vorige dag           volgende dag

Heiligenjaar   -   16 november

De heilige Mattheos (Levi), apostel en evangelist. Hij was tollenaar, belastingbeambte, voor joodse begrippen een collaborateur met de Romeinse bezetters. Maar Christus vond hem niet te min: zonder Zich te bekommeren om de smalende opmerkingen van de Farizeeën zei Hij tot de gehate belastingman in zijn kantoor: “Volg Mij”. En Mattheos beantwoordde ogenblikkelijk aan de roepstem van Christus (Mt 9: 9-13). En door het Evangelie dat hij schreef, leren we deze bijzondere mens nog veel beter kennen. De keuze die hij maakt uit het rijke feitenmateriaal van Jezus’ leven op aarde tekent zijn persoonlijkheid.
Heel veel van Christus weten we alleen door hem: de geschiedenis van de Wijzen uit het Oosten; de vlucht naar Egypte; veel parabels: over de parel, de schat in de akker, de onbarmhartige knecht, de koninklijke bruiloft, de wijze en dwaze maagden, het Laatste Oordeel. En tot welk een spontane liefde was hij in staat: dat hij, op een enkel woord, zijn lucratieve broodwinning in de steek liet voor een onzeker zwerversleven maar samen met de Meester.
Hij predikte het Evangelie in Palestina, Syrië, Medië, Perzië, Indië en Ethiopië. Maar zijn geschreven Evangelie was vooral gericht tot de christenen uit het Jodendom: het gaat uitvoerig in op de afstamming van Christus uit Abraham en David, en gaat steeds na hoe de profetieën uit het Oude Testament in de persoon van Christus in vervulling zijn gegaan. Hij is de vuurdood gestorven in Ethiopië rond het jaar 60.

De heilige Fulvianos was de Ethiopische vorst die de heilige Mattheos had overgeleverd aan het vuur, maar door de wonderen die bij dit sterven plaatsvonden, kwam hij tot het geloof in Christus. ln de doop nam hij de naam Mattheos aan, en hij verkondigde vol ijver het Evangelie. Later werd hij bisschop gewijd, en hij is in vrede gestorven.

De heilige Sergios, gedurende 62 jaar priester van de kerk van Christus’ Verheerlijking te Klein-Pinega (Archangelsk). Hij wordt beschreven als een barmhartige ziel met een rein gemoed en een vreedzaam hart, deemoedig en met een stille zachtmoedigheid, stralend van ongehuichelde liefde. Hij deed veel missiewerk onder de nog heidense Tsjoeden. Tijdens zijn laatste ziekte legde hij de monniksgeloften af om zich nog eens geheel en al aan Christus toe te wijden. Hij is gestorven in 1585.

De heilige Eucherius, bisschop van Lyon, het grootste licht van die kerk na de heilige Ireneos. Hij was gehuwd en had twee zonen (die eveneens bisschop geworden zijn), maar na de dood van zijn vrouw werd hij in 422 monnik in het klooster van Lerins, tot hij in 434 tot bisschop werd gekozen van Lyon. De heilige Mamertus schrijft over hem: “Reeds toen hij jong was, onderscheidde hij zich door een opmerkelijke rijpheid van geest. Hij hechtte weinig waarde aan aardse zaken en toonde een heftig verlangen naar de hemel. Hij gedroeg zich van harte deemoedig, hoezeer hij ook boven allen verheven was door zijn vele talenten. Hij bezat een bijzondere geleerdheid, had grote redenaarsgaven en stak uit boven bijna alle bisschoppen van zijn tijd. Ook schreef hij verschillende boeken over de geloofsleer”.
Zijn brieven waren kort maar vol betekenis wat betreft de christelijke leer. Zij laten zich gemakkelijk lezen maar bevatten uiterst waardevolle onderrichtingen. Ze zijn in elk opzicht de moeite waard om te lezen en te bestuderen. Dat was het oordeel van Salvianus, een belangrijke tijdgenoot. Eucherius nam deel aan verschillende concilies, en hij is gestorven rond 450.

