vorige dag           volgende dag

Heiligenjaar   -   11 november

De heilige Menas was een christen Egyptenaar, soldaat in het Romeinse leger, een veteraan van ongeveer 50 jaar oud. Toen zijn regiment naar Afrika werd gezonden om de christenen die niet aan het godslasterlijk edict van Maximiaan wilden gehoorzamen, gevangen te nemen, deserteerde hij en trok zich met enkele anderen in de bergen terug om de vervolging te ontgaan, want zelfs de verscheurende dieren waren minder wreed dan de afgodendienaars. Maar toen in 303 de grote vervolging werd afgekondigd, ging hij naar het theater waar de martelingen aan de gang waren, en riep luidkeels dat hij ook een christen was. Hij werd gegrepen, op allerlei wijzen gemarteld, en toen hij niet om genade vroeg maar zei dat de martelingen te verdragen waren omdat hij ze opdroeg als een offer aan God, werd hij verbrand.
Zijn verbrande resten werden door enkele christenen bijeengeraapt en naar Alexandrië overgebracht, waar ze werden begraven. Nauwelijks had Konstantijn de vrede aan de kerk gebracht in 325, of er werd een basiliek opgericht boven zijn graf. De heilige Menas geniet een grote verering in heel de Orthodoxe Kerk, en vaak heeft hij zijn wondermacht doen blijken.
Een bekend voorval uit onze tijd: Tijdens de beslissende gevechten van de laatste Wereldoorlog in Afrika, werden de geallieerde troepen bij Alamein omsingeld door de Duitsers onder generaal Rommel. Er was daar de oude ruïne van een kerk, gewijd aan de heilige Menas (in het Arabisch: EI Alamein). In de nacht verscheen de heilige Menas temidden van het Duitse legerkamp, aan het hoofd van een onafzienbare kamelenkaravaan, juist zoals het was afgebeeld op een van de fresco’s in die kerk. Deze verschijning bracht de Duitse troepen in verwarring, en tastte hun moreel zodanig aan dat de geallieerden op schitterende wijze de overwinning behaalden. Uit dankbaarheid restaureerden zij het kerkje van de heilige Menas en werd er een klein klooster gesticht.

De heilige Viktor en Stefanida. De uit Italië afkomstige Viktor werd te Damaskos in een brandende oven en in kokende olie geworpen. Toen hij daarna nog in leven was, werd hij onthoofd. De weduwe Stefanida was hiervan getuige en bekeerde zich daardoor tot Christus, Die Zijn getuigen zo wonderbaar bijstaat. Zij werd toen tussen twee palmbomen uiteengescheurd, onder Antoninus, tegen het jaar 160.

De heilige Vincentius uit Spanje was diaken te Augustopolis. Tijdens de vervolging werd hij te Valencia tot de kruisdood veroordeeld, en toen hij hieraan op wonderbare wijze ontkwam, werd hij op een gloeiend rooster verbrand, onder Maximiaan.

