond de rest naar de behoeftige christenen in Alexandrië.

De heilige Enda (Enna)‚ abt van Aran-More, was de enige zoon van een Ierse stammenkoning. Reeds jong werd hij diens opvolger en hij leidde een leven van voortdurende gevechten, zoals de gewone toestand was in die tijd. Aan zijn zuster, een abdis, vroeg hij de hand van een der prinsessen die bij haar in het klooster werden opgevoed, en op wie hij verliefd was geraakt. Deze wilde echter liever Hem beminnen Die de abdis liefhad dan een aardse bruidegom. En spoedig daarop stierf zij.
Toen Enda haar gestorven zag, kwam er een omkeer in zijn leven. Hij luisterde naar de vermaningen van zijn zuster, werd monnik en volbracht ook werkelijk het werk van de monnik. Hij stichtte een klooster in zijn geboorteplaats maar ging zelf naar Aba in Bretagne voor zijn geestelijke vorming en daarna naar Rome voor zijn priesterstudie.
Terug in Ierland ging hij naar zijn zwager, de koning van Munster, en vroeg hem het woeste eiland Aran om daar te wonen. Hij verdeelde het in tien delen en bouwde in elk deel een klooster, ieder onder een eigen overste. Reeds spoedig scheen Aran als een licht van heiligheid, stralend over heel Europa. Daar leefden monniken op een onvruchtbare bodem, in een ruw klimaat, vastend, biddend en tenslotte stervend, generatie na generatie, vanuit de gloed van liefde welke Enda op het eiland had gebracht. Uit heel Europa kwamen Godzoekers erheen en Aran werd een land van heiligen. Bekend zijn de namen van Finnian en Columba en Brendaan, maar bijna ontelbaar zijn de velen die er in roep van heiligheid zijn gestorven. En in veel levensbeschrijvingen van Ierse missionarissen wordt verhaald met hoeveel pijn zij afscheid namen van hun geliefde eiland, hoe zij weenden en hoe hun schreden steeds langzamer werden op weg naar het schip. En temidden van deze heilige en beminnende broederschap stierf Enda in het jaar 540.

Ook nog op deze dag de heilige martelares Maria, gedood te Perge; en vele martelaren in Alexandrië, die onder Konstantios op Goede Vrijdag in de kerken zijn omgebracht.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.