vorige dag           volgende dag Register

Heiligenjaar   -   8 november

Synaxis van de heilige aartsengel Michaël en alle onlichamelijke krachten. De naam Michaël betekent: “Wie is als God?” Hij wordt daarom gezien als de engel met het vlammend zwaard die Adam uit het paradijs verdreef, nadat deze als God had willen zijn. Om dit zwaard herkennen wij hem ook als de engel die Jozua tegemoet trad bij Jericho‚ en die zich noemde: “Aanvoerder van Gods Kracht” (Joz. 5: 14). Zijn naam wordt herhaaldelijk genoemd in de profetieën van Daniël (10: 13, 10: 21, 12: 1) als de grote Vorst, de Beschermer van Gods volk. In de Judas-brief heet hij: de Aartsengel Michaël (Jud. 9). Het Boek der Openbaring noemt opnieuw zijn aanvoerderschap: “Michaël en zijn engelen streden tegen de draak ...” (Opb. 12: 7). Om dit alles vereren wij de heilige aartsengel Michaël als de beschermer van de kerk.
In de 4e eeuw heeft de kerk reeds deze “samenviering, synax” gevierd, in de 9e maand van de 9 koren der engelen: de zesvleugelige serafijnen, de cherubijnen met de vele ogen, de God-dragende tronen, de heerschappijen, de krachten en machten, de vorstendommen, aartsengelen en engelen.
Uit de overlevering zijn de volgende namen bekend: Michaël - ‘Wie is als God?’ Gabriël - ‘de held Gods’, “die voor Gods aangezicht staat” (Lc. 1: 19), gezonden tot Zacharias, de vader van de heilige Johannes de Doper‚ en tot de Maagd Maria, voor de vleeswording van Gods Zoon (Lc. 1: 26); Rafaël - ‘God geneest’ (Tob. 3: 17); Uriël - ‘Vuur (Licht) Gods’; Salathiël - ‘Gods aanbidder’; Jegudiël - ‘Gods verheerlijker’; Barachiël - ‘Gods zegen’; en Jeremiël - ‘Gods verheffing’.
Verder wordt in de Heilige Schrift op bijna 300 plaatsen gesproken over ‘engelen’ in het algemeen. Er is een sterk besef dat ons zichtbaar heelal ingebed ligt in een nog veel grootsere geestelijke werkelijkheid, waar de engelen de uitvoerders zijn van Gods plannen, en waarvan een aantal rechtstreeks betrokken zijn bij het leven der mensen.
Daarom worden ook in de gebeden van de kerk voortdurend de engelen genoemd; in de Goddelijke Liturgie voelen wij hen zeer nabij. Wij vragen God of Zijn engelen met ons meetrekken bij de Intocht, en in de cherubijnenhymne mogen wij hen uitbeelden. Wij zingen het engelen-lied van het Driemaal Heilig, en mogen het triomflied zingen met het machtige koor van “duizenden aartsengelen en myriaden engelen, de cherubijnen en de gevleugelde serafijnen”.

De heilige Martha, echtgenote van de heilige Dobmont, vorst van Pskov (20 mei). Zij trad in het klooster van de heilige Johannes de Doper en is gestorven in het jaar 1300.