De heilige Theodoros de Studiet (dat wil zeggen: monnik van het beroemde Studion-klooster in Constantinopel). Hij was geboren in 759 en toen hij 23 jaar oud was, werd hij monnik in het klooster te Sakkoudion, onder zijn oom, de heilige Plato. Toen deze in 795 ernstig ziek was, liet hij de monniken een opvolger kiezen en dezen spraken zich eenstemmig uit voor Theodoros. Hij werd daarop de helper van de hegoumen, want het einde was voor Plato nog niet gekomen.
Er volgde nu een tijdperk vol moeilijkheden. Konstantijn, de keizer, had zijn vrouw verstoten en een andere vrouw getrouwd, een nicht van Plato. Deze kwam hiertegen openlijk in verzet en werd daarom hevig geslagen en opgesloten in een gevangenis, waar hij slechts door een gat in de muur van eten werd voorzien. Theodoros werd met een aantal monniken verbannen naar Thessalonika, waar hij aankwam in 797.
Intussen had Irene, de oude moeder van de keizer, het bewind weer in handen genomen. Zij riep de bannelingen terug. Theodoros bracht de verstrooide monniken weer in Sakkoudion bijeen, terwijl zich vele anderen bij hen voegden. De voortdurende invallen van de Turken noodzaakten hen echter Sakkoudion te verlaten en een toevlucht te zoeken in de stad. Daar bevond zich het grote Studion-klooster, genoemd naar de bouwheer, de patriciër Studion, en dat nu vrijwel leegstond nadat een vorige keizer de monniken verdreven had. Dit klooster werd nu bevolkt door Theodoros en een duizendtal monniken. Plato voelde zich niet in staat zo’n grote gemeenschap te beheren en werd kluizenaar, waarbij hij gelofte van gehoorzaamheid deed tegenover zijn neef, de energieke Theodoros. Er werd in Studion een strikte regel gevolgd. De monniken hadden geen eigen cel, maar sliepen gezamenlijk op slaapzalen. Zij droegen slechts één kledingstuk, dat echter wel regelmatig gewisseld werd. Er was een gehele hiërarchie van verantwoordelijke monniken voor het geestelijk leven en voor de praktische organisatie. Theodoros bleef de vader van alles en iedereen voor wat betreft de belangrijke beslissingen. Driemaal per week hield hij s ochtends een korte catechese, en de gehele dag, zelfs tijdens de diensten, hield hij persoonlijke geestelijke gesprekken met de monniken.
Verder componeerde hij een groot aantal hymnen, en zijn Vasten-Triodion vormt nog altijd het gebed van de Orthodoxe Kerk. Theodoros bevorderde ook de kunst van het iconen schilderen en het kopiëren en verluchten van handschriften. Het klooster van Studion werd onder zijn bestuur het belangrijkste geestelijke en culturele centrum van zijn tijd, met een invloedssfeer die zich uitstrekte tot op de Athos en tot in Rusland.
Onder een volgende keizer kwam het weer tot strijd tegen de iconenverering. Opnieuw raakte Theodorus in grote moeilijkheden. Hij werd verbannen naar Merope en daar gevangen gehouden. Maar Theodoros, die intussen een eerbiedwaardige grijsaard was geworden, boezemde zijn bewakers zoveel ontzag in dat hij toch in staat bleef door brieven contact te houden met zijn vrienden. Een boek dat hij daar geschreven had ter verdediging van de iconen werd zelfs clandestien in omloop gebracht.
De keizer, die ervan hoorde, zond een vertrouweling, Niketas, met de opdracht Theodoros te geselen en naar een striktere gevangenis over te brengen. Theodoros verklaarde geen bezwaar te hebben, daar hij de gehele aarde als zijn tehuis beschouwde, en hij ontblootte zijn rug voor de geseling met de woorden: “Daar heb ik altijd naar verlangd”. Toen Niketas dat uitgeteerde oude lichaam zag, stuurde hij iedereen de cel uit, wierp zijn schapenvacht over de rug van Theodoros en deed daarop de slagen regenen die buiten gehoord werden. En met zijn eigen bloed kleurde hij de geselriemen rood.
De ware toedracht werd aan de keizer verraden. Deze zond nu zijn, beul om Theodoros bloedig te geselen. Daarna werd hij opgesloten in een vuil en stinkend onderaards hol, waar hij drie jaar moest blijven, gelukkig samen met zijn trouwe leerling Nikolaas. Slechts om de andere dag kregen zij wat brood naar binnen geworpen. Toch zag hij nog kans brieven naar buiten te smokkelen. In een van deze brieven staat hoe zij gegeseld werden, dat zij in deze kerker moesten afdalen en dat daarop de ladder opgetrokken en het luik gesloten werd. En dat zij alleen gevoed werden met water en brood, maar dat soms door omkoperij wel eens ander voedsel naar binnen kwam. Zij hadden daar veel te lijden van de koude, soms van verstikkende hitte, en van ongedierte. Een van de brieven viel in handen van de keizer, die opnieuw een beul zond om hen te straffen. Zij werden zo hevig geslagen en met doorwond lichaam aan de vriesnacht blootgesteld, dat Theodoros maandenlang zweefde tussen leven en dood. Alleen de toegewijde hulp van Nikolaas, die de pijn van zijn eigen wonden vergat om Theodoros bij te staan, redde diens leven, tot verbaasde teleurstelling van de keizer. Hij moest daarbij stukken vlees die tot ontbinding waren overgegaan, wegsnijden.
De keizer werd vermoord, en zijn opvolger liet de gevangenen vrij. Nadat hij zeven jaar in boeien was geweest, van 815 tot 821, kwam Theodoros in triomf naar Constantinopel terug. Hij kon echter niet in het Studion-klooster terecht, want dit was in handen van de iconoclasten en de nieuwe keizer greep niet in, omdat hij boven de partijen wilde blijven staan. De oude Studion-monniken vestigden zich op het schiereiland van de heilige Tryfon. Daar is Theodoros ook gestorven, aan een maagzweer opgelopen in de gevangenis, op 11 november 826, in de ouderdom van 67 jaar.

