vorige dag           volgende dag

Heiligenjaar   -   9 november

De heilige Onesiforos en Porfyrios‚ die doodgefolterd zijn onder Diokletiaan, tegen het jaar 308.

De heilige Matrona werd geboren te Pergos in Pamfilië rond het jaar 453. Haar levensloop onthult bepaalde facetten van het leven van de oude Kerk, die, hoewel zeldzaam, toch lovenswaardig werden geacht, terwijl ze in onze tijd scherpe afkeuring zouden oogsten.
Zij was als jong meisje uitgehuwelijkt aan de rijke Dometios, en kreeg weldra een dochter, Theodota. Haar man kreeg een functie in Constantinopel en het gezin verhuisde daarheen toen Matrona 15 jaar oud was. Ze maakte kennis met een vrome dame en samen maakten ze er een gewoonte van om de nachtelijke vigilies te bezoeken die er in de verschillende kerken van de stad werden gehouden. Dat beviel Dometios niet en hij dwong Matrona in huis te blijven, wat tot allerlei scenes aanleiding gaf. Matrona stortte haar hart uit bij een moniale die zij ontmoette, en sprak over haar verlangen om het monastieke leven te leiden. De moniale beloofde toen om voor de kleine Theodota te zorgen wanneer ze dit voornemen ten uitvoer zou brengen.
Van deze zorg bevrijd, bad Matrona tot God dat zij zo graag letterlijk het woord van Christus zou volbrengen, dat men alles en iedereen moet verlaten om Hem te volgen. Zij droomde toen dat haar man haar het huis uitjoeg, omdat hij haar van ontrouw verdacht, en dat zij bij monniken werd opgenomen. Zij verliet toen haar man, kleedde zich als eunuch (om nasporingen te bemoeilijken), en trad in het sinds kort gestichte monnikenklooster van de heilige Bassianos in Constantinopel, onder de mannennaam Babylas.
Vol vreugde nam zij het zware monniksleven op zich en zij werd een in alle opzichten voorbeeldig lid van de gemeenschap. Toch kreeg Bassianos argwaan, en toen hij haar ondervroeg kwam de waarheid aan de dag. Hij maakte Matrona ernstige verwijten dat zij de gelegenheid voor een schandaal gegeven had, maar hij waardeerde haar ijver en besloot haar niet openlijk te ontmaskeren. Wel zond hij haar weg naar een veraf gelegen vrouwenklooster in Emesa (Syrië).
Ook hier werd zij een sieraad van het klooster. Daardoor werd er over haar gesproken, haar identiteit raakte bekend, en weldra was Dometios op weg om zijn vrouw op te eisen. Matrona vluchtte naar Jeruzalem, maar ook daar kwam Dometios haar achterna. Zij kon nu in geen klooster meer terecht en vluchtte naar de woestijn. In de buurt van Beyroet leefde zij als een van de oude woestijnvaders in een verlaten afgodstempel, waar zij een zware strijd had te voeren tegen de demonen. Daardoor groeide haar persoonlijkheid, en de heidense meisjes uit de omtrek begonnen bij haar te komen en wilden bij haar blijven. Zo ontstond er een gemeenschap rond haar van 9 leerlingen.
Zij voelde haar verantwoordelijkheid tegenover haar geestelijke kinderen en zocht raad. Steeds groter werd het verlangen naar haar eerste raadsman, de heilige Bassianos, te gaan. Zij voelde zich nu ook sterk genoeg om de aandrang van Dometios te weerstaan. Ze vertrok naar Constantinopel en werd verheugd door Bassianos ontvangen. Deze wist voor haar een cel te vinden, dicht bij zijn klooster, waar zij zich rustig aan het gebed zou kunnen wijden. Toen kon zij haar achtergebleven zusters laten overkomen.
Matrona’s reputatie had zich intussen in Constantinopel verbreid en weldra ontving zij alle hulp en steun zodat er een klooster gebouwd kon worden, dat al na korte tijd tot de beroemdste behoorde van de stad. Bijna dagelijks kwamen er nieuwe leerlingen en zij konden nog lang hun voordeel doen met het onderricht van hun stichtster‚ want ondanks haar harde ascese werd Matrona bijna 100 jaar oud. Op haar sterfdag vertroostte zij haar kinderen met de beschrijving van het hemelse visioen dat God haar deed aanschouwen, als loon voor de inspanningen van haar leven.

