vorige dag           volgende dag Register

Heiligenjaar   -   12 juli

De heilige Arsenios was een jonge leerlooier in Rzjev. Hij trad in het huwelijk met de vrouw die zijn ouders voor hem hadden gekozen, maar hij kwam tot het inzicht dat daarin toch niet zijn levensroeping lag. We weten niet hoe hij de zaak met zijn vrouw heeft geregeld, maar vijf maanden na hun trouwdag vertrok hij in 1562 naar Novgorod om een klooster te stichten en daarin monnik te worden. Daar beoefende hij zulk een strenge askese dat reeds na zeven jaren zijn sterke lichaam aan het einde van zijn krachten was. Hij liet zich toen insluiten in een cel om zich zonder enige afleiding op het sterven voor te bereiden. Het volgend jaar is hij gestorven, in 1570.

De heilige Golindoech, in de doop Maria, was de vrouw van een perzische tovenaar, een invloedrijk man. Zij had vaak nagedacht over de betekenis van het leven en had ook over Christus horen spreken. Een visioen, waarin zij de hemel en de hel mocht zien, gaf voor haar de doorslag en zij liet zich dopen. Toen zij christen geworden was, bewerkte haar man bij koning Chosroës dat zij verbannen werd naar een grensvesting van het rijk, die de veelbetekenende naam ‘Vergetelheid’ droeg. Daar bleef zij achttien jaar terwijl men vergeefs poogde haar door kwellingen en martelingen tot de verloochening van Christus te brengen. Eerst toen de kleinzoon van Chosroës aan het bewind gekomen was, werd zij bij een algemene amnestie vrijgelaten. Zij ging nu naar Jeruzalem om de heilige plaatsen te vereren en vestigde zich in Hierapolis, waar ze in hoge eer stond onder de christenen, zoals we lezen bij de heilige Evagrios. Door haar eerbiedwaardig verleden wist zij nog veel tot stand te brengen voor de verbreiding van het geloof. Zij is gestorven tegen het einde van de 6e eeuw. De bisschop van Hierapolis heeft haar levensverhaal opgetekend.

De heilige Joannes Walbert werd in 995 te Florence geboren als tweede zoon van de ridder van Gualberti. Zijn oudere broer had eens heftige ruzie met hun knecht. Deze doodde de ridder, stal het beste paard en ging op de vlucht. Joannes kon hem op het mindere paard niet inhalen, en bleef lang naar hem zoeken om zijn broer te wreken. Toen hij echter op Goede Vrijdag op weg was naar de dienst in het benedictijner-klooster, ontmoette hij hem plotseling op een holle weg, waar geen ontkomen mogelijk was. De moordenaar viel hem te voet en smeekte om genade. Joannes beloofde dat hij hem niet eigenhandig zou ombrengen, maar aan de rechter zou overleveren. De ander riep hem toen in doodsangst toe naar het klooster te gaan en te zien of God hem op deze dag van Zijn dood soms een teken zou geven.
Hierin stemde Joannes toe en samen knielden zij voor de op het kruis geschilderde Christus. Joannes bad: “Mijn Heer Jezus Christus als ik de moordenaar van mijn broeder vergeven moet, schenk mij dan een teken”. En alle aan- wezigen zagen toen hoe de schildering zich losmaakte van het hout en zich tot Joannes neigde. Toen omhelsde deze de knecht en zei: “De vrede van Jezus zij met je, lieve broeder”. En samen vroegen zij om in het klooster te worden opgenomen.
De abt, die niet alles afhankelijk wilde maken van zulk een impulsief genomen besluit, beval hem nog een jaar zijn wereldse kleding te dragen en zo zijn noviciaat te doen. Toen de geschiedenis bekend werd kwam Joannes’ vader woedend naar het klooster gestormd om Joannes terug te halen om niet allebei zijn zonen te verliezen. Maar Joannes vluchtte naar de kerk sneed zijn haren af en hulde zich in een weggegooide oude monnikspij. Daarmee had hij zijn besluit onherroepelljk gemaakt, en nadat de woede van de vader tot bedaren was gekomen toen zijn zoon alles had uitgelegd, gaf hij zijn zegen.
Joannes werd tot zulk een voorbeeldige kloosterling dat de monniken hem na de dood van de abt tot diens opvolger wilden kiezen, maar dat wilde hij niet aanvaarden. Maar onder het bestuur van een ander vond hij het leven niet strikt genoeg en hij verliet het klooster om als kluizenaar te gaan leven in het Schaduw Dal, Vallumbrosa, aan de oostzijde van Florence. Samen met twee andere eremieten die daar verblijf hielden, stichtte hij de kluizenaarsorde van de Grijze Paters, waar zo letterlijk mogelijk de Regel van de heilige Benedictus zou worden gevolgd. Spoedig kwamen anderen bij hen en zo ontstond het eerste klooster van de Vallombroso-orde, binnen korte tijd gevolgd door nog een tiental kloosters.
De zachtmoedige Joannes was heel streng voor de nieuwelingen. Ze moesten eerst een tijd lang de varkens hoeden en met blote handen de mest scheppen. Bij het doen van de gelofte moesten ze eerst drie dagen en nachten plat op de grond liggen en het Lijden van Christus overdenken. Verder mochten ze zich uitsluitend met het gebed bezighouden en geen enkel handwerk meer verrichten. Deze gestrengheid haalde hem veel vijandschap op de hals, zodat er zelfs aanslagen op zijn leven werden gepleegd. Maar hij verdroeg alles geduldig, evenals zijn vele ziekten, terwijl de roep van zijn heiligheid zich steeds meer ver- breidde. Zo is hij is hoge ouderdom gestorven.

