vorige dag           volgende dag

Heiligenjaar   -   13 november

De heilige Antoninos, Germanos, Nikeforos, Zebina en de maagd Ennatha ondergingen hun lijden tijdens de grote vervolging van Maximinus te Caesarea in Palestina, in 308. De drie edellieden die de gouverneur wilden weerhouden om een afgodenoffer op te dragen, werden zonder meer onthoofd, maar het meisje Ennatha uit Scytopolis werd wreed gefolterd en aan de bespotting van de soldaten uitgeleverd, die haar naakt door de stad sleepten en daarna levend verbrandden.

De heilige Johannes Chrysostomos, onze heilige vader, aartsbisschop van Constantinopel. Hij werd geboren rond de helft van de 4e eeuw in Antiochië. Zijn vader, de generaal, stierf kort na zijn geboorte. Johannes werd opgevoed door zijn moeder Anthusa, die toen nauwelijks 20 jaar was, maar toch niet opnieuw wilde trouwen.
Sinds enkele tientallen jaren was het christendom staatsgodsdienst geworden, maar grote delen van het openbare leven, zoals de hogere studies, waren nog vrijwel geheel in heidense handen. Ook Johannes werd geschoold in heidense filosofie en retorica, onder andere door de beroemde Libanios, die de buitengewoon begaafde jongeman graag als zijn opvolger had gezien.
Johannes had echter volkomen andere plannen. Toen hij 18 jaar oud was, werd hij, volgens de gewoonte van die tijd, gedoopt. Dat betekende voor hem een volkomen verandering van leven. Hij was nu met Christus bekleed en behoorde zich dan ook als Christus te gedragen. Nooit zou hij meer een enkele onwaarheid spreken, nooit meer iemand beledigen of kritiseren of zelfs maar een beetje belachelijk maken. Evenals zijn vriend Basilios, die een grote invloed op hem had, gaf hij alle wereldse relaties op om thuis een ascetisch leven te leiden. Hierin ging hij heel ver, naar zijn later inzicht: onverstandig ver, zodat hij ernstig schade deed aan zijn, gezondheid. Maar God houdt van zulke geweldenaars en Johannes kwam reeds spoedig tot een blijvende toestand van gebed. In alle omstandigheden bewaarde hij een onverstoorbare kalmte en beminnelijke vriendelijkheid.
Zo’n jongeman trok natuurlijk wel de aandacht, en toen hij 25 jaar oud was, wilde de bisschop van Antiochië hem priester wijden. Daar schrok Johannes voor terug: hij had een onbereikbaar hoog idee van het priesterambt. Hij wist het klaar te spelen dat zijn studievriend Basilios in zijn plaats werd gewijd.
Bij de dood van zijn moeder voelde Johannes zich vrij om zich radicaal aan God te wijden. Hij schonk al zijn bezit weg en ging naar de kluizenaars in de bergen. Zij leefden daar onder leiding van een Syrische asceet in gehoorzaamheid, volkomen armoede, vasten en gebed. Men stond op om middernacht voor de gezamenlijke gebedsdienst, die duurde tot het aanbreken van de dag. Daarna ging ieder naar zijn cel om de gehele dag door te brengen met vlechtarbeid en het overdenken van de Heilige Schrift. Pas na zonsondergang werd wat brood gegeten, gesproken over een geestelijk onderwerp en een beetje gerust tot het weer tijd was om op te staan om middernacht.
Nadat hij zo vier jaar voorbeeldig temidden van de broeders had geleefd, mocht Johannes zich terugtrekken in de volkomen eenzaamheid, in een grot, om het gevecht te leveren dat het lichaam volkomen moest onderwerpen aan de geest. Al zijn tijd bracht hij nu door met het inwendig gebed en het bestuderen van de Schrift, waarvan hij een ongeëvenaarde kennis verwierf. Hij gunde zich zelfs geen rust om te slapen, maar bleef staande hangen aan een touw. Johannes was al niet zo robuust, en met deze levenswijze haalde hij zich een ernstige nierkwaal op het lijf, die hem binnen het jaar naar de stad terugdreef. Maar hij had intussen een enorme bijbelkennis opgedaan, en zo jong als hij was, kon hij reeds met autoriteit beginnen aan verschillende verhandelingen over het geestelijk leven.
