vorige dag           volgende dag Register

Heiligenjaar   -   15 juni

De heilige profeet Amos, de derde van de Kleine Profeten. Hij kwam uit Thekoa‚ een dorp aan de rand van de woestijn, even ten zuiden van Jeruzalem. Rond 760 voor Christus werd hij gegrepen door de Geest en hij trok naar het noorden van lsraël, waar hij zijn visioenen predikte. De handel had daar welvaart gebracht maar tegelijk veel contact met de heidense volkeren. Er was een grote verleiding om allerlei elementen van de aantrekkelijke afgodendienst te mengen in de strenge eredienst van de ware God. De grotere welvaart verscherpte ook de sociale verschillen tussen arm en rijk, waarbij zij die gebrek leden uitgebuit werden ten bate van de welgestelden. Tegen dit alles verhief de profeet zijn stem. Hij leefde en profeteerde onder Josua van Judea en Jeroboam II van lsraël, en hij stierf als martelaar toen de zoon van de priester hem met een knuppel het hoofd insloeg.

De heilige Jona, metropoliet van Moskou en Rusland. Vanaf de leeftijd van 12 jaar werd hij als monnik opgevoed. Hij was een indrukwekkende persoonlijkheid en nadat hij in 1431 tot bisschop van Rjazan was gewijd, werd hij reeds in 1433 tot metropoliet van Moskou gekozen. Elf jaar later werd die keuze bekrachtigd door een bijeenkomst van alle russische bisschoppen.
ln 1451 werd hem, tijdens de afwezigheid van de grootvorst, het bevel over de stad toevertrouwd. Toen de vijandelijke troepen de voorstad in brand hadden gestoken en het vuur door een felle storm het kremlin bedreigde, hield Jona een processie over de muur, waarna de storm plotseling ging liggen en de brand bedwongen kon worden. Jona is gestorven 31 maart 1461.

De heilige Vitus (Guido), Modestus en Crescentia. Toen Vitus, de zoon van rijke heidense ouders op Sicilië, 12 jaar werd, wilde zijn vader hem doden toen hij ontdekte dat zijn zoon christen was. Zijn oude leermeester Modestus verborg hem, samen met zijn voedster Crescentia‚ in de stad Lucania in ltalië. Zij werden daar ontdekt en in Rome gemarteld en ter dood gebracht onder Diokletiaan, ongeveer 303.
De heilige Vitus werd vooral aangeroepen om genezing van epilepsie en van de bewegingsstoornis die Sint-Vitusdans werd genoemd (chorea).

De heilige martelaar Doulas, uit Cilicië, is tijdens zijn martelgang naar Tarsos door de toegebrachte verwondingen omgekomen, in het begin van de 4e eeuw. Zijn lichaam werd in een sloot geworpen, maar een herdershond vond het en bleef daar staan huilen. Dit werd rondverteld en zo kwamen de christenen het te weten. Zij kwamen het lichaam halen om het eervol te begraven.