De heilige Michaël Maleïnos (van de Maleon-berg), oom van keizer Nikeforos Fokas, was geboren in 894 in West-Kappadocië (Klein-Azië) uit een voornaam geslacht waar een diep gelovige traditie heerste. Later werd hij voor zijn opvoeding naar Konstantinopel gezonden, maar als student kwam hij tot de overtuiging dat hij zijn leven aan de dienst van Christus wilde wijden. Hij trok daarom de provincie in (Bithynië) waar hij monnik werd op de Kimenaberg. Hij vestigde zich bij een uitgedroogd meer, samen met de monnik Agapios. Spoedig ontstond er een groot klooster, en de toeloop van leerlingen was zo groot dat hij nog een klooster stichtte, op de Maleon-berg. Daar stelde zich ook de heilige Athanasios onder zijn leiding, die later de stichter zou worden van de Grote Laura op de Athos. Michaël is gestorven in 962.

De heilige Serapion, bisschop van Wladimir, afkomstig uit Zuid-Rusland, was een monnik van het Holenklooster in Kiev. Om zijn grote ernst werd hij bisschop gekozen van het in nood verkerende Wladimir, dat zwaar verdrukt was door de mongoolse overheersing. Als eens de profeet Jeremia hield hij het volk voor dat hun nood de goddelijke straf was voor hun slechte levenswijze. Hij schreef rondzendbrieven om het volk op te wekken boete te doen en zich te bekeren. Zelf gaf hij het voorbeeld van zware askese, maar dit heeft niet lang mogen duren, daar hij reeds binnen het jaar gestorven was, in 1275.

De heilige Theodoros Warlag en zijn zoon Joannes. Theodoros was een bojaar uit het oude Rusland en beiden waren reeds christen toen Wladimir nog heiden was. Deze wilde in 984, na een overwinning op het slagveld, met zijn bojaren een offer brengen aan de stamgod, en Joannes werd door het lot aangewezen om dit offer te brengen. Theodoros weigerde zijn zoon daarvoor af te staan, wat de menigte tot zulk een razernij bracht, dat beiden werden gedood. Zo werden zij de eerste martelaren voor het geloof in het russische land.