Toen hij in Antiochië weer een beetje was uitgerust, werd hij in 380 diaken gewijd door de heilige bisschop Meletios. Diens opvolger, Flavianos, wijdde hem vijf jaar later priester. Het volk van Antiochië ontving met enthousiasme deze heilige en talentvolle prediker, die nu 12 jaar lang geestelijke leiding gaf aan een gehele stad, waarvan het innerlijk leven al sinds jaren in een jammerlijke toestand verkeerde. Hij ging preken in de verschillende kerken, en het volk stroomde van alle kanten toe, en onderbrak hem soms met een donderend applaus. Hier verdiende hij ten volle de naam Guldenmond die hem al spoedig gegeven werd. Zijn woord drong werkelijk in de harten en verhief de zielen tot God. Zijn prediking was geheel gegrond op de Schrift: hij hield ervan deze uit te leggen, de letterlijke zin aan te geven, en te laten zien hoe de grootsheid van het Godsplan daarin telkens naar voren komt, en hoe dit rechtstreeks betrekking heeft op ons gewone dagelijkse leven. Hij schouwde in de diepe afgrond der goddelijke Mysteriën, en drong door tot de bodem van de rijkdom der geloofswaarheden. Tegelijk echter liet hij zien hoe dit alles uitstraalt in de heilige deugden, in het bijzonder de vrijgevigheid, gerechtigheid, deemoed en rouwmoedigheid van het hart dat zijn volle vertrouwen stelt op de oneindige grootheid van Gods barmhartigheid.
Maar het preken was niet zijn enige bezigheid. Hij organiseerde ook de bijstand, hij celebreerde de diensten, gaf leiding aan de gebeden, zocht contact met de zielen die hij ontmoette, en kwam zelfs tussenbeide in politieke aangelegenheden, zoals bijvoorbeeld het bemiddelen tussen het volk en de keizer toen in een spontaan protest de beelden van de keizer omver geworpen waren en er bloedig wraak werd geoefend: toen hield hij zijn beroemde preken-serie “over de beelden”.
In 397 werd hij onder een of ander voorwendsel naar Constantinopel gelokt, en het volgend jaar werd hij bij verrassing tot aartsbisschop van de hoofdstad aangesteld. Ook hier trok hij grote, enthousiaste menigten overal waar hij predikte. Uit heel zijn optreden bleek een vaderlijke liefde voor ieder van zijn gelovigen. Vol vreugde was hij wanneer ze voortgang maakten, en de tranen liepen hem over de wangen wanneer zijn smeken om verbetering zonder resultaat bleef.
Voortdurend viel hij de welgestelden aan, zonder enige dankbaarheid te tonen voor de hovelingen die zijn benoeming hadden ondersteund. Hij verweet hun hun luxe, de genoegens waarmee zij zich omringden, de oneerlijkheid van hun vroomheid. Zelf gaf hij tot het uiterste het voorbeeld van evangelische armoede en ontzegde zich elke luxe waaraan men bij de bisschoppen gewend was. Allerlei kostbaarheden uit zijn paleis liet hij verkopen om geld te hebben om weg te geven, en voor de bouw van ziekenhuizen en opvangruimten voor vreemdelingen. Hij hield niets voor zichzelf, en maakte een einde aan het tijdverlies van uit dineren gaan door altijd alleen te eten, en net voldoende om zijn ziek en verzwakt lichaam overeind te houden. Maar wel beoefende hij op grootse wijze de gastvrijheid en hij bezocht zelf de zieken en gevangenen, en bracht hulp aan armen die in nood waren.
Als tegenwicht voor het vele en lang niet onschuldige vermaak dat een grote stad te bieden heeft, organiseerde hij bijeenkomsten en processies, zodat van de ochtend tot de late avond het psalmgezang door de stad weerklonk. En hij hield nachtelijke vigilies opdat zij die overdag moesten werken, ook tot bidden konden komen in de stille rust van de nacht. Bovendien wekte Johannes zijn gelovigen op de slaap te onderbreken om een tijdje te bidden. In die tijd stelde hij ook de gebeden samen van de Goddelijke Liturgie die wij nog altijd vieren en die zijn naam draagt.
Wanneer hij celebreerde zag hij vaak een menigte engelen uit de hemel afdalen om plaats te nemen rond het Altaar. Want ondanks alle beslommeringen die zijn herderlijke taak meebracht, bleef zijn voornaamste bezigheid toch het beschouwend gebed en het overdenken van de Heilige Schrift. Hij was daarin dikwijls zo verdiept dat hij vergat om te eten of te gaan rusten.