De heilige Maximos, dwaas om Christus, was een der typerende gestalten van het Moskou van de 15e eeuw. Vrijwel zonder kleren, zonder enige beschutting tegen koude of hitte, trok hij door de straten van de stad, terwijl hij met kernachtige spreuken het volk opwekte tot geduld in hun ongelukkig leven, om boete te doen voor hun gebreken. Tegelijk veroordeelde hij de rijken om hun hardvochtigheid‚ en omdat zij hun rijkdommen hadden gebouwd op het ongeluk van de armen. Hij is gestorven in 1433.

De heilige Stefanos, koning van Servië van 1321 tot 1336. Door de bescherming van de heilige Nikolaas genas hij van de blindheid waartoe hij door zijn vader was veroordeeld, en hij liet daarvoor een zilveren icoon met eeuwig licht naar Bari brengen. Hij bouwde kerken, was bijzonder vrijgevig voor de armen en succesvol in de oorlog. Zijn koninkrijk omvatte Bulgarije‚ Servië, Albanië, Bosnië, Herzegowina, Wallachije en Moldavië. Hij bouwde ook het beroemde klooster van Decani. Zijn zachtmoedigheid, zijn goede gezindheid, zijn geduld en zijn meeleven met de ongelukkigen maakten hem uiterst bemind bij zijn volk. Maar zijn zoon kwam tegen hem in opstand en Stefanos werd in de gevangenis geworpen, waar hij in 1336 werd gewurgd.

De heilige Martyrios van Zelenets‚ leefde van kind af in het Sergios- klooster in het gouvernement Pskov. Later werd hij kluizenaar, maar toen vele leerlingen zich onder zijn leiding wilden stellen, bouwde hij met hen het Drie-eenheidsklooster te Zelenets. Daar is hij ook gestorven, in 1603.

De heilige Athenodoros werd te Mesopotamië onder Diokletiaan op allerlei wijzen gefolterd. Tenslotte zou hij onthoofd worden, maar de beul viel levenloos neer. Niemand anders durfde hierna de genadeslag toe te brengen, maar de martelaar is toen biddend tot de Heer ontslapen.