De heilige Gobrian, bisschop van Vannes. Hij was een monnik van de abdij van de heilige Gildas te Rhuys. Na zijn priesterwijding werd hij aangesteld tot kanunnik in Vannes, en acht jaar later werd hij gekozen tot bisschop van die stad. Na een lang bestuur trok hij zich in een kluis aan de Aouste terug, op de leeftijd van 87 jaar. Daar is hij ook gestorven in 725.

De heilige Lebuïnus (Liafwin, Liebwin of Lieven) was een van de Engelse priesters die naar Friesland kwamen om het geloof te verkondigen. Hij werd hartelijk verwelkomd door bisschop Gregorius van Utrecht, de opvolger van de heilige Bonifatius. Deze zond hem naar het district van de Boven-IJssel, omdat hij de taal van de Saksen sprak. De bevolking aan de Veluwe-zijde, Saksen, Angelen en Friezen, waren reeds voor het grootste deel christen, en daar was hij welkom. De Saksen aan de overzijde van de IJssel waren nog heidens.
Deventer was reeds een havenplaats en handelscentrum, en werd daarom gekozen als uitgangsplaats voor de prediking. Lebuïnus sloot vriendschap met Davo, een van de invloedrijkste stadsbewoners, naar wie de stad misschien zelfs genoemd is. Er kwamen veel bekeerlingen en er werd een kerkje gebouwd, dicht bij de haven. Beda heeft de bouw van zulk een houten kerk beschreven: er werd eerst een rechthoek van zware eiken- balken in de aarde gelegd. Deze hadden aan de bovenzijde een diepe groef, en daarin werden de van onderen aangepunte en doormidden gekloofde eikenstammen geplaatst, met de bastzijde naar buiten. Op de aangepunte bovenzijde werden wederom gegroefde balken gelegd, en zo werden de wanden bijeengehouden. De korte kanten van de rechthoek liepen naar het midden toe wat hoger op. Het dak werd gevormd door eiken planken. “De reten tussen de stammen werden met stro dicht gemaakt en met huiden afgedekt. De donkere ruimte werd verlicht door talrijke lampen die aan het plafond waren opgehangen (Vita Sancti Cuthberti).
De prediking sloeg ook aan in de omtrek en er werden kerken gebouwd in Ootmarsum, Heemse aan de Vecht en Oldenzaal. Daar hoorde hij over een bijeenkomst van de heidenen in Marklo aan de Weser. Hij ging erheen en hield een vlammende toespraak tegen de afgodendienst, die een belediging is van de Heer, de Meester van de hemel, de aarde en het heelal, Die alleen in waarheid God is. De woedende menigte wilde hem lynchen, maar werd daarvan weerhouden door een oud stamhoofd, Buto, die hun voorhield dat zij de gezanten van vreemde koningen altijd met respect hadden aanhoord, en dat ook behoorden te doen voor deze gezant van een vreemde God.
Wel werd in de hierop volgende troebelen, toen Karel de Grote de Saksen weer aanviel, het kerkje verbrand dat Lebuïnus in Deventer had gebouwd, maar hij bouwde het weer op en gebruikte het als middelpunt van zijn werk tot aan zijn dood in 773. Zijn lichaam en het Evangelieboek dat hij geschreven had, worden nog in de Lebuïnuskerk van Deventer bewaard.