De heilige Willehadus (Wilhead), bisschop van Bremen. Hij was priester in Northumbrië‚ maar rond 770 stuurde Karel de Grote afgezanten naar koning Alred in Engeland, om priesters te sturen voor de geloofsverkondiging in Friesland en Saxen. Toen Willehadus dit vernam, verzocht hij om uitgezonden te worden, want hij was vol geestdrift door de brieven van de daar reeds werkende Britse missionarissen. Na verkregen verlof vertrok hij naar Friesland en hij vestigde zich in Dokkum, waar de heilige Bonifatius was vermoord. Daar werd hij nu goed ontvangen en hij opende een school voor de kinderen van de Friese edelen. Intussen leerde hij de taal, en na enkele jaren trok hij verder oostwaarts om te gaan prediken in het nog heidense land. In de buurt van Groningen nam de bevolking een dreigende houding aan, maar de stamhoofden‚ die aan de eventuele gevolgen dachten, brachten hen tot kalmte.
In (Triante) Drente, waar een meer gemengde bevolking van Friezen en Saksen woonde, had hij meer succes en zijn groep monniken maakte talrijke bekeerlingen, van 770 tot 779, tot ook daar grote moeilijkheden ontstonden, na het verbrijzelen van een afgodsbeeld. De missionarissen zochten toen een toevlucht aan het hof van Karel de Grote. In 779 had deze echter de onderwerping der Saksen voltooid en hij zond Willehadus nu naar het grensgebied tussen Saksen en Friesland. Hij vond een vruchtbare bodem voor zijn prediking in de buurt van Bremen. Er waren veel bekeerlingen, hij bouwde kerken en wijdde priesters, zodat er binnen korte tijd vrijwel geen afgodendienaars meer te vinden waren in dit gebied. Aan dit werk kwam een einde door de opstand van Wittekind in 782. Een aantal monniken werd afgeslacht, de hulptroepen die Karel de Grote gezonden had werden overmeesterd en neergeveld. Willehadus zelf ontkwam naar Frankrijk.
Karel de Grote zwoer wraak. Hij trok met een groot leger over de Rijn en verwoestte het gebied te vuur en te zwaard. Allen die weigerden christen te worden werden afgemaakt. Bij duizenden werden de bewoners de rivier ingedreven om gedoopt te zijn of te verdrinken. Duizenden Saksen werden onthoofd, maar de opstand werd steeds feller. De ene wreedheid lokte de andere uit. Het kwam tot een grote veldslag met Wittekind, en deze bleef onbeslist
Op den duur begon door het beter strategisch inzicht van Karel de Grote de balans in zijn voordeel om te slaan. Hij stelde zich verstandig op, en terwijl zijn troepen in het noorden nog steeds de velden verwoestten, behandelde hij in het veroverde gebied de bevolking met zachtheid. Samen met de toenemende oorlogsmoeheid, ten gevolge van de voortdurende nederlagen, kwam het tot een algemene onderwerping. intussen was Willehadus in Rome aangekomen en had het erfdeel van de heilige Willibrord verkregen. Hij vestigde zich daarom in Echternach en verzamelde daar langzamerhand zijn leerlingen die aan het Saksische bloedbad waren ontsnapt. Na twee jaar kon hij terugkeren naar zijn zetel bij Bremen, waar de bevolking zich nu in haar geheel naar de wensen van de overwinnaars voegde en zich liet dopen. Zelfs Wittekind, overtuigd door een wonder, kwam tot de doop.
In 787 hield Karel de Grote rijksdag te Worms. Bij die gelegenheid werd Willehadus bisschop gewijd en hij kreeg Wigmodia (Noord- west-Duitsland) tot diocees. Hij bouwde in Bremen een kathedraal die als een wonder van schoonheid gold. Direct na zijn wijding echter, op zondag 1 november 789, werd hij ziek en hij stierf op deze dag, tijdens een missiereis, in Oldenburg.

De heilige Cuby (Cyby), bisschop in Wales. Hij werd geboren op het einde van de 5e eeuw als zoon van een stamhoofd, die tevens een geletterd man was. Het christendom was er reeds enigszins gevestigd en de jongen kreeg een goede opvoeding. Toen hij 7 jaar oud, was, begon hij reeds te lezen. Als oudste zoon had hij na de dood van zijn vader het recht van opvolging, maar Cuby wilde zich wijden aan de dienst van de kerk. Hij vestigde zich eerst in de hoofdplaats van Cornwall‚ waar hij een kerk en een klooster stichtte. Maar toen zijn broer vermoord was, trok hij naar Wales, in 524, en verder naar Ierland. Hij bracht vier jaar door op het beroemde eiland Aran, waar hij eveneens een kerk bouwde, maar waar hij verdreven werd door een zekere Fintan.
Opnieuw was Cuby nu in Wales. Hij won het hart van de prins en verkreeg land, met zelfs een kasteel erop. Daar vestigde hij zich met zijn leerlingen. Later stichtte hij een klooster in Holyhead‚ waar hij op hoge leeftijd gestorven is, na 570. De vele plaatsnamen waarin zijn naam nog voortleeft, wijzen op een energieke zendingsarbeid‚ maar er zijn geen rechtstreekse gegevens meer voorhanden.