De heilige Martinus, bisschop van Tours, was de eerste heilige na de tijd van de martelaren, en genoot een geweldige populariteit in heel Europa. Overal vinden we aan hem toegewijde kerken. Hij is er ook een voorbeeld van hoe internationaal het leven van velen verliep in een tijd die nog geen enkele van de gemakken kende van het moderne verkeer, doch slechts het wegennet dat de Romeinen door heel het rijk hadden aangelegd.
Hij werd in 338 geboren uit heidense ouders in Pannonië, het huidige Hongarije. Toen zijn vader zag dat zijn zoon sympathie voelde voor het christelijk geloof, en zelfs het ideaal had om monnik te worden, liet hij hem inlijven in het Romeinse leger toen hij 15 jaar oud was: dat zou wel andere gedachten in zijn hoofd brengen. Maar Martinus was niet zo gemakkelijk van zijn ideeën af te brengen. Hij trad in het leger, maar liet zich tevens inschrijven als catechumeen.
In die tijd was het christen worden nog een heel ernstige aangelegenheid: men was er zich van bewust dat men dan een geheel ander leven moest gaan leiden. Velen kwamen daarom jarenlang niet verder dan het voorbereidend stadium van het catechumenaat. Dan behoorden ze toch min of meer tot de kerk, zonder de zware verplichtingen, en zij lieten zich pas dopen naar aanleiding van een crisis in hun leven, of zelfs wel pas op hun sterfbed.
In deze overgangstoestand leefde ook Martinus. Hij was groot en sterk voor zijn leeftijd en werd daarom aanvaard bij het leger. Hij maakte promotie en werd officier, zodat hij een eigen paard bereed. Een flinke goedhartige kerel, die zich best in de dienst thuis voelde.
De troepen werden her en der gestuurd om garnizoensdienst te verrichten bij de overwonnen volkeren. Zijn legeronderdeel was in Frankrijk geplaatst, in de buurt van het tegenwoordige Amiens. Daar gebeurde op een bitter koude winterdag de beroemde ontmoeting met de naakte bedelaar. Martinus had pas zijn inkomen besteed aan een royale mantel, waar hij zich in kon wikkelen. Nu had hij niets meer om aan die sidderende stakker te geven. Het medelijden werd zo sterk in zijn hart, dat hij gedreven werd tot een besluit dat hem tekende in heel zijn edelmoedigheid. Hij sprong van het paard, trok zijn zwaard, en sneed de nieuwe mantel doormidden, zodat zij beiden enige beschutting hadden. Enigszins belachelijk in de krappe rest van zijn kleding, reed hij verder. Hij bezat al ten volle de christelijke overtuiging dat hij in de arme Christus ontmoette, maar wat een vreugde was het toen hij in de slaap Christus zag op Zijn troon, bekleed met die helft van zijn mantel, en Hem hoorde verklaren: “Zie eens, de mantel die de catechumeen Martinus Mij geschonken heeft!”
Deze droom, die Martinus heel zijn leven bij zou blijven, werd voor hem een keerpunt in zijn leven. Hij wilde niet langer carrière maken in het leger, maar geheel van Christus zijn. Hij was drie jaar in dienst geweest en juist 18 jaar geworden. Nu achtte hij zich gerechtigd zijn leven in eigen handen te nemen, en hij werd gedoopt door de heilige Hilarion. Hij moest echter nog twee jaar in het leger dienen en toen hij zijn ontslag indiende was juist de oorlog met de Germanen aan de gang. Toen hij daarom beschuldigd werd van lafheid, gaf hij ten antwoord: “Zet me maar in de voorste gelederen, zonder wapens of schild, ik zal geen zwaard meer trekken want ik wil een soldaat zijn van Christus”. Hij werd toen in boeien geslagen, maar toen kort daarop de vrede werd gesloten, mocht hij vertrekken.
Martinus ging naar Poitiers om zich onder de leiding te stellen van de heilige bisschop Hilarion. Deze wilde hem diaken wijden, maar stiet daarbij op resoluut verzet van Martinus. Met moeite liet hij zich slechts overhalen om de wijding van exorcist te ontvangen, omdat hij daarbij rechtstreeks tegenover de duivel kwam te staan en de kans liep op verschillende wijzen te worden aangevallen. Maar eerst wilde hij nu zijn ouders opzoeken. Bij de doortocht van de Alpen werd hij door rovers overvallen en uitgeschud. Hij kwam in gesprek met de rover die hem moest bewaken en wist deze te bekeren. Deze heeft het zelf verteld aan Sulpicius Severus, de levensbeschrijver van Martinus.