De heilige Hiëronymos, in 347 geboren in Stridonsk, Dalmatië. Toen hij 12 jaar oud was, werd hij naar Rome gestuurd voor zijn studie; hij was een briljant student en had een vriendschapsband met de beroemde grammaticaleraar Donatus. Met veel kosten en moeite bracht hij reeds nu een rijk voorziene bibliotheek van klassieke schrijvers bijeen.
Volgens de toenmalige gewoonte was hij nog katechumeen en mocht niet deelnemen aan de heilige Liturgie. Hij was daarom gewend om ‘s zondags, met enkele gelijkgezinde studenten, de catacomben te bezoeken, waar een dienst werd gehouden ter ere van de martelaren, waarbij hun heldhaftige moed te midden van de onmenselijke folteringen werd herdacht, en waardoorzij aangespoord werden tot een volmaakt christelijk leven. Toch liet hij zich door zijn vrienden meeslepen in gewaagde avonturen, en heel zijn leven zal hij zich blijven verwijten niet de maagdelijkheid te hebben bewaard. Hij werd gedoopt toen hij ongeveer 20 jaar was.
Voor zijn studie ging hij nu naar Trier‚waar rond de keizerlijke hofhouding ook omvangrijk intellectueel verkeer gepleegd werd. Mis schien heeft hij daar contact gehad met de verbannen Athanasios; In elk geval zal hij daar over de grote Antonios hebben gehoord, waardoor zijn streven naar volmaaktheid werd aangevuurd. Zo kwam hij naar een monastieke samenleving in Aquilea, aan de kust van de Adriatische Zee, waar hij opgenomen werd als novice, en waarmee hij levenslange vriendschapsbanden onderhield. Hij was toen ongeveer 26 jaar.
Na deze eerste kennismaking ging hij op zoek naar het echte kluizenaarsleven; hij ging met Evagrios en een vrijgelaten slaaf van Melania naar Syrië. Daar trof hen allerlei ongeluk: zijn meest vertrouwde vriend stierf, anderen vertrokken, zelf werd hijziek en werd liefdevol verpleegd door Evagrius. Om op te knappen vertrok hij naar diens landgoed, in de buurt van Antiochië.
Eerst schrok hij nog terug, maar na enige tijd vatte hij moed en ging naar de kluizenaarskolonie in de woestijn van Chalcis. Daar legde hij zichzelf de zwaarste boetplegingen op, uit berouw over de afdwalingen van zijn jeugd. Want het kenmerk van zijn persoon is wel de heftigheid waarmee hij zich op alles werpt; halfslachtigheid was voor hem onuitstaanbaar. Oude herinneringen aan het wellustige leven kwamen hem meeslepend voor de geest en slechts door een geweldige strijd, waarbij hij zich wel met keistenen op de borst sloeg, kon hij overwinnaar blijven, tot hij zich soms van de aarde verheven voelde tot in het paradijs.
Hij onderhield een levendige briefwisseling met zijn geleerde vrienden‚ waarbij Evagrios, die hem vaak vanuit Antiochië kwam bezoeken, de post verzorgde. Hij vermeide zich ook in het lezen van zijn geliefde klassieken, want zijn bibliotheek had hij bij zich! Maar nu betrapte hij zich erop dat de tekst van de Heilige Schrift hem maar als onbeschaafd en barbaars in de oren klonk, en met zijn gewone vastbeslotenheid zwoer hij nooit meer de klassieken te lezen maar zich uitsluitend te wijden aan de studie van de Heilige Schrift.
Daar gaf hij zich nu met hart en ziel aan over en hij ging weer tot de grond. Hij wilde de oorspronkelijke tekst kunnen lezen en van een van zijn medemonniken, een bekeerde Jood, kreeg hij les in chaldees en hebreeuws. Ofschoon hij zulk een bevattelijke en leergrage geest bezat, viel deze studie hem heel zwaar en hij moest heel zijn geweldige wilskracht inspannen om het vol te houden. Zijn hebreeuws is hij steeds blijven vervolmaken en later in Bethlehem besteedde hij veel geld om een goede joodse leraar te krijgen die hem de fijnere nuances van de grondtekst kon leren begrijpen.
Het verblijf in de woestijn, waar hij zo gehecht aan was geraakt, werd echter steeds meer vergald door de ariaanse twisten. ln Syrië was een volledige kerkscheuring tot stand gekomen tussen een orthodoxe en een ariaanse patriarch, waardoor het gehele kerkelijk leven in de grootste verwarring raakte en ook onder monniken heftige partijschappen ontston- den. Walgend van de theologische twisten en intriges ging Hiëronymos nu naar Antiochië, waar tenminste een geanimeerd intellectueel leven heerste. Daar werd hij, zij het onder protest, priester gewijd door de bevriende bisschop Paulinos. Daarbij stelde hij als uitdrukkelijke voorwaarde dat hij niet aan de antiocheense clerus gebonden zou zijn.
Vier jaar later ging Hiëronymos naar Konstantinopel, waar hij de geestdriftige volgeling werd van Gregorios van Nazianze, de toenmalige patriarch. Hij wierp zich hier op de griekse vaders en vertaalde een aantal boeken in het latijn. Toen Gregorios door de Arianen van zijn zetel verdreven werd, ging Hiëronymos met de bisschoppen Paulinos en Epifanios naar Rome voor het Concilie van 382. Hij was toen 35 jaar.
