vorige dag           volgende dag

Heiligenjaar   -   28 mei

De heilige Niketas‚ bisschop van Chalcedon, die zich vooral verantwoordelijk voelde voor de armen. Hij verzorgde een groot aantal wezen, weduwen en bedelaars. Hij zette zich ook in voor de verering van de ikonen, legde hun betekenis uit en bestreed de bestrijders ervan. Daarom werd hij onder Leo de Armeniër verbannen tot hij gestorven was. 9e eeuw.

De heilige Ignatios, bisschop en wonderdoener van Rostov. Hij was archimandriet van het Theofanieklooster en werd in 1262 bisschop gewijd van Rostov. ln 1274 nam hij deel aan het Concilie van Wladimir, en na 26 jaar zijn gelovigen bestuurd te hebben met grote liefde en medelijden, stierf hij in 1288.

De heilige Sofronios, een Bulgaar, was monnik in het klooster bij Rusa aan de Donau. Hij werd door zijn dienaar gedood in 1510. Twee jaar later werd zijn lichaam onbedorven teruggevonden.

De heilige nieuwe martelaar Zacharias uit Prusa, 1802. Hij was priester van een kleine parochie te Kaiambasi, en raakte verslaafd aan de wijn. ln een toestand van dronkenschap sloot hij vriendschap met enkele Turken, zei op alles ja en amen, ook toen zij hem vroegen, of hij de Islam aanvaardde. Zij zetten hem toen een tulband op en voerden hem in triomf door het dorp, tot ontzetting van zijn parochianen.
Weer tot zichzelf gekomen poogde hij zich te verontschuldigen, maar dit werd door zijn mensen niet aanvaard. Onder grote ontwenningspijn onthield hij zich nu van het drinken, en toen hij weer op krachten gekomen was, deed hij publiek schuldbelijdenis in de kerk, bekleedde zich met priestergewaden en vroeg zo een audiëntie aan bij de magistraat, om duidelijk te maken wat hij wilde zijn. Hiermee herwon hij het respect van zijn gelovigen, maar riep hij de wraak van de Turken over zich af. Zacharias werd steeds heftiger gefolterd, maar zijn beulen konden hem niet doen wankelen: hij bad alleen maar om Gods erbarmen. Tenslotte werd hij onthoofd. Zacharias was 38 jaar.

De heilige Germanus, bisschop van Parijs, de roem van de kerk van Gallië in de zesde eeuw, werd geboren in 496 maar was bijzonder onwelkom op deze wereld. Zijn moeder had abortus willen plegen, maar had alleen zichzelf schade toegebracht. Het kind werd geboren en bij de grootmoeder ondergebracht. Deze poogde het te vergiftigen om het familiebezit aan haar andere kleinkind te doen toekomen, maar ook dit mislukte.
Nu kwam hij bij een oom in huis, de heilige priester Scopilion, die wel van hem hield, en bij wie Germanus God leerde liefhebben en daarmee ook de Dienst van God. Van kind af ging hij in alle vroegte naar de kerk om het officie mee te maken, ook in de winterse koude.
Hij werd monnik in het klooster van Autun, waar hij ook de school doorlopen had. Op den duur werd hij tot abt gekozen. De faam van zijn toegewijd leven kwam koning Childebert ter ore, en deze haalde hem naar Parijs als abt van het klooster van de heilige Vincentius, dat naderhand naar hem genoemd is: Saint-Germain-des-Prés. Vier jaar later werd hij bisschop van Parijs, ondanks zijn protest. Hij bleef een uiterst eenvoudig leven leiden, sober en verstorven. De nachten bracht hij biddend door in de kerk. Overdag was zijn huis omringd door een menigte ongelukkigen die zijn hulp zochten en kregen. Hij nodigde altijd een aantal armen aan zijn tafel.
Maar het effectiefst waren zijn preken. Hij wist het hart van de mensen te treffen en het aanzien van de stad veranderde. De openlijke losbandigheid verdween van de straten. Bekende zondaars deden openlijk boete. Zelfs koning Childebert, die tot dan toe een nogal wild leven had geleid, bracht een omkeer in zijn leven en zijn hofhouding. Hij stichtte kloosters en steunde Germanus in zijn werk voor de armen. En toen de bodem van schatkist in zicht kwam, maakte hij allerlei kostbaarheden te gelde, opdat de heilige zijn goede werken zou kunnen voortzetten.
Germanus was een sterke persoonlijkheid, en vol moed trad hij op tegen de gewelddadigheden en de losbandigheid van de adel en de koning. Men had ontzag voor hem, en zo kon hij vaak hulp bieden waar onrecht geschiedde. In 557 hield hij een Concilie in Parijs, en Germanus stelde zelf de meeste canons op die daar werden aangenomen. Zo wist hij een einde te maken aan allerlei min of meer heidense gebruiken, die nog algemeen in omloop waren. De laatste afgodsbeelden werden opgeruimd. De bacchanalen die zon- en feestdagen ontheiligden, werden verboden. En door zijn meeslepende welsprekendheid wist Germanus deze soberder levensstijl door de mensen van harte te doen aanvaarden. Zo heeft hij doorgewerkt tot in zijn tachtigste jaar. Toen is Germanus gestorven, 28 mei 576. Hij werd begraven in het klooster Saint-Germain-des-Prés.