De heilige Mnason was een van de oude christenen die gastvrijheid hadden verleend aan de apostel Paulos: “Zij brachten ons (in Jeruzalem) bij een zekere Mnason van Cyprus, die reeds sinds lang een leerling was, en wiens gasten we zouden zijn” (Hand. 21: 16). Hij was een Cyprioot van geboorte, dus mogelijk bevriend met de heilige Barnabas, en door hem tot Christus gekomen. Hij was ook bij Paulos op diens laatste reis naar Jeruzalem in het jaar 60. Verder zijn er geen bijzonderheden over hem bekend.

De heilige Proklos en Hilarion volbrachten hun lijden in het begin van de 2e eeuw, onder keizer Trajanus. Zij leefden in het dorp Kaliptos, dicht bij Ankyra (in het huidige Turkije). Toen de keizer daar op bezoek was, werd Proklos gegrepen, en nadat hij bekende christen te zijn, op allerlei manieren zwaar gefolterd. Tenslotte werd hij naar het executieterrein gevoerd om met pijlen doodgeschoten te worden. Onderweg begroette hem zijn neef Hilarion. Hem werd terstond gevraagd of hij soms ook christen was. Toen hij dit bevestigde, werd hij samen met zijn oom ter dood gebracht.

De heilige Simon Wolomski was van beroep kleermaker. Hij trad in het Makarios- klooster in Pinega en nadat hij de monastieke volwassenheid had bereikt, trok hij naar het Wolomkawoud aande Kitsjmengarivier. Hij stichtte daar het klooster van het Heilig Kruis, waarvan hij de abt werd. ln 1641 werd hij door een roversbende om het leven gebracht.

De heilige Joannes de lberiër, geboren in 1002, was minister van de vorst van lberia (Georgië). Op middelbare leeftijd besloot hij monnik te worden. Eerst trad hij in een klooster van Klein-Azië, maar later ging hij naar de Athos met zijn zoon Euthymios en met zijn zwager Thornikios, een gepensioneerd generaal en schatrijk. Daar bouwden zij een klooster voor de lberiërs, dat ook nog steeds lwiron heet, ofschoon het in griekse handen is overgegaan. Joannes werd gekozen als abt van dit klooster, maar hij voelde zich verdrukt door alle lasten die zulk een ambt met zich meebrengt. Hij was van plan ver weg te gaan, naar Spanje, maar liet zich overhalen door de smeekbeden van zijn monniken om terug te komen.
Hij is toen op zijn post gebleven tot aan zijn dood en liet volgens de kroniek de herinnering na als “iemand, dierbaar aan God en alle verering waardig”.

De heilige Veronika was de naam van de vrouw die door Christus van haar bloedvloeiing was genezen, nadat zij twaalfjaar ziek was geweest. De oude kerkhistoricus Eusebios schrijft dat zij een heidense vrouw was uit Caesarea Filippi en dat zij bij de ingang van haar huis een standbeeld van Christus had opgericht, waarbij Hij Zijn hand uitstrekt naar het beeld van een smekende vrouw. Deze beelden werden later door Juliaan de Afvallige vernield. Misschien onder invloed van het beeldenverbod in de Orthodoxe Kerk werd in latere legenden gesproken over een schildering van Christus, die op wonderbare wijze tot stand gekomen zou zijn. ln de middeleeuwen kwam het verhaal op van Veronika, die als een van de wenende vrouwen op de Kruisweg haar halsdoek (zweetdoek) aan de Heer had aangeboden om Zijn gelaat af te wissen, dat bedekt was met korsten bloed, en op die doek zou toen Zijn portret zijn afgetekend. Deze doek kreeg in het Westen de naam ‘Vera lkona’, ware ikoon, en vermoedelijk is die naam overgegaan op de niet bij eigen naam bekende medelijdende vrouw.