Om zijn kennis van het grieks, en vooral van het hebreeuws, wat in die tijd heel uitzonderlijk was, werd hij secretaris van paus Damasus, die hem vooral raadpleegde in kwesties betreffende de Heilige Schrift. De bestaande latijnse vertalingen waren niet van hoog gehalte en leverden soms zelfs tegenstrijdige teksten; er bestond zelfs geen officieel kerkelijk erkende tekst. Op dit gebied genoot Hiëronymos een groot gezag, wegens zijn grote geleerdheid en zijn onschokbare orthodoxie.
Hij begon met het herzien van het Nieuwe Testament, waarbij hij de bestaande vertalingen vergeleek met de griekse tekst, en dan telkens die vertaling uitkoos welke het dichtst bij het grieks aansloot. Hij verbeterde alleen kennelijke fouten of storende vertalingen. Vervolgens begon hij aan de herziening van de psalmen aan de hand van de Septuagint. Al dit werk, naast zijn strak volgehouden asketische levenswijze, leverde hem zoveel aanzien op dat men zelfs over hem begon te spreken als een waardige opvolger van paus Damasus. Tegelijk begon rond hem een kring van aanzienlijke vrouwen te ontstaan, die op zoek waren naar een geestelijke leidsman. De voornaamste onder hen was de schriftgeleerde weduwe Marcella, die door de heilige Athanasios de liefde en verering voor het kluizenaarsleven ontvangen had. Zij bracht een gelijkgezinde weduwe aan, de heilige Paula, die met haar dochters een grote rol zou blijven vervullen in Hiëronymos’ leven.
Nadat paus Damasus gestorven was, en zijn opvolger geen vriend van Hiëronymos bleek te zijn, kwam er veel oppositie tegen zijn persoon. Hij besloot nu om naar het Oosten terug te keren, doch ditmaal naar Palestina, ook al in verband met zijn werk aan de Heilige Schrift. Hij vertrok een half jaar later, in 385. Paula en haar dochter Eustochium en enkele andere vrouwen volgden hem niet lang daarna. Uit haar rijke bezittingen bouwde Paula in Bethlehem een mannenklooster, onder leiding van Hiëronymos, en een vrouwenklooster waar zij zelf aan het hoofd stond, en onderkomens waar arme pelgrims verzorgd werden.
Bethlehem werd nu door Hiëronymos uitgebreide werkzaamheden een soort geestelijk middelpunt van heel de toenmalige Kerk. De studie van de Heilige Schrift was de grote stimulans, Hiëronymos ging door met zijn revisie van de ltala-vertaling aan de hand van de Septuagint, en maakte nieuwe vertalingen van de proto-canonieke boeken. Op deze wijze ontstond langzamerhand de Vulgata, die de ltala verdrong. Ook vervaar- digde hij de grammaticale en andere hulpboeken voor de wetenschappe- lijke bestudering van de Bijbeltekst.
Al dit werk vond grote waardering, vooral natuurlijk in het Westen omdat het op het latijn gericht was. Zijn boeken werden reeds afgeschreven voordat hij de tijd had gekregen ze behoorlijk na te zien en te corrigeren en daarover beklaagt hij zich. Van alle kanten komen aanvragen om verklaring van moeilijke passages. In zijn verborgen leven was hij een der bekendste persoonlijkheden van de christen-wereld.
Terwijl Hiëronymos steeds een grote bewonderaar was geweest van Origenes als schriftkundige, moest hij nu steeds vaker zijn stem verheffen tegen de theologische dwalingen die in diens geschriften verkondigd werden. In de steeds fellere strijd die tegen Origenes gevoerd werd, kwamen nu allerlei persoonlijke kwesties ter sprake die de atmosfeer vergiftigden. Zijn oude vriend Rufinos werd nu zijn felle tegenstander. Allerlei pamfletten werden vervaardigd, maar het werk aan de Bijbelverta- ling ging gestaag verder. Daarbij waren ook de vrouwen ingeschakeld zodat er zich een waar wetenschapscentrum ontwikkelde.
Dit werkzame leven werd in 395 onderbroken door een inval van de Hunnen, die door de afgezette Eutropios uit wraakgierigheid in het land geroepen waren. De kloosterlingen trokken zich toen aan de kust terug, waar een schip klaar lag waarop zij in geval van nood zouden kunnen vluchten. Dit was echter slechts een voorbijgaande episode. Veel dieper sneed de dood van Paula in 404, waardoor Hiëronymos sterk aangegre- pen werd, want een nauwe band verbond hem met zijn vrienden en vriendinnen. ln 410 werd Rome ingenomen door Alarik met zijn Gothen. Daarbij vond ook Marcella de dood. Er was nu weinig tijd voor treuren want het land werd overstroomd door vluchtelingen waarvoor gezorgd moest worden. In die jaren was ook Pelagios in het land, en zijn aanhangers gingen in hun woede tegen Hiëronymos zo ver dat ze beide kloosters in brand staken, waarbij de bewoners slechts ternauwernood aan de dood omkwamen.
Maar toen in 419 zijn laatste vriendin, Eustochium, stierf, was Hiëronymos laatste levenskracht gebroken. De 30e september 430 was zijn leven ten einde, als robuuste grijsaard van 90 jaar. Hij was altijd een eenvoudige priester-monnik gebleven, maar reeds de heilige Augustinus had van hem getuigd dat, ofschoon hij als bisschop hoger was, Hiëronymos in heel veel opzichten boven hem stond.