De heilige Theoktista, geboren op Lesbos en daar opgevoed in het klooster, werd door invallende zeerovers meegenomen. Zij gedroeg zich rustig en werd daarom niet zo scherp bewaakt toen zij op Paros aan land was gebracht. Zij maakte van de gelegenheid gebruik om te ontsnappen naar het onbewoonde binnenland, en vond onderdak in een tempelruïne. Daar leefde zij in volkomen eenzaamheid van de planten die daar groeiden, terwijl zij haar dagen wijdde aan het gebed, 35 jaar lang. Pas toen zij oud geworden was, werd zij ontdekt, en niet lang daarna stierf zij, in 881.

De heilige Alexander van Thessalonika. Toen men hem wilde dwingen om voor het afgodsbeeld wierook te offeren, verweerde hij zich heftig en wierp het altaar omver. Daarop werd hij onthoofd, onder keizer Maximiaan. Zijn gedachtenis wordt ook gevierd op 7 november.

De heilige Antonios (Antoninos) uit Apamea in Syrië, was steenhouwer. Hij predikte Christus voor zijn stadsgenoten, maar met weinig succes. Toen trok hij zich terug in de eenzaamheid, waar hij een monnik, Timotheos, vond, met wie hij gedurende drie jaar het ascetische leven leidde.
Door het gebed gesterkt ging hij daarna opnieuw naar de stad, waar toen juist een heidens offerfeest werd gevierd. Antonios werd door afkeer bevangen en vernielde een afgodstempeltje. De menigte viel over hem heen en hij werd ongenadig geslagen. Toen hij van zijn wonden hersteld was, vroeg Antonios aan de bisschop verlof om een kerk te mogen bouwen ter ere van de heilige Drie-eenheid. Toen dit werk gestadig vorderde, werd hij door de woedende heidenen gedood en in stukken gehakt.

De heilige Eustolia uit Rome stichtte samen met de heilige Sosipatra, de dochter van keizer Maurikios, een klooster in Constantinopel, waar zij God dienden. De gemeenschap groeide voorspoedig, en toen Eustolia in 610 stierf, liet zij een grote communauteit achter in handen van de heilige Sosipatra, die in 625 in de Heer ontsliep.

De heilige Simeon Metafrastes (de vertaler), een man van bijzonder intellect en grote wijsheid, had een hoog staatsambt en behoorde tot de voornaamste adviseurs van keizer Leo de Wijze in de 10e eeuw. Het Byzantijnse rijk werd van verschillende kanten bedreigd en er was veel diplomatie en staatsmanswijsheid nodig om het bloedvergieten in het Midden-Oosten zoveel mogelijk te beperken.
Toen de Arabische troepen het nabijgelegen Kreta hadden overspoeld, werd Simeon erheen gezonden om te zien wat er nog te redden viel. Hij wist een vreedzame oplossing van de problemen te bewerken, en werd bij zijn terugkeer in triomf Constantinopel binnengehaald, en bejubeld als de grootste staatsman van die tijd. De keizer wilde hem landgoederen en inkomstenbronnen schenken, maar Simeon vroeg om alleen een lang gekoesterde wens in vervulling te doen gaan: dat hij zich uit het publieke leven zou mogen terugtrekken om zich te kunnen toeleggen op nadenken en gebed. Tegenstrevend willigde keizer Leo dit verzoek in, en zo begon Simeon zijn kerkelijke loopbaan.
Sinds lang had hij de wens om zoveel mogelijk feiten te verzamelen betreffende de heiligen en de martelaren van de kerk, voor wie hij van jongsaf een diepe verering bezat. Nu kon hij, met zijn wetenschappelijke aanleg, en met de geldmiddelen die hem ten dienste stonden, een diepgaand onderzoek instellen om zijn boekenserie: de Levens van de heiligen, samen te stellen. Simeon spaarde kosten noch moeiten om materiaal bijeen te brengen uit alle delen van de toenmaals bekende wereld. Hij nam al die documenten door, op zowel wereldlijk als kerkelijk gebied, en verzamelde en vertaalde daaruit alles wat voor zijn doel dienstig was. Zo bracht hij een standaardwerk tot stand, een verzameling van 146 heiligenlevens, die nog altijd het hartstuk vormt van de Synaxaria in de Orthodoxe Kerk.
Daarnaast had Simeon ook nog talent voor muziek, en hij componeerde een aantal hymnen, die nog in het officie gebruikt worden. Zo heeft hij talloze jaren gewerkt, tot eer van God en Zijn heiligen, en voor de geestelijke rijkdom van ons allen, van de kerk.