De heilige Audemarus (Otmar), abt van Sankt Gallen, stamde uit het gravenhuis in Alemanië en werd opgevoed op de domschool van Chur. Daar werd hij later ook priester gewijd en verbonden aan de kerk van de heilige Florinus in Remus (Unter-Engadin). Hij werd daar vol wantrouwen ontvangen: een zoontje uit het naburige, concurrerende graafschap. Maar al spoedig won hij de algemene sympathie door zijn vriendelijk en open optreden. Zijn verblijf daar duurde echter niet lang, want Karel Martel benoemde hem tot abt van Sankt-Gallen.
Dit kloostertje in Steinach was na de dood van de heilige stichter in verval geraakt, terwijl het aantal der monniken steeds verder verminderde. Maar Audemarus begon vol energie aan de reconstructie. ln 720 had hij het bouwvallige houten kerkje vervangen door een stenen abdijkerk. Hij bouwde opvanghuizen voor armen en zieken, richtte woongebouwen op voor de monniken die nu begonnen toe te stromen, en stichtte de eerste school. In 747 voerde hij de Regel van Benedictus in.
De voorspoed van het klooster wekte de afgunst van de bisschop van Konstanz en van de Frankische graaf. Zij begonnen het klooster steeds meer lastig te vallen, ongerechte en zware belastingen te heffen, en allerlei bezit te roven. Audemarus ging op weg naar koning Pepijn om zijn beklag te doen, maar werd onderweg door troepen van de bisschop gevangen genomen. Met behulp van valse getuigen werd een proces tegen hem gevoerd, en daarbij werd hij veroordeeld tot verbanning op het eilandje Werd in het Bodenmeer, bij Stein. Daar is Audemarus gestorven in 759.
Na verloop van tien jaar werd zijn lichaam door zijn monniken overgevaren naar Sankt-Gallen. Tijdens een woedend onweer, waarbij echter het schip droog bleef en de brandende kaarsen zelfs niet flakkerden.

De heilige Aemilianus (lmmilion of Emilio) was knecht in het huis van een edelman in Vannes (Bretagne). Hij had een zeer medelijdend hart en gaf alles weg wat hij had. En als hij zelf niets meer had, dan schonk hij ook de goederen van zijn meester weg. Dat leidde er natuurlijk op den duur toe dat hij werd weggestuurd.
In de volgende fase van zijn leven werd hij monnik in een klooster in de streek van Saintonges. Daar bakte hij het brood en zorgde hij voor de huishouding. Hij leerde nu de geschriften van de vaders kennen en in zijn hart ontwaakte ook het verlangen naar een leven van onophoudelijk gebed. Aemilianus verliet toen het klooster en trok naar het zuiden, waar hij een grot vond in de rotsachtige oever van de Dordogne. Daar leefde hij nog jaren, terwijl velen hem kwamen opzoeken, aangetrokken door de bijna tastbare sfeer van heiligheid die hem omgaf. Hij is gestorven in 767.

De heilige Margaretha van Schotland, geboren in Hongarije rond 1045, was een kleindochter van koning Edmund II van Engeland (1016 - 1017) en de zuster van Edgar Ætheling, ongekroond Angelsaksisch koning. Toen koning Eduard de Belijder stierf, ging haar moeder Agatha naar Engeland, waar haar broer Edgar aanspraak maakte op de Engelse troon. Na de Normandische verovering van Engeland in 1066 besloot Agatha om Engeland met haar kinderen te verlaten en terug te keren naar het vasteland. Een storm dreef hun schip echter terug naar de kust van Schotland, waar zij de bescherming zochten van de Schotse koning Malcolm III. Margaretha huwde Malcolm, hervormde de kerk en verengelste het Schotse hof. Ook herstelde de abdij van Iona en stichtte een priorij in Dunfermline, die haar zoon verhief tot Dunfermline Abbey. Margaretha overleed door ziekte drie dagen na haar echtgenoot, die omkwam bij een inval in Engeland. In 1250 werd zij heilig verklaard, niet alleen voor haar invloed op de hervorming van de kerk en de ondersteuning van de kloosterordes, maar ook omdat ze persoonlijk voedsel aan de armen gaf voordat ze zelf at en iedere nacht om middernacht een mis bijwoonde. In 1673 werd ze de beschermheilige van Schotland. Zij werd begraven in Dunfermline Abbey, op 19 juni 1250 werden de relieken overgebracht naar een speciale kapel die bekend werd onder de naam St Margaret's Chapel.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren Marcus, Rufinus en Valerius, gedood in Noord-Afrika.

Eveneens op deze dag de heilige Balsemina, eind 5e eeuw; Namfasios, kluizenaar, tegen 800; Fidentius, bisschop van Padua; en Edmundus, bisschop van Canterbury, stierf in verbanning in Frankrijk.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
tekst over h. Margaretha van Schotland is een (verkorte) weergave van Wikipedia.
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.