De heilige Augustinus, bisschop van Hippo (Noord-Afrika). ln Tagaste geboren in 354, werd hij vooral opgevoed door zijn vrome moeder Monica, terwijl zijn vader zich pas veel later bekeerde. Het latijn was zijn moedertaal, grieks kende hij slecht, ook toen hij later pogingen deed die kennis uit te breiden om de kerkvaders uit het Oosten beter te kunnen verstaan. Zijn ouders behoorden tot de kleine burgerij of verarmde landadel, en daarom zetten zij alles op alles om hun zoon door een goede opvoeding een betere kans te geven. De eigen middelen waren ontoereikend, er moest een beschermheer gevonden worden; Augustinus was dus eigenlijk een beursstudent, van zijn 7e tot zijn 19e jaar.
Het lezen van Ciceros Opwekking tot de Filosofie had in hem een brandende liefde tot de wijsheid teweeggebracht, die langzamerhand heel zijn leven zou gaan tekenen, al zou het nog dertien jaar duren tot hij, met de doop, de volledige consequenties zou trekken en het monastieke leven omhelzen.
De briljante Augustinus werd rhetorica-professor in Carthago, de hoofdstad van het latijnse Afrika, en na Rome de grootste stad van het Westen. Hij moet een buitengewoon leraar geweest zijn, dat blijkt duidelijk uit de grote aanhankelijkheid van zijn studenten tegenover hem, die hem zelfs volgden, niet alleen tot in het verre noorden van ltalië, maar ook in de verschillende sporen van zijn levensweg. Zijn stadsgenoot Alypius wordt van leerling zijn vertrouwde vriend, metgezel en -mede-bisschop. Het eerste deel vanzijn leven volgt een normaal pad: Tagaste, Carthago, Rome, Milaan, de residentie, waar hij trachtte een bestuurspost te veroveren.
In Carthago kwam hij onder de invloed van de rationalistische ketterij van het Manicheïsme, dat hem jarenlang in zijn ban zou houden, tot de gebrekkige wetenschap van de leiders hem steeds meer teleurstelde. Toch bleef hij nog lang aarzelen: de strikte eisen die het christendom stelde aan de zedelijke levenswijze, vielen hem te zwaar, en hij dacht dat het voor hem onmogelijk was die te onderhouden. Eerst toen hij Ambrosius van Milaan beter leerde kennen, en vooral door het horen van het leven van de heilige Antonios, zou de definitieve beslissing komen.
De weinig beschaafde houding van zijn studenten die hem veel moeilijkheden veroorzaakten, bracht hem ertoe in ltalië zijn geluk te beproeven. Hij vestigde zich eerst in Rome en later in Milaan, waar hij uit professionele nieuwsgierigheid de diensten van de welsprekende heilige Ambrosios bezocht. Door diens preken kwam Augustinus tot een beter begrip van de Heilige Schrift en van Christus. Met zijn moeder en zijn vrienden hield hij nu een lange vakantie op een buitengoed van een van hen, in het op dertig kilometer ten noorden van Milaan gelegen Cassiciacum, om zich voor te bereiden op de doop met het Paasfeest.
Daarna verdeelde hij zijn geld onder de armen en begon met enkele vrienden het monniksleven.
Monica die hem gevolgd was, had de diepe vreugde de bekering van haar zoon mee te maken. Ze wilde graag in haar oude omgeving in Afrika begraven worden en daarom vertrokken ze naar hun vaderland. Maar in de italiaanse haven Ostia werd zij ziek en zij stierf.
Augustinus keerde nu met zoon en vriend alleen terug en stichtte een monastieke gemeenschap in Tagaste, in 388. Slechts drie jaar duurde dit rustige ingekeerde leven, dat hij eigenlijk voor altijd had willen leiden. In 391 kwam hij in Hippo Regius (het huidige Bône), de tweede stad van Afrika na Carthago, waar een oude bisschop was, Valerius. Deze was juist aan het preken dat hij als Griek maar slecht latijn sprak en dat ze iemand moesten kiezen om voor hen te preken. Zijn komst was kennelijk opgemerkt want het volk begon nu met steeds meer aandrang te roepen: Augustinus priester! Hij werd vastgegrepen en naar voren gedrongen, en ondanks zijn protesten priester gewijd.