De heilige Euthymios, een hoogwaardigheidsbekleder aan het hof van Byzantium, werd monnik en stichtte op de Athos het Dochiari-klooster, toegewijd aan de heilige aartsengelen Michaël en Gabriël, op een moeilijk toegankelijk plateau, ter bescherming tegen de Saraceense zeerovers. Hij was bevriend met de heilige Athanasios, de stichter van de Grote Laura. Zijn neef Neofytos, die hem eerst in zijn ambt was opgevolgd, volgde ook verder het voorbeeld van zijn oom: hij werd monnik bij hem in het klooster en later zijn opvolger toen Euthymios gestorven was, rond het jaar 1000.

De heilige Nektarios van Egina, metropoliet van Pentapolis, was uit arme ouders geboren in 1846 in Thracië (nu Turkije). Reeds jong bleek bij hem naast liefde voor de kerk een echte studiezin, en zijn ouders deden daarom alles om hem voor zijn studie naar Constantinopel te kunnen sturen toen hij 14 jaar oud was. Daar verdiende hij de kost bij een ver familielid als magazijnbediende, en hij werd ook wel geholpen door welwillende christenen. Er leefde in hem een zendingsdrang. Op het pakpapier van de voorwerpen die hij verzenden moest, schreef hij spreuken van de woestijnvaders, waardoor hij zelf getroffen was geweest. Nektarios zelf schrijft hierover, in het voorwoord van zijn boek ‘Schatten uit de Vaderspreuken’: “Dit boek is de vrucht van lange en intensieve arbeid; het is gegroeid uit een reeds sinds mijn jeugd bestaand vurig verlangen om nuttige wetenschap aan anderen door te geven. Het meest benijdenswaardige werk scheen mij de taak van leraar te zijn, en ik deed alles om zo iemand te worden. Dit werk ging natuurlijk mijn krachten volkomen te boven, wegens mijn gebrek aan opleiding, maar het verlangen was daarom niet minder hardnekkig. Daarom wendde ik mij tot de rijkdommen die ons waren overgeleverd door onze voorvaderen, die in een hanteerbare vorm tot mijn beschikking stonden. Zo begon ik een verzameling aan te leggen van Vaderspreuken en dergelijke. Maar zonder geld was het moeilijk ze te verspreiden. Toen bedacht ik de mogelijkheid om het pakpapier te gebruiken waarin de sigaretten naar de tabakshandelaars werden gebracht, en ik bracht dit idee direct in praktijk. Elke dag schreef ik zoveel mogelijk van deze spreuken op deze vellen, in de hoop dat de klanten ze uit nieuwsgierigheid zouden lezen en er iets goeds van zouden opsteken.”
Reeds toen legde hij de grondslag voor zijn grote eruditie. Grote delen van de nacht en elk vrij ogenblik van de dag besteedde hij aan het bestuderen van de vaders. Toen hij 21 was, kreeg hij een betrekking als onderwijzer op het eiland Chios. Zijn geestelijk leven verdiepte zich, en hij wilde zich geheel aan Christus geven. Hij werd daarom monnik, toen hij 30 jaar oud was, in het beroemde klooster Nea-Moni, en ontving de naam Lazaros (zijn doopnaam was Anastasios), en later Nektarios. Zjn deemoed, gehoorzaamheid en buitengewone zachtmoedigheid maakten hem al spoedig bemind bij heel de gemeenschap, die hij diende als diaken. De financiële hulp van enkele weldoeners stelde hem in staat in Athene zijn theologische studies te voltooien, in 1885.
Nektarios was toen bijna 40 jaar en werd naar Alexandrië gezonden waar hij in 1886 priester gewijd werd, en korte tijd later, in 1889, metropoliet van Pentapolis (Opper-Lybië). Hij kreeg opdracht om te prediken en werd als vertegenwoordiger van de patriarch naar Kaïro gezonden, waar hij al spoedig de genegenheid won van het volk. En de mensen zeiden onder elkaar: “Dat zou nu eens een waardige opvolger zijn voor de patriarch!”