De heilige Theodoulos de Styliet. Hij was ten tijde van keizer Theodosios de Grote prefect van Konstantinopel, en hij was godvrezend met zijn gezin. Toen las hij eens in het Boek der Wijsheid hoe koning Salomo alles waar het hart naar uitging bezag als ijdelheid en kwelling des geestes‚ en hij voelde dat dit dezelfde taal was als van zijn hart. En hij werd bevangen door een onoverwinnelijk verlangen om te leven voor God alleen.
Hij sprak erover met zijn vrouw, met wie hij sinds twee jaar gehuwd was. Zij weende van smart en riep dat zij hem toch in elk opzicht trouw was geweest en dat de Apostel toch nooit gezegd had dat men zijn eigen vrouw voor altijd in de steek moest laten. Maar hij diende toch zijn ontslag in bij de keizer.
Toen hij bij haar terugkwam, klampte zij zich aan hem vast en smeekte hem haar niet te verlaten. En zij stelde hem voor dan maar als broer en zus verder te leven, elk in een eigen kamer, met simpele kleding en onverzorgd voedsel. Al zag zij daar nog zo tegen op, ze zou dat liever verdragen dan helemaal van hem gescheiden te worden. Zij trok haar kostbare kleding uit, wierp haar paarlencollier van zich weg, ging naar haar kamer en sloot de deur. De volgende morgen was zij gestorven.
Theodoulos verliet Konstantinopel, zwierf rond, en vond ten leste bij Edessa een zuil die hij beklom. Daar vastte en waakte hij‚ en bad, zomer en winter, dag en nacht, acht en veertig jaren lang. Toen kwam de gedachte bij hem op dat hij toch wel volmaakt moest zijn, en hij bad God om hem te tonen aan wie hij toch wel gelijk zou zijn in de hemelse heerlijjkheid. Toen verscheen de Heer hem in een droom en zeide: “Kornelios de Clown”.
De oude kluizenaar was perplex en diep beschaamd, en hij voelde zich doodongelukkig. Nadat hij weer tot zichzelf gekomen was, vroeg hij om een ladder en klom moeizaam omlaag. Met behulp van een stok sleepte hij zich naar de stad en vroeg aan iedereen waar Kornelios de clown te vinden was.
Tenslotte vond hij hem temidden van een lachende menigte; hij pakte hem vast, nam hem terzijde en drong aan: “Wat voor goeds heb je gedaan om het eeuwige leven te beërven? ik heb huizen en land en een dierbare vrouw opgegeven, ik heb acht en veertig jaar doorgebracht op een zuil, blootgesteld aan de gloeiende zomer‚ zon en aan de bijtende vorst van de winternacht. lk heb niets gegeten dan een korst brood en een rauwe olijf per dag. Mijn gewrichten zijn verstijfd en mijn voeten doorwond en wanstaltig opgezwollen van het onophoudelijke staan. Ik heb gebeden, dag en nacht, honderden gebeden per dag. Wat heb jij gedaan?” “Niets” zei de ander, “ik kan in de verste verte niet vergeleken worden met u”. Maar Theodoulos bleef maar aandringen: “Er moet iets geweest zijn, denk toch na, wat heb je ooit voor goeds gedaan”.
Toen bloosde de clown en zei: “lk kan me slechts een kleinigheid herinneren, niet de moeite om erover te praten. Ik ontmoette eens een jonge vrouw, bij wie ik thuis wel eens had moeten spelen. Haar man was in moeilijkheden geraakt en zijn schuldeiser had hem in de gevangenis doen zetten. Nu moest zij bedelen om haar man en zichzelf in leven te houden. En omdat zij een knappe jonge vrouw was, leefde zij in voortdurende angst in slechte handen te vallen. Ik had medelijden met haar en vroeg hoe hoog de schuld was. Vierhonderd zilverstukken. lk haastte me naar huis en keek mijn geldkistje na: tweehonderd dertig muntstukken. Dan de gouden sieraden van mijn overleden vrouw. Die waren misschien zeventig waard: nog lang niet genoeg. Maar ik had nog kostbare zijden gewaden voor wanneer ik in het theater moest optreden. Die bracht ik naar de jonge vrouw om haar man los te kopen, en ik rende weg. Dat is het enige goed dat ik ooit gedaan heb”.
Toen zag de oude man in hoe deze Kornelios zichzelf had opgeofferd voor een vreemde vrouw, aan wie hij door niets gebonden was, terwijl hij zelf zijn eigen vrouw had verworpen en haar hart gebroken had omdat hij alleen zichzelf gezocht had. Hij sloeg zich op de borst, hief de handen ten hemel en zegende de clown; en hij dankte God. En hij besteeg opnieuw zijn zuil en is daar, na enkele jaren, gestorven in 410.