Toen het eenmaal gebeurd was, aanvaardde Augustinus deze wijding als de wil van God en hij beproefde niet zich aan zijn verplichtingen te onttrekken door zijn liefde voor het contemplatieve leven, waarin hij voor het eerst echt gelukkig was geweest. Met hart en ziel wijdde hij zich aan zijn taak. Het was daardoor vanzelfsprekend dat hij in 395 tot bisschop werd gewijd. Hij bestuurde deze Kerk nog 35 jaar en hield daar zijn beroemde preken, voornamelijk homilieën over de Evangeliën en de Brieven van Paulos, terwijl hij tevens moest optreden tegen de verschillende ketters die het christendom belaagden, zoals de Donatisten, de Manicheën en de Pelagianen. Zijn taak bleef ook niet tot Hippo beperkt, daarvoor waren zijn talenten te zichtbaar en daarvoor werden ze ook te zeer op prijs gesteld. Reeds als priester werd hij naar Carthago geroepen om te preken voor de verzamelde bisschoppen, en Aurelius, de primaat, deed nog vaak een beroep op hem, zowel op zijn krachtdadig woord als op zijn geschriften. Zo was Augustinus de bezieler van heel het afrikaanse kerkelijk leven. Daarnaast was er de uitvoerige briefwisseling die hij onderhield met vele prominente figuren buiten Afrika. Zelf had hij reeds een aantal contacten gelegd maar hier is het vooral bisschop Alypius van Tagaste die door zijn gesprekken allerlei correspondenten aanbrengt, die graag de mening wilden horen van de man over wie Alypius met zoveel begeestering vertelde. Zijn invloed strekte zich uit over een groot deel van het Rijk. Maar zijn voornaamste zorg wijdde hij toch aan zijn eigen kudde, waar hij als monnik wilde verblijven. Zijn kathedraal werd een soort klooster, waar hij met zijn geestelijken in gemeenschap leefde, onder een strikte regel. Er was gezamenlijk koorgebed, een asketische levenswandel, vooral wat voedsel betreft, en persoonlijke armoede, want bij intrede moest men afstand doen van zijn bezittingen. Dit werd het voorbeeld voor de latere kanunnikenorden van de Middeleeuwen. Deze gemeenschap werd een kweekplaats van heilige priesters en bisschoppen voor de Kerk van Afrika.
En vooral was er natuurlijk het predikambt, op zon- en feestdagen, maar ook bij andere gelegenheden, soms meermaal daags, elk voor onze begrippen van een grote lengte. Er zijn meer dan vijfhonderd stenografisch opgenomen preken bewaard gebleven, zonder twijfel slechts een deel van de toespraken die hij in feite gehouden heeft.
Daarnaast de zielzorg op allerlei gebied. Belangrijk was, juist in die tijd, de sociale zorg, waarin bijna alleen door de Kerk voorzien werd, en waarin de bisschop de centrale rol vervulde. Er zijn zelfs brieven waarin hij zich bezighoudt met het kiezen van een man voor een weesmeisje. Daarmee hing samen het beheer van de goederen van de Kerk in landerijen, woningen en andere schenkingen.
Ook werd er vaak beroep op hem gedaan om rechter te zijn in allerlei kwesties en strafzaken, waarbij een onpartijdiger en humaner uitspraak van hem werd verwacht dan van de wereldlijke rechter. Zelfs ketters en heidenen deden in dit opzicht een beroep op hem over erfenis- en voogdijkwesties, eigendomsgeschillen, grensscheidingen en dergelijke. In feite werd dit zelfs het zwaarste deel van zijn taak. Na de dagelijkse viering van de heilige Liturgie ontving hij de rechtszaken met hun pleiters‚ en zo werd er vaak tot ver in de middag beslag op hem gelegd. Het is geen wonder dat hij in zijn brieven vaak klaagt over de verpletterende last van zijn bediening. Des te verwonderlijker is het dat hij naast al dit werk nog in staat is geweest een omvangrijk aantal boeken te schrijven, 113 stuks, waarvan sommigen zich afvroegen of iemand dat ooit wel allemaal zou kunnen lezen. Maar niet verwonderlijk is dat het schrijven van verschil- lende boeken zich over vele jaren uitstrekte.
Daar is zijn autobiografie, de Confessiones (Belijdenissen), die tot de wereldliteratuur behoren. Eveneens het grote werk Over De Stad Gods (De Civitate Dei), dat een grote invloed heeft uitgeoefend op het westerse denken, zelfs op politiek gebied; de boeken over de Drie-eenheid; de Doctrina Christiana; en zoveel andere.
In 414 poogt Augustinus de werkzaamheden buiten zijn diocees af te zeggen, hij is dan 60 jaar; maar de pelagiaanse kwestie roept hem toch opnieuw tot actie. In 426, wanneer hij 72 is, draagt hij het grootste deel van zijn kerkelijke functies over aan de hem toegewezen opvolger, de priester Heraclius. Hij zal dan vijf dagen van de week vrij krijgen om zich alleen met zijn eigen werk bezig te kunnen houden. Hij maakt nu boeken af, herziet verschillende werken, en maakt een catalogus op zodat ze beter bewaard kunnen blijven.
ln de ouderdom van 76 jaar is Augustinus gestorven, in 430. Doordat in zijn tijd het contact tussen Oost en West reeds verloren was gegaan door de veelvuldige oorlogen en de taalmoeilijkheden, zijn de werken van Augustinus in de tegenwoordige rest van de Orthodoxe Kerk minder bekend.

