vorige dag           volgende dag

Heiligenjaar   -   12 november

De heilige Johannes de Barmhartige, patriarch van Alexandrië. Hij was geboren als zoon van de bestuurder van Cyprus, tegen het midden van de 6e eeuw. Hij was getrouwd en had 7 kinderen. Na de geboorte van het laatste kind stierf zijn vrouw, en ook zijn kinderen stierven jong. Johannes was dus kinderloos weduwnaar. Een persoonlijke vriendschap verbond hem met de militaire gouverneur van Alexandrië, die in 610 de stad veroverd had in opdracht van Heraklites, de nieuwe keizer van Byzantium, die de macht had overgenomen van Fokas.
Omdat in de stad ook grote onenigheid heerste door de heftige godsdiensttwisten tussen de monofysieten en de aanhangers van het concilie van Chalcedon, werd gezocht naar een verzoenende persoon. In deze omstandigheden was iemand van buitenaf, zoals Johannes, een ideale oplossing. Hij bekleedde een belangrijke functie op Cyprus en was geliefd bij hoog en laag om zijn beminnelijke persoonlijkheid, en omdat hij altijd aan het belang van anderen de voorkeur gaf boven het belang van zichzelf. Hij was vriendelijk en wijs, gaf verstandige raad, bemoedigde, hielp waar hij kon, bewees fijngevoelig attenties, trad bij twisten verzoenend op.
Van de ene dag op de andere werd hij, bij decreet van de keizer, tot patriarch aangewezen voor Alexandrië, en zelden heeft een dergelijk optreden tot zulke gelukkige resultaten geleid. Want in elk opzicht bleek Johannes de juiste persoon voor deze post.
Zijn eerste opdracht was om de armen van de stad te registreren. Er waren 7500 behoeftigen, die niet in hun eigen onderhoud konden voorzien. Johannes noemde hen zijn “meesters”, en organiseerde voor hen een geregelde ondersteuning. Daarnaast wist hij te bewerken dat schepen met koren en geld naar Palestina gezonden werden om de door de Perzen gevangen genomen christenen vrij te kopen en hen in staat te stellen een nieuw leven te beginnen. En voor hen die naar Alexandrië waren gevlucht, bouwde hij tehuizen en hij zorgde voor een regelmatige voedselvoorziening uit de fondsen van de kerk. En van alle ambtsdragers vroeg hij een jaarlijkse bijdrage om hun ongelukkige medebroeders een minimum- inkomen te verschaffen.
Alles waarover hij kon beschikken deelde Johannes uit zonder terughoudendheid en zonder te tellen, en God zorgde er steeds voor dat hij ook in onbeperkte mate nieuwe bronnen ontving. Hij gaf, zonder enig onderscheid te maken tussen goeden en slechten, waardigen of onwaardigen, zoals Christus gezegd heeft. Toen men hem eens opmerkzaam maakte op een arme die dezelfde dag al voor de derde keer kwam vragen, gaf hij de opdracht hem een dubbele portie te geven, terwijl hij zei: “Misschien is het wel Jezus, mijn Verlosser, Die me op de proef wil stellen?” En als iemand hem wilde bedanken dan zei hij: “Wees stil, mijn broeder, ik heb immers nog niet mijn bloed voor je gegeven, zoals de Heer het vraagt”. Een dag waarop hij niemand kon helpen, beschouwde hij als een verloren dag. Toen hij eens op weg was naar de kerk, wilde zijn gevolg een arme weduwe verhinderen hem aan te spreken. Johannes wees hen terecht met de woorden: “Zou God naar mij luisteren als ik zou weigeren naar een van Zijn armen te luisteren?”
Speciale zorg besteedde hij aan de kinderen die in een immorele omgeving moesten werken, en hij nam het initiatief tot een gemeenteverordening waarbij vrouwen die een kind gekregen hadden, een week rust mochten genieten in een van de door hem gestichte 7 hospitalen, elk met 40 bedden.
Elke woensdag en zaterdag hield hij zitting in de voorhal van de kerk om uitspraak te doen in twistgedingen, ruzies bij te leggen, en strijdenden met elkaar te verzoenen. Nooit hoorde men hem daarbij iemand veroordelen, al waren er nog zulke evidente bewijzen voorhanden. Hij wilde alleen maar de goede dingen zien die iemand gedaan had en ging uit van diens goede bedoelingen. Hij veronderstelde als vanzelfsprekend dat zondaars reeds voor zichzelf boete hadden gedaan. Nooit wilde hij zich een oordeel aanmatigen, want dat komt immers alleen God toe. Hij bedankte hen die kwaad over hem hadden gesproken, omdat ze hem hadden herinnerd aan zijn zonden, en hij liet hun nog meer geven dan aan de anderen.
Om hardnekkige en hoogmoedige zondaars te vermanen schreef hij aan zichzelf hun zonden toe en vroeg hen voor hem te bidden opdat hij zich zou mogen bekeren. Om deemoed en berouw op te wekken, hield hij zijn gelovigen voor hoeveel God voor ons heeft gedaan, Zijn grote werken in de schepping, en hoe Hij Zijn eigen Zoon gezonden heeft voor onze redding, en welk een eindeloos geduld Hij betoont tegenover onze ontelbare fouten en tekortkomingen.
