vorige dag           volgende dag

Heiligenjaar   -   17 april

De heilige Simeon, bisschop van Ktesifon in Perzië, was de zoon van een voller. De vorige bisschop van Ktesifon, Papas, had hem opgeleid en in 316 tot zijn hulpbisschop gemaakt. In 325 zond hij een priester als zijn vertegenwoordiger naar het Concilie van Nicea omdat hij zelf het land niet kon verlaten. In 344 werd hij bij koning Sapor aangeklaagd als vriend van de doodsvijanden der Perzen, de Romeinen, en ervan beschuldigd een geheime briefwisseling met hen te onderhouden. Dit deed de woede van Sapor ontvlammen tegen alle christenen in zijn rijk en hij beval alle christenpriesters ter dood te brengen. Zwaar geboeid werd Simeon voor hem gebracht en de koning trachtte hem over te halen de zon te aanbidden. Toen Simeon weigerde werd hij samen met meer dan 100 christenen onthoofd. Onder hen bevonden zich de priester Abdella, de opzichter Foesik, diens dochter Askitrea‚ de eunuch Azades, verder Usthatsan, die eerst uit angst geofferd had maar zich opnieuw als christen had gemeld, de priester Ananias, metgezel van bisschop Simeon, en nog vele anderen.
Toen de oude priester Ananias zijn hoofd op het blok legde, beefde hij over al zijn ledematen. Foesik, die in het geheim christen was, sprak hem moed in en zei: “Wees toch niet zo bang, vadertje, sluit uw ogen en gedraag u als een man, u zult immers direct het goddelijk Licht mogen zien!” Daardoor werd hij als christen herkend en, samen met zijn dochter, heftig gefolterd.
Toen de geliefde eunuch van de koning, Azades, op Goede Vrijdag ter dood was gebracht, was de koning diep bedroefd en hij begon de zinloosheid van deze moordpartijen in te zien. Er kwam toen een einde aan de ergste vervolging.

De heilige Adrianos werd met geweld in de afgodstempel van Korinthe gebracht en men wilde hem dwingen het brandoffer te ontsteken. In plaats daarvan echter wierp hij het altaar omver. Toen werd hij hevig geslagen en tenslotte levend verbrand, in 251.

De heilige Zosimas abt van het Solovjetski-klooster. Hij was geboren in het dorp Tolts (gouvernement Novgorod), in het begin van de 5e eeuw. Zijn ouders waren rijk en stierven toen Zosimas nog een jonge man was. Nu kon hij zijn ideaal gaan verwezenlijken: een leven leiden als dat van de oude woestijnvaders, ver van de mensen, in een vijandige omgeving, de tijd geheel gewijd aan het stille gebed. Hij verdeelde zijn bezittingen onder de armen en trok de eindeloze bossen en toendra’s in, steeds verder naar het noorden. De Suma-rivier gaf daarbij de richting aan; misschien heeft hij ook wel daarop gevaren wanneer de gelegenheid zich voordeed. Deze rivier mondt uit in de Witte Zee, en daar trof hij een geestverwant die, door dezelfde gedachte bezield, zich hier al sinds enige tijd gevestigd had. Deze had ook de omgeving verkend, de verhalen der aldaar wonende vissers gehoord, en vertelde nu enthousiast over een onbewoond eiland dat op enkele dagreizen voor de kust gelegen was. Voor een man alleen zou het te moeilijk zijn om daar te leven, maar zouden zij met vereende kracht daar niet toe in staat zijn? Met deze heilige Germanos (Herman)(zie 30 juli) stak hij dus over en zij verkenden het eiland. Op een enigszins beschutte plaats aan de oever van een meertje begonnen zij enkele hutten te bouwen, en de bodem te bewerken om te zien of er enig voedsel wilde groeien. Het was ongelooflijk zwaar werk in een onbarmhartig klimaat, met moeras-hete, korte zomerse waarin, de lucht zich vulde met wolken muskieten, en eindeloze poolwinters. Met dit werk brachten ze de dagen door, terwijl zij ‘s nachts de diensten zongen.
Hoe ver zij ook van de wereld verwijderd waren, het gerucht van hun ascetische leven verspreidde zich snel over het Russische rijk. Het volk had een diepe belangstelling voor elke heldhaftige poging tot volkomen christelijk leven. Spoedig kwamen er anderen die in dit leven wilden delen. Het waren natuurlijk de sterkste karakters die zulk een uitdaging aandurfden: er kwam een samenleving van geestelijke reuzen tot stand. Het duurde niet lang of er werd voor de diensten een grote kerk gebouwd, gewijd aan de verheerlijking des Heren; een naam die duidelijk aangeeft door welke spiritualiteit deze monniken werden bezield.
Zosimas werd tot abt gekozen; hij nam zonder ophouden deel aan het zware werk; tot aan zijn dood in 1478. Zijn gedachtenis werd natuurlijk in zijn klooster in ere gehouden, maar de verering breidde zich steeds verder uit, en in enkele tientallen jaren werd hij gevierd in heel het bereik van de Russische kerk.
In 1917 werd het klooster gesloten en de monniken verdreven; in 1920 werd het klooster het centrum van een wreed concentratie-kamp. Dit duurde tot 1939. Later deed het dienst als marine-basis. Na het einde van het tijdperk van het communisme heeft een kleine gemeenschap van broeders het oude klooster opnieuw opgebouwd.