De heilige Theodoros de Sykeoot, bisschop van Anastasioupolis in Galatië. Zijn relieken zijn in de 8e of 9e eeuw naar Konstantinopel overgebracht. Vandaag wordt dit feit herdacht.

De heilige Orsiësios (Ortisios) van Tabenna, de opvolger van de heilige Pachomios de Grote als hegoumen over al diens kloosters, nadat hij tijdens Pachomios leven reeds aan het hoofd had gestaan van het Cenobitische klooster. Hij is in vrede gestorven in 380.

De heilige Gregorios en Kassianos. Gregorios was een der stichters van het klooster Awnesj aan de Suchona, waarvan hij later de hegoumen werd. Samen met de kellenaar Kassianos, een vroegere grootgrondbezitter, werd hij in 1392, bij de verwoesting van het klooster, door de Tataren vermoord.

De heilige Michaël uit Griekenland, metropolietvan Kiev en de eerste primaat van de Russisch Orthodoxe Kerk. Hij begeleidde de heilige Wladimir, nadat deze in Chersonesis was gedoopt, naar Kiev. De Kroniek noemt hem: Wijs en zachtmoedig, doch strikt wanneer het noodzakelijk was. Hij bracht het orthodox geloof in Roess en stichtte de eerste scholen. Michaël is gestorven in 992.