Hijzelf deed allereerst wat hij anderen leerde. Op een zondag, toen hij de Goddelijke Liturgie vierde, omringd door de geestelijkheid en heel het volk, hield hij plotseling op voordat hij de woorden van de consecratie zou uitspreken. Hij vroeg aan de diaken opnieuw te beginnen met de litanieën en zond een ander uit om een van de geestelijken te halen die niet aanwezig was. Toen deze kwam, wierp Johannes zich voor hem neer om vergeving te vragen, en eerst nadat zij zich met elkander hadden verzoend, ging hij weer naar het Altaar om de Heilige Liturgie te vervolgen.
Johannes, die zelf een getrouwd man was geweest, had een grote liefde voor het monniksleven. Bij zijn kathedraal had hij kloosters zowel voor monniken als voor monialen, die hij als persoonlijke vrienden beschouwde, om voor hem en zijn werk te bidden. Zelf had hij in zijn luxueus paleis een armoedig ingerichte cel waar hij leefde, en ook wel bekenden ontving. Een van zijn rijke vrienden zag eens het vod dat op zijn bed lag, en kocht een mooie deken voor hem. De volgende nacht kon Johannes niet slapen bij de gedachte dat zoveel armen kou en honger leden, terwijl hij zich met zulk een luxe bedekte. Hij liet dan ook prompt de prachtige deken verkopen om de opbrengst te kunnen uitdelen. Zijn vriend zag op de markt die deken liggen, kocht hem terug en gaf hem opnieuw aan de patriarch. Geen van beiden wilde toegeven en dit spel herhaalde zich een aantal malen, zodat er een belangrijk bedrag aan aalmoezen uit zijn zak werd geklopt.
Toen het bericht kwam dat de Perzen Jeruzalem en de heilige plaatsen hadden verwoest, zat Johannes neer en hief een weeklacht aan, en hij treurde en weende of zijn eigen leven te gronde was gegaan. Een diep verdriet beving hem en hij rouwde het gehele volgende jaar. Tegelijk bracht hij een grootscheepse organisatie op gang om hulp te bieden. Hij zond geld en grote voedselvoorraden, kleding voor geestelijken en leken, en speciale benodigdheden voor de zieken. Hij kocht de gevangen monialen vrij en regelde waar zij konden worden opgevangen, maar ook voor ontelbare andere gevangenen bracht hij het losgeld bijeen. De Perzische vijanden gaven hem toen voor het eerst de bijnaam “de Barmhartige”. Ook streefde hij ernaar om de vluchtelingen zoveel mogelijk geëigend werk te verschaffen.
Met het binnenstromen van de vluchtelingen kwamen ook allerlei besmettelijke ziekten de stad binnen, die veel slachtoffers maakten en uitgroeiden tot een epidemie. Toen was Johannes bij de eersten om de zieken te verzorgen en de doden te begraven, en hij wekte daartoe ook zijn gelovigen op. En hij bracht hun de broosheid van het menselijk bestaan onder ogen en de noodzaak om boete te doen.
Dat alles had natuurlijk ook invloed op zijn kerkelijke taak. Terwijl er bij zijn aankomst nog maar 7 kerken in handen van orthodoxe geestelijken waren, waren in de laatste jaren van zijn bestuur vrijwel alle 70 kerken in bedrijf met zijn zegen. Toch was hij heel strikt wat het geloof betreft, al was hij nog zo barmhartig en deemoedig. Hij hield van de monofysieten en sloot hen in bij al zijn weldaden, maar hun dwaling bleef hij veroordelen en hij verbood de orthodoxen deel te nemen aan hun diensten en gebeden.
Intussen was er in het Perzische leger een aanvoerder aan het bewind gekomen die het bijzonder op Johannes had voorzien. En toen zijn troepen Egypte binnenvielen en hele landstreken verwoestten, wilde de bejaarde Johannes naar de keizer gaan om de verdediging te organiseren. Hij ging daartoe eerst naar Cyprus, waar nog een mislukte moordaanslag op hem werd ondernomen. Hij nam afscheid van zijn geboorteplaats, maar daar overviel hem een laatste ziekte, en in het jaar 620 mocht hij terugkeren tot de Heer, Die hij zozeer had liefgehad. Zijn laatste woorden waren: “lk dank U, Heer, dat Gij mij hebt waardig geacht al het Uwe terug te schenken aan U”. Hij was 64 jaar oud geworden.
Aan zijn vrienden had hij verteld hoe hem, toen hij een jongen was van 15 jaar, in zijn droom een vrouw was verschenen, stralend van edele voornaamheid, en die zichzelf noemde: de gepersonificeerde Barmhartigheid die Christus ertoe had gebracht mens te worden voor onze verlossing. Op zijn sterfbed verscheen zij hem opnieuw en beloofde voor hem het koninkrijk der hemelen te openen.