Tot zijn herderlijk werk behoorde ook het herstel van de tucht bij de geestelijkheid, een taak die hij met energie ter hand nam. Hij liet ook bisschoppen afzetten die door omkoperij hun wijding hadden verkregen. Tevens droeg hij zorg voor zendelingen die het Evangelie verbreidden onder de barbaren, vooral de Gothen. Aan dezen stelde hij een van de stadskerken ter beschikking.
Dit alles lokte natuurlijk de vijandigheid uit van bepaalde kringen die allerlei voorwendsels gingen zoeken om die heilige maar lastige bisschop kwijt te raken. De bescherming die hij had geboden aan de uit Egypte verdreven monniken‚ de Lange Broeders, bood een handvat om een zaak tegen Johannes aanhangig te maken. In 403 werd de Eikensynode gehouden, waartoe alleen tegenstanders van Johannes werden toegelaten. Daar werd hij op grove wijze belasterd, afgezet en tot verbanning veroordeeld. Het volk stond klaar om in opstand te komen, maar hij wilde geen bloedvergieten en ging gewillig mee met de soldaten die hem moesten wegvoeren naar Bithynië. Nauwelijks was hij echter op weg, of een verwoestende aardbeving trof de stad. Het volk kwam in beweging en keizerin Eudoxia werd bang. Johannes werd teruggeroepen onder uitbundig enthousiasme van het volk.
De goede verstandhouding met de vorstin duurde slechts enkele maanden: Johannes was niet te vinden voor een compromis. Toen keizerin Eudoxia voor zichzelf een standbeeld liet oprichten en dat met wilde feesten liet inwijden, protesteerde Joannes tegen deze verafgoding en hij bracht zelfs de goddeloze Izebel uit het Oude Testament ter sprake. Er volgde een bloedige represaille‚ juist in de doopnacht van Paaszaterdag. Soldaten vielen de kerk binnen en het bloed vloeide in de doopbekkens. Johannes werd gevangen gehouden in zijn paleis en in de Pinksterweek kwam een nieuw bevel tot verbanning.
Hij werd eerst naar Nicea gevoerd, en vandaar naar Kukuza in Klein-Armenië, een onrustige grenspost met een ruw klimaat, veelvuldig voedselgebrek en invallen van barbaren. Daar leefde hij vrijwel geheel geïsoleerd. Wel kon hij een drukke correspondentie voeren om de achtergeblevenen te troosten, die van allerlei vervolgingen te lijden hadden.
Op deze wijze was Johannes dus nog steeds niet uit het leven van de Kerk verdwenen, er werd dus bevolen om hem naar een nog afgelegener grenspost te doen gaan, Komana in Pontus, aan de voet van het Kaukasus-gebergte, aan de Zwarte Zee. Drie maanden duurde de tocht, de doodzieke balling werd gedwongen zich te voet voort te slepen over ruwe bergwegen. Zijn laatste nacht bracht hij biddend door in een kapelletje van de heilige Basiliskos, dat aan de weg was gelegen. De heilige verscheen hem, sprak hem moed in en beloofde dat zij de volgende dag verenigd zouden zijn. ‘s Morgens vroeg hij zijn witte kleren, ontving de heilige Mysteriën en gaf daarna zijn ziel aan God terug met de woorden: “Ere zij God voor alles!” Het was 14 september 407. Dertig jaar later werden zijn relieken in triomf naar Constantinopel teruggebracht, op 27 januari 438.
De heilige Johannes Chrystostomos heeft een enorme invloed uitgeoefend op heel de Kerk. De door hem herziene Goddelijke Liturgie wordt dagelijks gevierd in heel de wereld. Zijn feestpreek vormt het hoogtepunt van de grootste viering van de Orthodoxe Kerk, de Paasnacht. Zijn boeken worden gelezen en bestudeerd in alle christelijke kerken. Zijn commentaren op de Evangeliën en de Brieven van Paulos vormen nog altijd een kostbaar bezit.
Deze lichamelijk kleine, tengere, zieke man was geestelijk een reus, een meeslepend leider, altijd op de bres voor de zwakken en aanklager van de machtigen. Hij weerstond keizers, maar was vol brandende liefde voor God. In 1204 werd zijn graf geschonden door de infame 4e Kruistocht, toen Constantinopel werd aangevallen in plaats van de Turken. De beenderen van de heilige Johannes zijn toen verspreid geraakt over heel ltalië.