De heilige Efraïm, patriarch van Servië. Als zoon van een priester was hij heimelijk naar de Athos gegaan toen zijn ouders bezig waren hem uit te huwelijken. Van daar keerde hij als monnik naar Servië terug naar het Ibrovski-klooster, waar hij later tot hegoumen werd gekozen. In 1376 werd hij de volgende patriarch na de heilige Sava. Hoezeer de keuze hem ook bedroefde, Efraïm kon niet weigeren in deze tijd van grote moeilijkheden zowel voor het land als voor de Kerk.
ln 1382 kroonde hij prins Lazaros en deed toen afstand van het patriarchaat, dat hij overdroeg aan Spiridon. Maar toen deze stierf in 1388, verzocht koning Lazaros hem, weer zijn schouders onder die last van het patriarchaat te zetten. Hij leidde het Servische volk door de moeilijke tijd na de nederlaag van Kosowo. In 1400 ging Efraïm op naar zijn Heer Die hij zozeer had liefgehad; hij stierf in de ouderdom van 88 jaar.

De heilige koning Lazaros van Servie, van 1371-1389. Hij is een der grootste vorsten van Servië, en werd gekroond door patriarch Efraïm. Hij hief het land weer op uit de door de voortdurende twisten en oorlogen veroorzaakte ellende, en bevorderde het geestelijk leven door de bouw van kerken en kloosters. Lazaros raakte gewond in de slag bij Kosowo tegen de Turken, werd gevangen genomen en onthoofd in 1389. Zijn lichaam werd naar het door hem gebouwde Ravenitsa gebracht, en in 1942 naar de kathedraal in Belgrado, tot troost voor de gelovigen in de Tweede Wereldoorlog. Hij was de stichter van het russische Panteleimon- klooster op de Athos.

De heilige Doulas de Veellijdende, een monnik uit Egypte, werd ervan beschuldigd zaken uit de kerk gestolen te hebben. Hij werd van zijn monnikschap vervallen verklaard en het voorwerp van verachting en allerlei mishandelingen. Hij bleef buiten voor de poort van het klooster en verdroeg alles, zonder protest, twintig jaar lang. Toen kwam zijn onschuld aan de dag, maar ook de ziekte waaraan hij leed. Twee dagen later stierf hij in vrede.

De heilige Abraham, abt in Auvergne. Hij was afkomstig uit Boven-Syrië, aan de oever van de Eufraat. In navolging van de aartsvader Abraham verliet hij zijn geboorteland en ging op weg naar de monniken van Egypte. Onderweg werd hij echter door rovers gevangen genomen, maar na vijf jaar herwon hij de vrijheid. Hij trok nu verder naar het Westen en kwam in Auvergne, waar men een kerk aan het bouwen was ter ere van de martelaar Cirgues. Abraham hielp vol ijver bij de bouw, en kreeg zo een goede verstandhouding met de inwoners. Hij trok niet verder maar bleef daar wonen. Zijn vurig gebedsleven en zijn vriendelijke handelwijze trokken jonge mensen aan. Langzamerhand ontstond een klooster waar hij een groot aantal leerlingen had die een hoge volmaaktheid bereikten in de geboden van het Evangelie. Abraham is gestorven tegen het jaar 472.

De heilige Edburga, de kleindochter van koning Alfred, was abdis van het door Alfreds weduwe gestichte klooster te Winchester. Zij is gestorven in 960.