De heilige Viventiolus, bisschop van Lyon, was opgevoed in de abdij van het Juragebergte en daar ook priester gewijd. Toen hij eens op bezoek was in Lyon werd hij tot abt gekozen van het klooster van Condat. Hier werden zijn bestuurderskwaliteiten duidelijk zichtbaar en reeds spoedig werd hij aangewezen voor de bisschopszetel van Lyon. Hij nam deel aan verschillende plaatselijke synoden waaronder dat van 517, waar hij veel invloed ten goede uitoefende door zijn geleerdheid, onpartijdigheid en kennis van zaken.

Ook viert de kerk op 12 juli een nieuwe orthodoxe heilige: Vader Països van de Heilige Berg Athos. Hij werd gecanoniseerd door de Oecumenische Patriarch tijdens de bijeenkomst van de Heilige Synode op 13 januari 2015. De heilige Paisios was reeds als een heilige erkend door de gelovigen en het was slechts een kwestie van tijd voor hij zou gecanoniseerd worden.
Arsenios Aznepidis werd geboren op 25 juli 1924 in Farasa, Cappadocië in Klein-Azië, kort voor de volkswisseling tussen Griekenland en Turkije na de Turks-Griekse oorlog van 1919 tot 1922. Hij ontving zijn naam van de heilige Arsenios van Cappadocië, die hem doopte, het kind zijn naam gaf en zijn toekomst als kloosterling voorspelde. Kort na zijn doop moesten de jonge Arsenios en zijn familie Klein-Azië verlaten als gevolg van het vredesakkoord van Lausanne. De heilige Arsenios leidde zijn volk op deze tocht van 600 km naar Griekenland. De familie Eznepidis settelde zich in Konitsa in Epirus in het noordwesten van Griekenland. Zoals hij voorspeld had, overleed de heilige Arsenios veertig dagen nadat zijn groep zich in Griekenland gevestigd had en liet hij hen als zijn spirituele erfgenaam de jonge Arsenios na. Arsenios groeide op in Konitsa en werd schrijnwerker na zijn middelbare school.
Tijdens de burgeroorlog in Griekenland na de Tweede Wereldoorlog, diende Arsenios als radio operateur. Hij was zeer bezorgd voor zijn landgenoten en hun familie, maar niet bang voor zichzelf omdat hij alleenstaande was zonder kinderen. Hij werd opgemerkt voor zijn moed, zelfopoffering en morele rechtschapenheid. Na de burgeroorlog wou hij het klooster binnetreden, maar hij moest voor zijn zusters zorgen, die nog ongehuwd waren. Tegen 1950 had hij voor de toekomst van zijn zusters gezorgd en kon hij zijn monastieke roeping volgen.
Hij kwam op de Athos Berg toe in 1950, eerst bij Vader Kyril, de toekomstige Abt van het Koutloumousiou Klooster en ging dan naar het Esphigmenou Klooster. In 1954 na vier jaar noviciaat, kreeg hij de monnik tonsuur en de naam Averkios. Hij was een gewetensvolle monnik, die het evenwicht wist te vinden tussen het volbrengen van zijn verplichtingen (wat contact met anderen inhield) en het bewaren van stilte, om te groeien in de kunst van het bidden. Hij was altijd bereid zijn broeders te helpen. Hij wou niet rusten als anderen nog aan het werk waren, ook al waren zijn eigen taken al volbracht, omdat hij zoveel van zijn broeders hield, zonder enig onderscheid. Bovenop zijn ascetische strijd en het gewone klossterleven, werd spiritueel verrijkt door het lezen van boeken die zijn ziel verheven. Hij las de levens van de heiligen en de ouderlingen, en vooral de Ascetische Homilieën van de heilige Isaak van Syrië.
Kort na zijn tonsuur verliet monnik Averkios Esphigmenou en vervoegde de broederschap van het Philotheou Klooster, waar zijn oom monnik was. Hij stelde zich onder de leiding van oudvader Symeon, die hem de kleine zalving gaf en de naam Païsios. Vader Païsios leed erg onder de gedachte dat zijn eigen spirituele tekortkomingen en gebrek aan liefde de oorzaak waren van de tekortkomingen van zijn buren en van de ziekten der wereld. Hij beschuldigde zichzelf zeer streng en strafte zichzelf om zichzelf nog meer weg te cijferen en harder te bidden voor zijn ziel en voor de hele wereld. Hij nam ook de gewoonte aan om naar “een goede reden” te zoeken voor een mogelijke schandalige gebeurtenis en de daden der mensen. Op die manier behoedde hij zichzelf ervoor over anderen te oordelen. Wanneer pelgrims naar de Athos bij hem kwamen en zeiden dat ze verrast waren door het eigenaardige gedrag en de verhalen die een bepaalde monnik had verteld en hem vroegen wat er mis was met die monnik, wees hij hen erop een ander niet te veroordelen. Hij zei dat die monnik in feite zeer vroom was en maar deed alsof hij gek was wanneer ern bezoekers kwamen om aldus de stilte te kunnen blijven bewaren.