De heilige Akakios, bisschop van Melitene, was van kind al opgevoed door de bisschop Otrios, en werd diens opvolger. Als lector was hij de leraar geweest van de heilige Euthymios de Grote, zoals Kyrillos van Skythopolis schrijft. Om zijn geleerdheid en zijn wijsheid werd hij tot bisschop van Melitene gekozen. Hij nam deel aan het derde oecumenische concilie, waar hij met de heilige Kyrillos van Alexandrië tot de belangrijkste sprekers behoorde bij het verdedigen van de orthodoxie tegen de dwaalleer van Nestorios. Op dit concilie werd het geloof van de kerk geformuleerd dat Christus tegelijkertijd geheel en al God was en geheel en al mens, zodat de, Maagd Maria terecht de Moeder Gods kan worden genoemd. Daarna was Akakios weer een vader voor zijn gelovigen die hij bijstond in al hun noden,vaak op wonderbare wijze, want God had hem de gave verleend wonderen te verrichten. Zijn gebed riep nog juist, op tijd regen af toen een verzengende droogte de oogst dreigde te doen mislukken. Een andere keer was er een hevige aardbeving tijdens de heilige Liturgie: de koepel scheurde doormidden en was bezig in te storten. Maar Akakios weerhield het angstige volk ervan uit de kerk te vluchten en beëindigde de goddelijke dienst. Toen liet hij de mensen weggaan en nadat de laatste uit de kerk was vertrokken, stortte het gebouw in.
Hij is in vrede gestorven in het jaar 435.

De heilige Agapetos, van Griekse afkomst en paus van Rome, was door de GothenkoningTheodotos als afgezant naar Constantinopel gezonden, om keizer Justinianos (527-565) ervan te weerhouden tegen hem op te trekken. De faam van zijn heilig leven was hem vooruitgesneld, ook door de wonderen die er gedurende zijn reis op zijn gebed geschiedden. Hij werd dan ook met eerbetoon in Constantinopel ontvangen. Doch terwijl hij bezig was met de vredesopdracht, is hij aldaar gestorven in 536, na gedurende 2 jaar de kerk van Rome te hebben bestuurd.

De heilige Makarios, bisschop van Korinthe; waar hij in 1731 geboren is als lid van een beroemd geslacht Van jongsaf verlangde hij naar het monniksleven en zodra hij kans zag ontvluchtte hij de ouderlijke woning en ging naar het klooster Mega Spileon (grote grot), dat een dagreis verder in een steile bergwand gevestigd was. Zijn ouders ontdekten hem echter, haalden hem terug en lieten hem studeren.
Toen hij klaar was met zijn studie begon hij een school te organiseren voor arme jongeren. Hiermee won hij de liefde van het volk, terwijl hij hun achting won door zijn heilig leven. in 1764 kozen zij hem tot opvolger van de overleden bisschop, ofschoon hij leek was. De patriarch gaf zijn toestemming.
Vier jaar later brak echter de Russisch-Turkse oorlog uit. Veel Grieken zagen daarin een kans om zich van de gehate Turkse overheersing te bevrijden en kwamen in opstand, ook de familie van Makarios. Toen de kansen keerden, zag hij zich genoodzaakt met hen te vluchten naar het eiland Zakynthos, en vervolgens naar een klooster op Hydra. Hij werd geacht zijn eparchie in de steek te hebben gelaten, en er werd een andere bisschop voor Korinthe benoemd. Makarios kon zich nergens blijvend vestigen, en hij was altijd onderweg, van het ene klooster naar het andere, tot hij eindelijk op Chios zijn zielenrust hervond. Daar is hij ook gestorven.