De Vier Gekroonden (Quator Coronati) Carpophorus, Severianus, Severus en Victorius, waren vier broers die voorname vertrouwensposities bezaten te Rome. Tijdens de vervolging van Diokletiaan werden zij gevangen genomen omdat zij zich uitgesproken hadden tegen de afgodendienst. Door met lood verzwaarde gesels werden zij doodgeslagen, in 304. Nadat de kerkvrede getekend was, werd er voor hen een kerk gebouwd. Daar werd ook het gebeente bijgezet van 5 beeldhouwers die geweigerd hadden een opdracht voor het vervaardigen van afgodsbeelden te aanvaarden: Castorius, Claudius, Nicostratus, Simplicius en Symphorianus.

De heilige Gregorius, abt van Einsiedeln, van Engelse adel, ontvluchtte zijn bruid in de huwelijksnacht en werd monnik in Rome op de Monte Coelico. In 949 kwam hij in Einsiedeln, waar hij in 958 tot abt werd gekozen. Nadat hij de abdij tientallen jaren had bestuurd, trok hij zich terug in de kluis van de heilige Meinrad, en daar is hij gestorven in 996.

De heilige Eufrosyna de Jongere, werd geboren in de Peloponnesos rond 850, in Zuid-Italië opgevoed en vervolgens naar haar oom in Constantinopel gezonden. Deze wilde haar uithuwelijken, maar zij had besloten maagd te blijven en nam de vlucht. Zij hield zich gedurende drie maanden verborgen in een oude molen. Omdat zij begreep dat dit geen blijvende oplossing kon zijn, trok zij mannen-kleren aan, liet zich Johan noemen, en werd monnik in een klooster. Hier leidde zij zulk een voorbeeldig monastiek leven dat zij na 15 jaar tot hegoumen werd gekozen.
Dat was niet de bedoeling, en opnieuw nam zij de vlucht. Misschien voelde zij zich te beschaamd om de waarheid te vertellen aan de broeders die haar zo vol vertrouwen hadden opgenomen. Zij zei dat deze positie haar te werelds was en werd cellenmonnik bij een oude kluizenaar, gedurende nog 10 jaar.
Pas toen deze gestorven was en niemand haar meer kende, nam zij haar vrouwenbestaan weer op. In 903 kwam zij als moniale in Constantinopel terug, stichtte een vrouwenklooster bij de kerk van Maria, de Levenschenkende Bron, werd daar recluse in een ondergrondse cel, waar zij eenmaal per week haar karig voedsel ontving.
Maar van een ziel die zich geheel heeft toegewijd aan God gaat een geheimvolle kracht uit. AI had zij alles gedaan om zich verborgen te houden, er kwamen steeds meer bezoekers naar haar toe. Zij raakte in de mode bij de vooraanstaande kringen; tot zelfs de keizer toe kwam haar bezoeken en kreeg op haar voorspraak een lang verbeide zoon.
Opnieuw poogde Eufrosyna zich aan de nu natuurlijk nog veel groter wordende toeloop te onttrekken. Met een paar monialen vestigde zij zich in een spelonk onder het Drie-eenheidskerkje. Maar ook daar werd zij ontdekt en met goede gaven overstroomd. Toen later de oorlog uitbrak, zocht zij een toevlucht in het klooster van de Moeder Gods Bescherming. Daar is zij gestorven in de ouderdom van 69 jaar, op de dag van het feest van de heilige engelen, nadat zij zelf als een engel op aarde had geleefd.

Eveneens op deze dag de heilige Sulien (SiIin), abt van Llan-carvan, eind 6e eeuw; Deusdedit‚ paus van Rome van 615 tot 618, die een melaatse had genezen door een kus; Gernad (Garnat)‚ een ler die in Engeland als kluizenaar leefde tot 934; Maurus, bisschop van Verdun, rond 444; Clarus, priester te Tours, 396; en Godefridus‚ bisschop van Amiens.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.