Juist dit werd hem echter noodlottig: jaloezie bracht sommige priesters ertoe hem te belasteren bij de patriarch. Zonder enig onderzoek zette deze hem toen in 1890 af als bisschop, waarbij tegelijk zijn salaris werd ingehouden. Omdat Nektarios nooit gespaard had, maar steeds alles had weggegeven, kwam hij tot grote armoede. Na een jaar vergeefs wachten op eerherstel, moest hij naar Constantinopel terugkeren. Zijn oorspronkelijke gedachte om naar de Athos te gaan liet hij varen, omdat hij wist geroepen te zijn tot het werk onder de gewone gelovigen.
Na deze periode van hongerlijden kreeg hij weer een opdracht als prediker in 1891. Zijn innige vroomheid en grote welsprekendheid maakten dat hij van alle kanten uitnodigingen ontving om te komen preken. Hierdoor werd hij ook in 1894 directeur van een opleidingsinstituut voor priesters in Athene. Deze school wist hij spoedig tot hoog moreel en intellectueel peil op te heffen. Daarnaast bleef hij preken voor het volk. Zelf leidde hij daarbij het armoedige leven van een strenge monnik. Dit had invloed op een aantal jonge mensen, en tussen 1904 en 1907 stichtte hij met een aantal gelovige meisjes een klooster op het eiland Egina waar hij zich later, toen hij gepensioneerd werd, zou gaan terugtrekken.
Door het ontbreken van een financiële grondslag kostte dit stichtingswerk ontzaglijk veel moeite, en het putte hem lichamelijk volkomen uit. Maar rondom hem begonnen allerlei wonderlijke dingen te gebeuren: plotselinge genezingen, regen gedurende een vernietigende droogte, troost in de moeilijkste omstandigheden. Zijn liefde tot God en zijn hartelijke liefde voor ieder die hij ontmoette, trok een menigte mensen onweerstaanbaar tot hem aan. In de moeilijke tijd na de eerste wereldoorlog verbood hij zijn monialen met de grootste nadruk om ook maar enige voorraad aan te leggen, maar alles wat zij ontvingen direct uit te delen aan de behoeftigen.
In 1899 werd hij uitgenodigd zich kandidaat te stellen voor de patriarchale troon van Alexandrië. Nektarios ging erheen, maar toen hij bemerkte dat de geestelijkheid een andere kandidaat uit hun eigen rangen wilde pousseren, ging hij onmiddellijk terug naar Athene, want hij wilde in geen geval aanleiding geven tot strijd.
Naast al de taken die hij op zich nam, vond Nektarios nog tijd voor het schrijven van een groot aantal boeken over theologie, moraal, kerkgeschiedenis, de plaats van de vaders, vaak miskend door westerse beïnvloeding. Daarbij kwam ook nu weer dat er lasterpraat rondverteld werd over hem en zijn klooster. En altijd verdroeg hij dit met de grootste gelijkmoedigheid en hij sprak nooit een kwaad woord over hem die hem beschuldigden. Maar het tastte wel zijn lichamelijke weerstandsvermogen aan, en hij werd bevangen door een pijnlijke ziekte die hem in anderhalf jaar naar het graf bracht. Hij stierf in het ziekenhuis, 8 november 1920. Zo is hij nog bijna een tijdgenoot van ons, in elk geval van de oudere generatie. Zijn graf is een van de meest bezocht bedevaartplaatsen van Griekenland. Want na zijn dood is de heilige Nektarios nog even populair als tijdens zijn leven. In 1961, 41 jaar na zijn dood, werd hij plechtig heilig verklaard. Hij is vooral de beschermheilige van zieken die in stervensgevaar verkeren.