De heilige Nilos, monnik in de Sinaï-woestijn. Hij was prefect van Constantinopel onder de keizers Theodosios en Arkadios, en met een steeds groeiende liefde nam hij de onderrichtingen van de heilige aartsbisschop Johannes Chrysostomos in zich op. Hij was gelukkig getrouwd en had kinderen, maar de liefde tot God drong hem steeds meer ertoe de wereld te verlaten en als kluizenaar te gaan leven. Langzamerhand wist hij zijn vrouw met dit plan te verzoenen, en ook zij zou met hun dochter in het klooster gaan. Toen vertrok hij met hun zoon Theodoulos naar de woestijn van Sinaï. Daar vestigden zij zich in een van de grotten, waarvan er vele door verschillende monniken, werden bewoond.
Eens werd bijna de gehele groep door plunderende Arabieren uitgemoord. Nilos, die juist afwezig was, bleef gespaard. De nog jonge Theodoulos werd als buit meegenomen en als slaaf verkocht (zie 14 januari). Hij werd vrijgekocht door de bisschop van Emesa, die hem onder de clerus opnam, daar hij meende dat zijn vaders ook tot de slachtoffers, behoorde. Nilos, die zijn zoon niet bij de slachtoffers had gevonden, begreep dat die meegenomen was, en hij trok overal rond om hem te zoeken. Welk een vreugde moet het zijn geweest toen hij hem terugvond in Emesal
Zij trokken samen opnieuw naar de Sinaï, en werden verder met rust gelaten. Nilos schreef verschillende werken over het geestelijk leven, die zijn opgenomen in de Filokalia, over monniksleven, over het gebed, die nog steeds van nut zijn. Er bestaan nog van hem 14 boeken en een groot aantal brieven met geestelijke leiding. Ook stond hij in briefwisseling met de kerkelijke kringen in de verschillende hoofdsteden van het rijk, en hij protesteerde op allerlei plaatsen tegen de verbanning van de heilige Johannes Chrysostomos, zij het zonder resultaat. Tevens poogde hij de naam die hij bezat door zijn adellijke afstamming te gebruikenom te bemiddelen waar aan mensen onrecht werd aangedaan.
De laatste brief die wij nog van hem bezitten (aan de ariaanse vorst Gainas)‚ dateert van 430. Nilos is waarschijnlijk gestorven tegen het jaar 450, toen hij ongeveer 60 jaar oud was. Zijn lichaam werd een eeuw later overgebracht naar Constantinopel en bijgezet in de kerk van de heilige Petros en Paulos.