De heilige Mauvieu, bisschop van Bayeux. Hij leefde met enkele vrienden in een kluizenarij op een van zijn landgoederen, en hij kwam nooit daarbuiten tenzij om ergens hulp te bieden waar nood heerste, een hulp die vaak wonderbare gebedsverhoringen met zich meebracht. Daarom werd hij in 459 tot bisschop gekozen van zijn vaderstad toen de zetel vacant werd. Nu kreeg zijn naastenliefde nog veel grotere mogelijkheden om zich te uiten, en deze mogelijkheden groeiden nog naarmate hij zijn ambt langer waarnam. Zo kreeg hij de bijnaam: “Goed-beter-best”.
Tenslotte werd hij ziek en kon geen enkel voedsel meer verdragen: hij ontving alleen de heilige Communie gedurende 47 dagen. Toen stierf hij, tegen 480.

De heilige martelaar Caraunus (Chéron) was een heidens opgevoede Romein. Bij toeval kreeg hij de Brieven van de heilige Paulos in handen, die over een wijsheid spraken die niet van deze wereld is. Hij liet zich onderrichten en werd gedoopt. Na de dood van zijn ouders werd hij opgenomen onder de geestelijkheid, maar het is niet zeker of hij een hogere wijding heeft ontvangen dan het diakonaat. Wel werd hij uitgezonden naar Gallië, waar hij doorheen trok tot hij in Chartres kwam. Door zijn onderricht versterkte hij de pas bekeerde christenen in hun geloof.
Toen hij eens in een klein gezelschap vertrok naar Parijs, zagen zij in de verte een gewapende bende op zich afkomen. Caraunus ried de anderen aan zich in veiligheid te stellen, terwijl hij zelf de rovers opwachtte. Omdat ze op hem geen geld vonden, sloegen ze hem het hoofd af en trokken verder. ‘s Avonds kwamen de anderen uit hun schuilplaats te voorschijn en begroeven zijn lichaam op een heuvel bij Chartres, die nu nog de Montagne-Sainte heet. Later werd daar een kerk gebouwd die hoog in ere stond bij het volk. Caraunus leefde in de vijfde eeuw.

De heilige Bernard van Montjoux, einde van de 10e eeuw. Hij was kanunnik van de kathedraal van Aosta en belast met het toezicht op de Alpenpassen. Hij wist een einde te maken aan de roversbenden die het voorzien hadden op de reizigers, door betere levensomstandigheden te scheppen voor de verspreid wonende bevolking. Door zijn organisatietalent kwamen ook twee permanente onderkomens tot stand op de pashoogten, die naar hem genoemd zijn als de Grote en de Kleine Sint Bernard. Hij bracht middelen bijeen waardoor ze bemand konden worden met augustijner kanunniken. Terwijl hij zo voor de reizigers zorgde, is hij zelf op zulk een reis gestorven in Novarra, in een onbekend jaar.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren Eutyches, bisschop van Melitene, verdronken, 1e eeuw; Helikonis uit Thessalonika, leed te Korinthe onder Gordianos in 244; Demetrios (Mitra), in 1794 door de Turken gedood; Crescens, Paulus en Dioscorus te Rome; monnik- martelaren te Thecué in Palestina, ten tijde van keizer Theodosios de Jongere door de Saracenen omgebracht; en Emilius, Felix, Priamus en Lucianus op Sardinië.

Eveneens op deze dag de heilige Podius, bisschop van Florence; Senator, bisschop van Milaan; en Justus, bisschop van Urgél in Noord-Oost-Spanje.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.