Terug bij zijn ouders wist Martinus zijn moeder tot het christendom te brengen, zijn vader bleef heiden. Martinus kwam openlijk in opstand tegen de ketterse bisschoppen die door de Arianen waren aangesteld. Hij werd in het openbaar gegeseld en buiten de stad gezet. Hij ging nu over ltalië terug, maar toen hij hoorde dat de heilige Hilarion door de Arianen van zijn zetel verdreven was, bleef hij in Milaan. Hij zocht buiten de stad een eenzame plek en leidde daar een kluizenaarsleven.
Toen hij ook hier in conflict kwam met de ariaanse bisschop trok hij naar het eilandje Gallinaria, bij de Rivièra-kust, onder Albenga. Daar leefde hij van planten en wortelen, waarbij hij ternauwernood aan de dood door vergiftiging ontkwam door een plant met donkergroene, glanzende bladeren en bleekgroene bloemen (nieskruid?), die daar in overvloed groeide. De gevolgen waren heftig en traden reeds in nadat hij pas een kleine portie gegeten had, zodat de hoeveelheid gif niet groot genoeg was om hem te doden, maar hij was zwaar ziek en had veel pijn.
Toen Hilarion weer op zijn zetel mocht terugkeren, voegde Martinus zich bij hem en hij werd met vreugde ontvangen. Buiten Poitiers stichtte hij een klooster, het tegenwoordige Ligugé. Een catechumeen, die daar onderricht werd, was tijdens de afwezigheid van Martinus plotseling gestorven. Deze sloot zich bij zijn terugkomst met de dode op, bad dringend tot God en werd toen geïnspireerd hem met zijn eigen lichaam te verwarmen. Na twee uur sloeg toen de dode de ogen op en keerde voor vele jaren tot het leven terug.
In 371 werd Martinus onder een voorwendsel naar Tours geroepen, waar hij werd ingesloten door een enthousiaste volksmenigte. Men bracht hem naar de kathedraal, waar de buurt-bisschoppen bijeen waren na de dood van de heilige bisschop Lidorius. Zij vonden de smerige en haveloze Martinus geen passende keuze, maar zij waren niet opgewassen tegen de aandrang van het volk. Het officie werd gebeden, het gedrang was echter zo groot dat de aangewezen lektor niet de lezenaar kon bereiken. Een van de priesters die erbij stonden sloeg toen een willekeurige plaats uit het psalmboek op en las: “Uit de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt Gij U lof bereid”. Hierop kwam zulk een gejuich van het volk, dat ook de laatste tegenstander zijn verzet moest opgeven, en Martinus werd bisschop gewijd.
Maar hij hield vast aan zijn monnik-zijn. Hij betrok een cel bij de kerk, doch toen hij daar dag noch nacht een ogenblik rust had door de onophoudelijke stroom van bezoekers, vestigde hij zich buiten de stad, waar later de geweldige abdij van Marmoutiers ontstond. Maar in zijn tijd was het een moeilijk toegankelijke plek aan de oever van de Loire, omringd door rotsen en wouden. Martinus woonde daar in een takkenhut Andere monniken groeven holen in de zandstenen klippen. Langzamerhand verzamelden er zich 80 leerlingen. Zij waren in huiden gekleed, aten slechts eenmaal per dag, dronken alleen water en hadden alles gemeenschappelijk.
Martinus predikte ook het Evangelie onder de nog heidense plattelandsbevolking, en gebruikte daarbij soms merkwaardige demonstraties. Zo wilde hij een geweldige pijnboom vellen, die het middelpunt vormde van de heidense eredienst. Om geen opstand te verwekken bood hij aan dat de mensen zelf de boom mochten vellen, en hem vastbinden op de plaats waar zij de boom wilden doen neerkomen. Daar werd in toegestemd, want het leek een prachtige gelegenheid om van de lastpost af te komen. Maar ondanks al hun kunde bleek de boom precies de tegenovergestelde kant om te vallen. Dit maakte grote indruk en Martinus maakte van hun verbluftheid gebruik om ook de tempel die er stond af te breken en op die plaats een kerk te bouwen.
Dit werd een doelbewuste strategie. Martinus vernielde de heidense bidplaatsen, en stelde daar een kerk voor in de plaats. Soms moest hij daarvoor de gewapende macht te hulp roepen. Toen in Autun het verzet zo hevig werd dat de wapens werden getrokken, knielde Martinus neer en daagde de opstandigen uit hem te doden, maar dat durfden zij toch niet.