De heilige Ahias (Achias), profeet uit de tijd van en na Salomo (1 Kon. 11: 29-39). Hij verbleef in de aloude profeten-woonplaats Silo, waar zich eerst het joodse heiligdom bevond. Hij wordt vooral genoemd met zijn voorzegging van de uiteenscheuring van het joodse rijk na de dood van Salomo, als straf voor diens deelname aan de afgodendienst van zijn bijvrouwen. Hij is gestorven ongeveer 1000 voor Christus.

De heilige Nilos de Myronvloeiende, was tegen het einde van de 16e eeuw geboren in Hagios Petros, een dorpje in de Peloponnesos. Na de dood van zijn ouders werd hij opgevoed door zijn oom, de hiëromonach Makarios, die hem liefde bijbracht voor de ascese en het gebed. Samen gingen ze naar het klooster van de Ontslaping van de Moeder Gods in Malevia, waar Nilos monnik werd en op den duur priester gewijd. Toen het verlangen naar een leven van uiterste teruggetrokkenheid steeds sterker werd, vertrok hij naar de Athos, waar hij op de steile zuidhelling van de berg een grot vond. Het was de streek waar ook de heilige Petros de Athoniet had geleefd, hetgeen hem deed denken aan zijn geboortedorp. Vrijwel onbekend is hij daar in vrede gestorven op de 12e november 1651, en hij werd bij zijn grot begraven. Uit het graf vloeide toen een heerlijk geurende myron in zulk een hoeveelheid, dat deze honderden meters over de rotsen stroomde tot in zee, waar vissers het verzamelden en de genezende werking ervan ondervonden.

De heilige Martinus, paus van Rome van 649 tot 655. Hij stond bekend om zijn grote geleerdheid en om zijn heilig leven. Toen hij nog diaken was, werd hij als afgezant van de paus naar Constantinopel gezonden, waar hij een belangrijke rol speelde in de strijd tegen het monotheletisme. Ook in Rome was zijn eerste daad nadat hij tot paus was gekozen, een plaatselijk concilie bijeenroepen met hetzelfde doel. Op valse beschuldiging van samenzwering tegen de keizer moest hij in 654 in Constantinopel terecht staan. Hij werd verbannen naar Chersonesos in de Krim, waar hij ten gevolge van de vele mishandelingen het volgende jaar stierf.

De heilige Cunibert, aartsbisschop van Keulen van 623 tot 663, was eerst diaken van de kerk van Trier. Hem werd persoonlijk de titel van aartsbisschop gegeven om zijn grote geleerdheid en zijn grote verdiensten voor de Kerk. Hij had veel invloed ten goede op koning Sigebert van Austrasië en organiseerde de kerk in Keulen. Overal bouwde hij kerken en kloosters, en zijn wijs oordeel en strikte onpartijdigheid maakten hem tot een veel gezocht raadsman, ook in politieke aangelegenheden. Daardoor heeft hij veel kunnen doen voor de vrede.

De heilige Martinus, bisschop van Tarracina (ten noorden van Rome). Hij was afkomstig uit Savaria in de Balkan, aan de Adriatische Zee. Als priester die de orthodoxie verdedigde, werd hij vervolgd door het ariaanse bewind en uit het land verbannen. Hij kwam als vluchteling naar Milaan, maar kreeg ook daar te maken met een ariaanse bisschop. Zijn toevlucht was toen een verlaten eilandje, waar hij leefde van de eetbare wortels die hij er vond, en waar hij een leven leidde van ascese en gebed. Door vissers raakte zijn heilig leven bekend op het vasteland, en de bewoners van Tarracina kozen hem als bisschop.
Het ascetische leven sluit iemand niet op in zichzelf, maar maakt hem juist gevoelig voor de noden van anderen. Dit bleek opnieuw in het verdere leven van Martinus. Op bijzondere wijze trok hij zich het lot van de armen aan, hij gaf alles weg waarover hij kon beschikken, tot zijn eigen kleren toe. Hij is in vrede gestorven.