De heilige Damascenos, nieuwe martelaar uit Galata bij Constantinopel. In zijn jeugd nam hij uit onwetendheid de islam aan, maar toen hij later tot de ontdekking kwam wie Christus is, kreeg hij hartstochtelijk berouw. Hij trok naar de Athos om weer tot de kerk terug te keren en boete te doen door het strenge monniksleven. Steeds beweende hij dat hij Christus verloochend had, maar nadat hij 12 jaar zo geleefd had, voelde hij zich gedrongen op nog veel radicalere manier boete te doen. Hij maakte van de gelegenheid dat de patriarch op bezoek was, gebruik om met hem mee terug naar Constantinopel te gaan. Hij begon de moslims op te roepen zich tot Christus te bekeren. Dit was zo iets ongewoons, dat men hem voor gek versleet en zijn gang liet gaan. Maar toen Damascenos steeds door bleef gaan, en zelfs de vizier opriep zich te bekeren, werd hij herhaalde malen gegeseld, en tenslotte onthoofd voor de poort van het patriarchaat, in 1681. Zijn lichaam bleef drie dagen liggen en werd toen door de christenen vrijgekocht en begraven op het eiland Chalki.

De heilige Brictius (Brix, Britius), bisschop van Tours, was van zijn jeugd af opgevoed in het klooster van de heilige Martinus, die hem als vondeling had opgeraapt. Hij was niet erg onder de indruk van zijn heilige opvoeder, en toen hij zelf diaken was, sprak hij wel over hem als die oude dwaas die niets beters weet dan naar de hemel te staren. En toen Martinus hem eens onderhield over zijn spilzucht en dat hij zich zelfs knappe slavinnetjes aanschafte, antwoordde Brictius woedend dat hij een betere christen was dan Martinus, want hij was van zijn jeugd af in een klooster opgevoed, terwijl Martinus in de losbandige omgeving van het leger was opgegroeid en daarom op zijn oude dag met allerlei gekke ascetische praktijken bezig was en aan hallucinaties leed. Even later kwam de driftkop dan wel weer tot bezinning en vroeg vergeving. Martinus zei in vrome wraakzucht dat hij voor de ander gebeden had dat die ook bisschop van Tours zou worden, maar dat hij het niet gemakkelijk zou hebben.
Maar Brictius verbeterde zich niet en beging zelfs misdaden. De heilige Martinus kon er echter niet toe komen hem af te zetten als priester omdat het dan persoonlijke wraakzucht zou lijken, en hij zei: “Christus heeft Judas bij Zich gehouden, waarom zou ik dan Brictius niet verdragen?”
Toen de heilige Martinus stierf, werd Brictius tegen het jaar 400 gekozen als zijn opvolger. Hij toonde nog weinig verbetering en er ontstonden zoveel schandalen dat hij werd afgezet en de vlucht nam naar Rome, waar hij boete deed voor zijn zonden. Na een 40-tal jaren kwam hij terug en werd alsnog als bisschop van Tours erkend. Nu leidde hij nog gedurende 7 jaar een eerbiedwaardig leven, en na zijn dood in 444 werd hij als een heilige erkend. Hij werd een van de populairste heiligen, zowel in Frankrijk als in Engeland.

De heilige Devinicus was een oude priester in Schotland, die een warme vriendschap sloot met de heilige Machar die daar kwam prediken (wiens gedachtenis vandaag eveneens wordt gevierd). Zij verdeelden het missiewerk onder elkaar, en toen Devinicus na verschillende jaren stierf, vroeg hij dat zijn lichaam gebracht zou worden naar de kerk waar Machar verbleef. Het volk ging inderdaad met het lichaam op weg, maar zij konden er niet toe komen hun vereerde priester buiten hun grondgebied te brengen, en begroeven het in een grensdorp. Daar werd een kerk gebouwd op zijn graf en de plaats heet sindsdien Banqukory Devynik. Hij leefde in de zesde eeuw.