De heilige Landelinus, stichter van Lobbes (Laubac) en eerste abt van Crépin in Henegouwen. Hij was in 623 geboren bij Bapaume in Artois, en hij studeerde bij de heilige Audebertus, bisschop van Kamerijk. Hij koos echter de weg van het lichtzinnige leven totdat hij daaruit werd opgeschrikt door de plotselinge dood van een van zijn kameraden. In tranen vluchtte hij nu naar Audebertus die hem in een klooster plaatste om zijn zonden uit te boeten. Dit deed Landelinus met zulk een ijver dat hij na enkele jaren diaken en priester werd gewijd; hij was toen 30 jaar.
Zijn rouwmoedige gesteldheid duurde voort en hij verkreeg zegen om als kluizenaar te gaan leven aan de oever van de Samber. Er kwamen medekluizenaars die een kolonie vormden, welke de oorsprong werd van de beroemde abdij van Lobbes, met stichtingsjaar 654. Hij wilde daar echter niet het bestuur in handen nemen maar liet dit over aan zijn leerling, de heilige Ursmarus. Zelf stichtte hij op korte afstand een nieuw klooster te Aune, dat nu een Cisterciënzer-abdij is.
Opnieuw trok hij echter naar de eenzaamheid, nu in het dichte woud van Henegouwen, tussen Bergen en Valenciennes. Maar ook hier kwamen er leerlingen voor wie hij zich verantwoordelijk voelde, en zo ontstond de abdij van Crépin. Ook ging hij prediken in de arme boerendorpen in de omtrek. In 686 legde Landelinus zich neer op zakkengoed en as om te sterven.

De heilige Bernard van Menthon, aartsdiaken van Aoste in Piémont. Hij was de enige zoon van een der hooggeborenen in Savoye, maar toen zijn vader bezig was een huwelijk te arrangeren met de erfdochter van het aanpalende goed, vluchtte hij naar Aoste, naar de eerbiedwaardige Petrus Van het Val d’Isère, om geestelijke te worden.
Waarschijnlijk was hij reeds in functie als priester toen hij in 996 door de bisschop gekozen werd als zijn aartsdiaken, d.w.z. als vicaris voor het bestuur van het bisdom, want Bernard was toen reeds 73 jaar, terwijl er ook gesproken wordt over een 42-jarig predikambt. Hij leidde her- nieuwingsbewegingen in de diocesen Aoste, Sion, Genève, Tarantaise, Milaan en Novarra.
Aoste is de plaats waar twee belangrijke Alpenpassen eindigen, en hij kwam er vaak in aanraking met de nood van reizigers die daar in slecht weer terecht waren gekomen, of in handen gevallen waren van roversbenden die daar rondtrokken. Hij stichtte daarom de beroemde, met zijn naam getekende hospitia van de Grote en de Kleine Sint-Bernard, voor de opvangst en hulp aan die reizigers. Dit was vooral succesvol omdat hij door zijn prediking het ruwe bergvolk tot Christus had gebracht, en zij er nu juist een eer in stelden om behulpzaam te zijn in plaats van te roven. Velen van hen werden monnik in een van de beide hospitia.
Op een dag was onder de bezoekers, die aangetrokken werden door zijn roep van heiligheid, ook een eerbiedwaardig echtpaar, dat zijn raad kwam vragen hoe zij hun zoon konden terugvinden. Zij hadden zoveel van hem gehouden hadden en hij ging zulk een gouden toekomst tegemoet, maar op de avond van zijn huwelijk was hij verdwenen. Toen wierp de apostel van de Alpen zich om hun hals met de woorden: “lk ben uw zoon Bernard”. En vol vreugde namen zij na enkele dagen afscheid en keerden naar hun kasteel terug nu zij gezien hadden dat hun kind hoger gestegen was dan zij ooit voor hem hadden kunnen zorgen.
Bernards laatste reis was naar Rome, om de pauselijke toestemming te krijgen voor zijn bergstichting. Op de terugweg is hij gestorven te Novarra, 28 mei 1008, op de leeftijd van 85 jaar.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren Benildis te Cordova; Gratia; Leonis en haar zuster Lybe, met het twaalfjarige meisje Eutropia in Syrië; en Hesychios, de soldaat, en Julios te Dorostorum.

Eveneens op deze dag de heilige Melanus, bisschop van Viviers, 6e eeuw; Adelinus (Hadelinus), monnik in de 7e eeuw; Constantinus, bisschop van Beauvais, tegen 706; de `postelen Fortunatos, Archaicos en Stefanos; Simeon, aartsbisschop van Novgorod; Vié (Vougas), een ierse bisschop die heeft geleefd in Bretagne, 6e eeuw; en Jozef, monnik te Bethlehem.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.