De heilige Vanne‚ bisschop van Verdun. Hij was al vroeg monnik geworden en in 498 werd hij tot bisschop gekozen van Verdun. Hij leidde een bijzonder heilig leven, en zijn roem werd verbreid door verschillende wonderen die door zijn tussenkomst gebeurden. Na 26 jaar van onvermoeibare arbeid, gepaard aan een leven van harde ascese, is hij, nog betrekkelijk jong, gestorven tegen het jaar 525.

De heilige Benignus, aartsbisschop van Armagh. Toen de heilige Patrick met zijn schip in de Boyne aanlegde om op land Pascha te gaan vieren, werd hij gastvrij ontvangen in het huis van een welgesteld man. Zij brachten de nacht door in gesprek over de zaken van het geloof, en de man toonde zich innerlijk zo open en voorbereid, dat de volgende morgen het gehele gezin gedoopt werd. Onder hen bevond zich ook een kleine jongen die er zo vriendelijk uitzag dat de heilige Patrick hem de doopnaam Benignus gaf. Deze was direct zozeer aan de heilige gehecht geraakt dat hij met de meeste aandrang smeekte met hem mee te mogen gaan. Dit gebeurde en Benignus werd een van zijn geliefdste leerlingen. De heilige Patrick voorspelde hem dat hij eens zijn opvolger zou zijn.
In 442 stichtte de heilige Patrick de abdij van Druimlias en stelde Benignus aan tot abt. Deze bestuurde het klooster meer dan 20 jaar. Toen de heilige Patrick in 465 stierf, werd Benignus eenstemmig gekozen tot zijn opvolger op de zetel van Armagh, omdat hij steeds zijn rechterhand was geweest Nu voltooide hij diens werk door het Evangelie te prediken in nog niet bezochte delen van Ierland. Benignus is in 468 gestorven.

De heilige Mathurinus was lid van een heidens gezin in Sens. Hij bekeerde zich tot Christus en deed dat geheel en al: heel zijn bezit schonk hij weg, en daarna diende hij zich aan bij de bisschop. Hij werd grondig onderricht in de Heilige Schrift en opgenomen onder de geestelijkheid. Na zijn priesterwijding bracht hij velen, waaronder zijn eigen ouders, tot het geloof. Hij is gestorven tegen 388.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren Christoforos en Maura, stierven door het zwaard; evenals Narses en Artemon; Antonios; en Theodoros Tyron (zie 17 februari). -

Eveneens op deze dag de heilige Onesiforos de Belijder van het Holenklooster, 1148; Helladios de Kellion-bewoner; Ursinus, 1e bisschop van Bourges, tegen 300; Georgius, bisschop van Lodève, 870; Agrippinus, bisschop van Napels; en Johannes de kleine, woestijnvader (zie ook 15 september).

Gedachtenis van de icoon van de Moeder Gods van het Snelle Verhoor.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.