In 1958 werd aan Vader Païsios gevraagd wat tijd door te brengen in en rond zijn eigen gemeente om de gelovigen te steunen tegen de zieltjesjagerij van de Protestante groepen. Later, in 1962, bezocht hij Sinaï, waar hij twee jaar verbleef. In die periode werd hij geliefd onder de Bedoeïenen, die spiritueel als materieel baat hadden bij zijn aanwezigheid. De oudvader gebruikte het geld dat hij ontving van zijn uit hout gesneden beeldjes om voor hen voeding te kopen.
In 1964 keerde hij terug naar de Athos en nam zijn intrek in de Skete van Iviron alvorens te verhuizen naar Katounakia de meest zuidelijke uithoek van de Athos waar hij een korte tijd in de woestijn verbleef. Zijn tanende gezondheid was waarschijnlijk voor een deel de reden van zijn vertrek uit de woestijn. In 1966 werd er een deel van zijn longen verwijderd. Het was tijdens deze hospitalisatieperiode dat zijn lange vriendschap met de zustergemeenschap van de heilige Johannes de Theoloog in Souroti, net buiten Thessaloniki, begon. Tijdens zijn operatie had hij veel bloed nodig en het was een groep novicen van het klooster dat bloed gaf om hem te redden. Vader Païsios was zeer dankbaar, en na zijn herstel, deed wat hij kon, zowel materieel als spiritueel, om hen te helpen bij de bouw van hun klooster.
In 1968 verbleef hij in het klooster van Stavronikita waar hij zowel spiritueel als materieel hielp bij de renovatie. In die tijd kwam hij in contact met oudvader Tikhon die in de Hermitage van het Heilig Kruis leefde, nabij Stavronikita. Vader Païsios bleef aan zijn zijde tot zijn overgang en diende hem onbaatzuchtig als een leerling. Het was in die periode dat de oudvader Tikhon Vader Païsios hem kleedde met het Grote Schema. In overeenstemming met de wensen van de oudvader, bleef Vader Paisios in de hermitage na zijn overlijden en woonde er tot 1979, wanneer hij naar zijn uiteindelijke woonplaats trok op de Heilige Berg, de hermitage Panagouda, die toebehoort aan het Koutloumousiou Klooster.
Het was in Panagouda dat Vader Païsios naam maakte als door God gedreven oudvader wat zieke en lijdende kinderen van God tot hem bracht. Hij ontving hen de hele dag door en wijdde de nacht aan God in gebed, waakzaam en spiritueel strijdend. Zijn regime van gebed en ascetisme gef hem slechts twee of drie uur nachtrust. De zelfverloochening waarmee hij God diende en zijn medemensen, zijn veeleisendheid voor zichzelf, de strengheid van zijn regime, en zijn gevoelige natuur maakten hem steeds meer vatbaar voor ziekte. Bovenop ademhalingsproblemen, kreeg hij later nog een ernstige hernia die zijn leven zeer pijnlijk maakte. Wanneer hij, om verschillende redenen, de Heilige Berg moest verlaten (ook vaak omwille van ziekte) ontving hij urenlang pelgrims in het vrouwenklooster te Souroti. De fysieke inspanning die dat met zich meebracht in zijn reeds verzwakte toestand bezorgde hem zoveel pijn dat hij er bleek van werd. Hij droeg zijn lijden met veel goedgunstigheid, in vertrouwen dat, aangezien God weet wat best is voor ons, het nu eenmaal zo moest zijn. Hij zei dat God erg geraakt is wanneer iemand die veel lijdt dit ondergaat zonder te klagen, maar verkiest zijn energie te gebruiken om te bidden voor anderen.
Bovenop alle andere gezondheidsproblemen had hij ook nog bloedingen waardoor hij zeer verzwakt was. In zijn laatste weken voor hij de Heilige Berg verliet, verloor hij vaak het bewustzijn. Op 5 oktober 1993, verliet hij zijn geliefde Heilige Berg voor de laatste keer. Hij van plan slechts een paar dagen weg te gaan, maar in Thessaloniki werd bij hem kanker vastgesteld die meteen behandeld moest worden. Na de operatie bleef hij enige tijd om te herstellen in het hospitaal en werd dan overgebracht naar het klooster in Souroti. Ondanks zijn kritieke toestand ontving hij nog mensen, luisterde naar hun verhaal en troostte hen.
Vader Païsios hoopte na zijn operatie terug te keren naar de Heilige Berg, maar zijn falende gezondheid liet hem dit niet toe. Zijn laatste dagen leed hij veel pijn, maar kende ook de vreugde van de martelaren. Op 11 juli ontving hij de Heilige Communie voor de laatste maal. ’s Anderendaags gaf hij zijn ziel in Gods handen. Hij werd, zoals zijn wens was, begraven in het Klooster van de Heilige Johannes de Theoloog in Souroti. Vader Païsios wist het hart van het Griekse volk te veroveren, meer dan enig andere hedendaagse oudvader. Veel van zijn boeken met raadgevingen werden uitgegeven, en het klooster te Souroti verrichtte een enorm werk door zijn geschriften en raadgevingen te organiseren en te bundelen in indrukwekkende volumes als een passende herinnering aan hem. Duizenden pelgrims bezoeken elk jaar zijn graf.