De heilige Anicetus, paus van Rome van 157 tot 168. Tijdens zijn bestuur kwam de heilige Polykarpos‚ bisschop van Smyrna en leerling van de apostel Johannes naar Rome om te overleggen over de paasdatum‚ die volgens twee verschillende tradities werd gevierd; Anicetus beriep zich op de traditie van de heilige Petros, en Polykarpos op die van Johannes, en zij konden elkaar niet overtuigen. Toch gingen zij zonder een breuk uit elkaar want de band der liefde die hen verenigde was sterker dan de onenigheid die hen dreigde te verdelen. En bij de gezamenlijke Liturgieviering liet Anicetus Polykarpos vóórgaan.
Anicetus streed ook tegen de ketterij der marcionieten. Dezen beweerden dat er twee goden waren: de ene die het goede bewerkte en de andere het kwade. Tot dit kwaad rekenden zij ook de joodse Wet en het Oude Testament in tegenstelling met het goede Nieuwe Testament.

De heilige Donnan (Domnan) en zijn medebroeders. Zoals veel andere Ierse abten was hij, met zijn 52 leerlingen, er op uitgetrokken om een eenzaam eiland te zoeken, om zonder enige afleiding met God te kunnen zijn. Nadat zij op lona de heilige Columba hadden bezocht, wendden zij de steven noordwaards en zetten voet aan land op het eiland Ewe, een van de Hebriden, waar ze echter door zeerovers werden overvallen tijdens de Paasdienst. Zij werden in een schuur gedreven, die vervolgens in brand werd gestoken. De vluchtende monniken werden afgeslacht, 617. Zij werden als martelaren vereerd en Donnan bleef een populaire naam in Schotland.

De heilige Johannes III van Odzoen, patriarch van Armenië, 650-728. Hij werd monnik, in het klooster van de heilige archimandriet Theodoros, die evenals de heilige Johannes de Doper een boetekleed van dierenhuid droeg. Bij hem leerde hij het strenge ascetische leven. Naast de bijbelstudie in het Armenisch, leerde hij ook de Griekse taal, en hij werd daarom de “filosoof” of de “geleerde” genoemd.
Tijdens zijn jeugd werd Armenië door de Arabieren veroverd, die er meer dan 2 eeuwen de heersers zouden blijven. Toen Johannes in 717 tot patriarch werd gekozen, zond de Arabische stadhouder, die hem hoog schatte, een gunstig rapport over zijn bekwaamheid naar de emir. Deze nodigde daarop Johannes uit hem in Damaskos te komen bezoeken.
In vol ornaat, omringd door de bisschoppen van zijn raad, betrad de patriarch het paleis van de emir. Deze plaatste de modern klinkende opmerking hoe deze pracht te rijmen viel met het eenvoudig optreden van de profeet Jezus (lsa). Johannes antwoordde hierop dat het een symbool was van de heerlijkheid van Gods Huis, om deze zichtbaar te maken voor het volk. Maar als de emir de andere aanwezigen naar buiten liet gaan, dan zou hij hem zijn persoonlijk leven tonen. Toen ze samen alleen waren, legde Johannes zijn gewaden af en liet het kleed van geitenvellen zien, waarvan hij de ruwe haren op het blote lichaam droeg, “om me voortdurend te herinneren aan het lijden van Christus en aan mijn eigen zonden en tekortkomingen”.
De emir was zeer getroffen, en met oosterse vrijgevigheid vroeg hij hem naar zijn wensen. Op verzoek van de patriarch zouden christenen niet meer gedwongen kunnen worden de islam aan te nemen. Ook werden de zware belastingen die aan kerken en geestelijken werden opgelegd afgeschaft, want de christenen zouden volledige vrijheid van godsdienst genieten.
Johannes geleerdheid blijkt uit vele theologische werken van zijn hand. Hij bundelde de bestaande canonieke regels. Hij dichtte hymnen voor de heiligen van het Oude en Nieuwe Testament. Nadat hij 15 jaar de kerk had bestuurd, trok hij zich met enkele monniken op de berg Sothiets bij zijn geboortedorp terug. Daar is hij gestorven in 728.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren Elias, priester, en de monniken Paulus en lsidorus, te Cordova door de Arabieren vermoord; Petros, diaken, en zijn dienaar Hermogenes te Antochië; en Mappalicus met Fortunatus, Marcianus en anderen in Noord-Afrika.

Eveneens op deze dag de heilige abt Moyses; abt lsaäk van Gorina; Markos de Rijke; de monniken Patanios en Thomas; Vandon, de 12e abt van Fontenelle naar Troyes verbannen door Karel Martel en teruggeroepen door Pepijn; 756; Pantagathus, bisschop van Vienne; Innocentius‚ bisschop van Tortona; een Landry, bisschop van Metz, tegen 700.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.