De heilige Maxellendis, dochter van een adellijk echtpaar uit de omgeving van Arras, had als jong meisje haar maagdelijkheid aan God gewijd. Haar ouders vonden dat maar onzin en arrangeerden een huwelijk met Hardwin, een jonge edelman, zonder zich iets aan te trekken van de protesten van hun dochter. “Als je God wilt dienen kun je dat net zo goed als getrouwde vrouw, vonden ze, maar Maxellendis hield vol dat zij een gelofte had gedaan.
De trouwpartij werd voorbereid Hardwin kwam met zijn aanhang, maar vond een bruid die hardnekkig weigerde hem te aanvaarden, hoezeer haar vader ook raasde en tierde, hoezeer Hardwin smeekte en bad, en tenslotte in woede ontstak. Het meisje bleef onbuigzaam en de bruidegom in spe moest onverrichterzake wegtrekken.
Toen arrangeerden de ouders met hem de mogelijkheid dat hij haar zou kunnen schaken. Zij trokken met al het dienstpersoneel naar een of ander feest en lieten het meisje met haar min alleen in huis achter. Hardwin kwam met een stel vrienden en eiste toegang, Maxellendis verborg zich in een koffer, maar toen de indringers het gehele huis overhoop haalden, werd zij gevonden en uit de kist getrokken, Het krachtig gebouwde meisje verzette zich uit alle macht, wist zich los te rukken en weg te lopen, maar werd door de troep ingesloten en weer gepakt. Zij verzette zich daarbij zo hevig dat Hardwin in onbeheersbare woede ontstak en zo hard op haar insloeg dat zij dood neerviel.
Dodelijk verschrikt zag de groep wat zij hadden aangericht, en zij sloegen op de vlucht. Het lichaam van het meisje werd begraven, eerst in Caudry, en later werden haar relieken overgebracht naar Kamerijk, en zij werd vereerd als martelares omwille van de maagdelijkheid.

De heilige Columba, maagd-martelares. Zij was ter dood gebracht door de heidense koning van Cornwall, op 13 november van een onbekend jaar. Haar feest wordt daar op de erna volgende zondag met een kermis gevierd.

De heilige Arcadius, Eutychianus, Probus en Paschasius met zijn broertje Paullillus, die uit Spanje naar Noord-Afrika waren verbannen tijdens de vervolging der Vandalen. Toen zij ook daar niet wilden overgaan tot het Arianisme, werden zij wreed gefolterd en op verschillende wijzen omgebracht. Alleen de kleine Paulillus werd, na herhaalde malen te zijn afgeranseld, in leven gelaten en als slaaf ingezet bij de rioleringswerken.

De heilige Abbon, abt van Fleury, was geboren te Orléans maar werd opgevoed in het klooster van Fleury, waar hij ook monnik werd. Hij was een geleerde en leidde een heilig leven en werd daarom door de heilige Oswald uitgenodigd om hoofd van de kloosterschool te zijn in de abdij van Ramsey. Later werd hij abt van zijn eigen klooster, en werd hij ook door de Franse koning als afgezant naar Rome gezonden voor belangrijke staatszaken.
Toen in 1003 de van Fleury afhankelijke abdij van Squirs weer werd opgebouwd, die door de Noormannen was verwoest, ging Abbon daar herhaalde malen heen om allerlei zaken te regelen. Toen hij tussenbeide wilde komen bij een vechtpartij van de knechten van die abdij met de omwonende boeren, werd hij door een lans doorboord. Hij stierf in 1004, en om zijn heilig leven werd hij sindsdien als martelaar vereerd.

De heilige Machar (Mauricius, Mochumma, Dochonna of Tochannu)‚ een prins van Ulster‚ werd monnik bij de heilige Columba op Iona. Hij predikte onder de Picten, van wie hij velen tot het geloof heeft gebracht. Hij vergezelde de heilige Columba toen deze uit Ierland werd verbannen. Columba trachtte vergeefs hem daarvan te weerhouden, maar Machar zwoer hem dat hij hem zou volgen waarheen hij ook zou gaan. Hij is gestorven tegen het einde van de zesde eeuw.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren Mitrius (Merre), onder foltering ter dood gebracht onder Diokletiaan te Aix-en-Provence tegen 300, hij is de voornaamste patroonheilige van die stad; en Solutor, Valentinus en Victor, onder Diokletiaan te Ravenna.

Eveneens op deze dag de heilige Quintianus, bisschop van Clermont; Gendulfus, een bisschop, wiens relieken zich te Parijs bevinden; Quintianus, bisschop van Avernes, 6e eeuw; Eugenius, bisschop van Toledo; Amandus, bisschop van Rennes, tegen 500; Leonius, monnik, tegen 518; Dalmatius, bisschop van Rodez, tegen 580; en Kilianus, monnik rond 600.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.