Gedachtenis van de ‘Driehandige’ ikoon van de Moeder Gods. Deze behoorde toe aan de heilige Joannes Damaskenos. Toen hij een verdediging had geschreven van de ikonenverering, werd hem de rechterhand afgehouwen om hem het schrijven te beletten. ln de nacht daarop bad hij geknield voor de ikoon van de heilige Moeder Gods, terwijl hij de afgehouwen hand tegen de armstomp gedrukt hield. Hij viel toen in slaap en toen hij wakker werd, was de hand weer aan de arm vastgegroeid en volkomen bruikbaar; alleen een litteken rond de arm bleef nog een herinnering aan de straf.
Uit dankbaarheid liet Joannes toen een gouden votiefhand aan de ikoon bevesti- gen.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren: Mamas, ter dood gebracht bij Sigmata; Nabor en Felix leden in Milaan‚ 304; Epifania werd op Sicilië onder wrede kwellingen ter dood gebracht onder Diokletiaan; Marciana, nog een meisje, werd in Toledo vertrapt door een opgehitste stier; Jason‚ een van de oudste leerlingen van Christus, gedood op Cyprus; Paulinus, eerste bisschop van Lucca in Toskane, gewijd door de heilige Petros en gedood onder Nero; Hermagoras, leerling van de heilige Markos, te Aquilea omgebracht samen met zijn diaken Fortunatus.

Eveneens op deze dag de heilige Joannes en Gabriël van Svjatogorsk; Antonios‚ abt van Leochnov bij Novgorod; Menou, bisschop van Quimper, 7e eeuw; en Paternius, bisschop van Bologna.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
tekst over de nieuwe h. Païsios overgenomen van de website van de parochie van Brugge: http://www.orthodoxie-brugge.org/2015/02/13/de-heilige-oudvader-paisios-gecanoniseerd/
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.