Martinus werd bij zijn missiewerk bijzonder geholpen door de gave der wonderen die God hem verleende. Overal waar hij langskwam‚ op zijn tochten door het diocees‚ werden talrijke zieken genezen, doden opgewekt, ongelovigen tot vurige overtuiging gebracht. Het was alsof Christus zichtbaar tegenwoordig was in de persoon van Zijn heilige. Groot was de macht van zijn persoonlijkheid. Driemaal ging hij naar Trier om de belangen van het gewone volk te bepleiten bij de westerse keizer. Hij zette er zich ook voor in dat ketters niet ter dood werden gebracht.
“Zijn ziel was zonder ophouden op het hemelse gericht”, zo schrijft Sulpicius Severus, zijn tijdgenoot, over hem. “Hij liet nooit ook maar een uur voorbijgaan zonder zich over te geven aan gebed of geestelijke lezing. Nooit heeft iemand gezien dat Martinus zich kwaad maakte, en evenmin in heftige beroering of verdriet of uitbundig lachen. Altijd toonde hij hetzelfde kalme gelaat, stralend van een buitenaardse vreugde, alsof hij buiten de gewone menselijke natuur stond. Zijn mond sprak uitsluitend over Christus; in zijn ziel was niets andere te vinden dan liefde, vrede en erbarmen.”
Toen Martinus reeds oud was, kwam de graaf Avitianus‚ bekend om zijn barbaarse wreedheid, naar Tours met een hele stoet gevangenen, die hij daar onder folteringen wilde doen sterven. Op dit bericht ging Martinus naar zijn paleis en bleef geknield voor de deur, met uitgestrekte handen.
De graaf hoorde hem roepen, ofschoon de bedienden niets vernamen en steeds zeiden dat hij droomde. Avitianus ging zijn bed uit, opende de voordeur en vond de oude bisschop. Zonder dat deze iets hoefde te zeggen, beloofde hij hem de gevangenen te sparen en de vrijheid te schenken.
Ook tegenover de keizer sprong Martinus in de bres toen deze, op verzoek van de Spaanse bisschoppen, de ketters bloedig wilde vervolgen. En hij bleef protesteren naarmate deze geweldmethoden steeds meer invloed binnen de westerse Kerk begonnen te krijgen. Hij bleef trouw aan wat de heilige Hilarion zo nadrukkelijk had verklaard: “God wil geen afgedwongen eredienst. Zou Hij behoefte hebben aan een door geweld uitgesproken geloofsbelijdenis! Wij moeten niet trachten Hem te bedriegen; Hij wil gezocht worden in eenvoud, gediend door naastenliefde, geëerd en gewonnen door de eerlijke oefening van onze vrije wil”. En eveneens: “Wee de tijden wanneer het goddelijk geloof ter beschikking staat van aardse macht; wanneer de naam van Christus, beroofd van Zijn kracht, verkleind wordt om te dienen als voorwendsel voor eerzucht; wanneer de Kerk haar tegenstanders bedreigt met verbanning en gevangenis, terwijl zij zelf toch slechts stand gehouden heeft door verbannenen en gevangenen; wanneer zij steunt op de grootheid van aardse beschermers terwijl zij zelf geheiligd was door de wreedheid van haar vervolgers”.
De laatste 16 jaren van zijn leven nam Martinus daarom niet meer deel aan bisschopssynodes, omdat hij de veronachtzaming van de voorafgaande regels als misdadig beschouwde. Toen hij 80 jaar oud was, geraakte zijn aardse loopbaan ten einde. Op weg naar een van zijn landelijke parochies, waar zijn priesters ten gevolge van jaloerse ophitserij, in verzet waren gekomen, en met wie hij zich wilde verzoenen, werd Martinus ziek. Hij liet zijn leerlingen komen en voorzegde zijn nabije sterven. Om hun uiterste droefheid bood hij de Heer aan om zo nodig nog langer te leven en te lijden, maar hij weigerde elk comfort. Hij lag op de grond, op een haren kleed, terwijl hij zei: “Het past een christen niet om anders dan op de as te sterven. Als ik u een ander voorbeeld zou nalaten dan zou ik zondigen”. En terwijl hij zonder ophouden bleef bidden, gaf hij de geest, op de 8e november van het jaar 401. Zijn lichaam werd in een stoet van 2000 monniken naar Tours gebracht, waar zijn graf het meest vereerde heiligdom werd van heel Gallië. De 11e november is de dag van zijn begrafenis. De Griekse Kerk gedenkt hem op 12 november, de Russische Kerk op 12 oktober.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren Felicianus, Valentinus en Victorinus, onder Diokletiaan te Ravenna gedood.

Eveneens op deze dag de heilige Veranus (Vrain), bisschop van Cavaillon, eind 6e eeuw; Evodius, bisschop van Du Puy rond 570; Veranus, bisschop van Lyon, 5e eeuw; en Menas, kluizenaar in de Abruzzen, 6e eeuw.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.