De heilige Livinus, patroon van Gent, was afkomstig uit Ierland en werd door de heilige Augustinus van Canterbury priester gewijd. Hij kwam als bisschop-missionaris naar België en begon zijn missiewerk met een retraite van 30 dagen bij het graf van de heilige Bavo in Gent. Elke keer wanneer hij op zijn reizen Gent passeerde, vierde hij daar ook de heilige Liturgie. Hij heeft vooral in Zeeland en Brabant gewerkt, en hij kwam tot in Zierikzee, waar hij nog op een speciale wijze vereerd wordt. Vaak verbleef hij in Houthem bij een arme weduwe, en deelde in elk opzicht in haar armoede. Op een tocht in België is hij te Essen vermoord, in 657.

De heilige Paternus, monnik van Saint Pierre-le-Vif, legde zich al heel vroeg toe op armoede, deemoed en strenge ascese. Hij leefde in verschillende kloosters, op zoek naar een steeds strenger leven. Op zijn laatste tocht, tegen het jaar 726, werd hij in het Sergines-woud opgepikt door een roversbende. Toen hij hen poogde af te brengen van hun slechte levenswandel, sloegen zij hem neer. In die tijd begon men de titel “martelaar” te geven aan personen die op een heilige manier hadden geleefd en een gewelddadige dood waren gestorven. Zo is ook Paternus een martelaar.

De heilige Cummian Fada‚ abt van Kilkomin in Ierland. Hij nam deel aan de strijd over de paasdatum en schreef daarover een goed gedocumenteerde verhandeling waaruit zijn kennis van de Griekse Kerkvaders blijkt. Hij was geboren in 592 en is op 70-jarige leeftijd gestorven in 662.

De heilige Aemilianus (Milhan) was geboren in een arm gezin op het Spaanse platteland. Hij leefde een tijd lang als schaapherder, maar werd, toen hij 20 jaar oud was, monnik onder leiding van de kluizenaar Felix. Toen hij geleerd had om meester te zijn over zichzelf, ging hij naar Vergeye in Arragon. Daar vond hij een schuilplaats in het ontoegankelijke bergland, waar hij 40 jaar als kluizenaar leefde.
De bisschop wijdde hem toen priester en stelde hem aan over Vergeye, maar Aemilianus gaf de kerkgoederen weg aan iedereen die erom vroeg, zodat het levensonderhoud van de andere geestelijken werd aangetast. De bisschop zag toen in dat Aemilianus wel een bewonderenswaardige kluizenaar was, maar daarom nog geen geschikte parochiepriester behoefde te zijn. Hij zond hem daarom terug naar zijn kluizenarij, waar Aemilianus nog leefde tot hij bijna 100 jaar oud was. Ook daar zorgde hij voor de armen voor zoveel hem maar mogelijk was, en met grote vriendschap ontving hij de velen die kwamen om zijn raad te vragen. Slechts tijdens de Grote Vasten sloot hij zich op in zijn cel en wilde hij niemand ontvangen. Hij is gestorven in het jaar 574. Op de plaats van zijn graf, waar voortdurend bedevaartgangers heen trokken, ontstond op den duur een aan Aemilianus gewijd klooster.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren Arsakios, met het zwaard gedood; Sabbas Nigdelinos, nieuwe martelaar, gedood te Constantinopel in 1726; en Nikolaas van Marmora, gedood te Constantinopel in 1732.

Eveneens op deze dag de heilige Leo, patriarch van Constantinopel van 1134 tot 1143; René‚ bisschop van Angers en Sorrento; Macarius, bisschop in Schotland tegen 787; Rufus, 1e bisschop van Avignon; Liguarius‚ bisschop van Saintes; Evodius (Vosy), Scutarius, Armentarius, Aurelius en Benignus, bisschoppen van Velay, 5e tot 7e eeuw; Hesychius, bisschop van Vienne; Johannes de Harige, dwaas om Christus te Rostov‚ 1580; en Aurelios en Publios, bisschoppen in Klein-Azië.

Vandaag ook de gedachtenis van de icoon van de Barmhartige Moeder Gods, die smeekt tot haar Zoon voor het gehele christenvolk, op de berg Kiko op Cyprus.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.