vorige dag           volgende dag

Heiligenjaar   -   22 november

De heilige Filemon en Onesimos. Filemon leefde in Colosse, en uit de brief die de apostel Paulos aan hem schrijft, weten wij dat hij een invloedrijk en welgesteld man was. Wij zien hem daar als het hoofd van een talrijke huishouding, iemand van grote vrijgevigheid tegenover zijn vrienden en de armen in het algemeen. Hij voelde zich aan de apostel verplicht door zijn bekering. Zijn weggelopen slaat, Onesimos, was door de apostel gedoopt, en deze schrijft zijn brief om een verzoening tussen slaaf en meester te bewerken.
Filemon wordt door enkele schrijvers genoemd als bisschop van Gaza, maar het is waarschijnlijker dat hij, zoals uit andere bronnen blijkt, bisschop van Colosse was. Tijdens de vervolging van Nero is hij gemarteld en ter dood gebracht. Zijn slaaf Onesimos volgde hem later in de marteldood.

Archippos, apostel uit de zeventig, wordt door de heilige Paulos genoemd als bisschop van een van de kerken in de buurt van Colosse (Col. 4: 17) en als zijn bijzondere medewerker (Filemon 2). Hij werd met messen in stukken gesneden. De heilige Apfia (Appia) was zijn vrouw en medewerkster.

De heilige Cecilia met haar echtgenoot Valerianus, zijn broer Tiburtius en hun beul Maximus. Cecilia was een adellijke Romeinse, gehuwd met de nog heidense Valerianus. Haar woorden en levenswijze waren zo overtuigend dat zij haar man deelgenoot wist te maken van een radicaal christelijk leven. Zij bleven bij elkaar, maar in echtelijke onthouding, in soberheid en gebed: het was een kloosterleven voordat er nog kloosters bestonden. Met hun goederen dienden zij de armen, en zij verzachtten het lot der gevangenen. Ook Valerianus’ broer, Tiburtius, sloot zich bij hen aan. Ten slotte werden zij allen gearresteerd en ter dood gebracht in 230. Maximus, de beul, raakte ontroerd toen hij een vrouw die zulk een liefdevolle waardigheid uitstraalde, moest doden. Hij slaagde er niet in de onthoofding te voltrekken, zodat hij opnieuw moest slaan. Maar zelfs na het wettelijk maximum van drie houwen met het zwaard, was haar hoofd nog niet van het lichaam gescheiden. Zo bleef zij, nog levend, liggen met de vreselijke halswonde, zonder een klacht te uiten, totdat zij na enkele dagen bezweek. Maximus, die haar dit had aangedaan, bekeerde zich en stierf eveneens als martelaar.

De heilige Michaël, Grootvorst van Twer, en martelaar. Hij was een neef van de heilige Alexander Nevski en groeide op in het vorstenhuis, een omgeving die bijna kloosterlijk genoemd kon worden. Zijn moeder werd later dan ook moniale, onder de naam Xenia. Zijn eigen wens was ook om monnik te worden, maar in 1285, toen hij 13 jaar oud was, stierf zijn oudste broer, en hem werd de plicht opgelegd Grootvorst van Twer te zijn. Toen hij 22 jaar oud was, trouwde hij met de prinses van Rostov, en zij kregen acht kinderen: vier zoons en vier dochters.
In 1304 viel hem eveneens de titel toe van Grootvorst van Wladimir, de Russische hoofdstad tijdens de Tartaarse bezetting, en tevens de zetel van de metropoliet van Kiev. Michaël wilde zijn recht echter niet opeisen, want dat zou oorlog betekend hebben tegen zijn neef, de prins van Moskou, die de troon van Wladimir wederrechtelijk bezet hield. Toen deze echter aanstalten maakte om Twer te gaan veroveren, trok Michael, op raad van zijn bisschop, toch tegen hem op, en hij behaalde de volledige overwinning. .
Michaël nam geen wraak, en stelde prins Georgios in vrijheid. Diens vrouw echter, de zuster van de Tartaarse Khan, was tijdens de gevangenschap gestorven. Nu dreigde een wraakexpeditie van de Khan tegen Twer, tenzij Michaël zich naar de Gouden Horde zou begeven om daar terecht te staan, wat praktisch zeker op een doodsvonnis zou uitlopen. Zijn gezin en zijn vrienden probeerden hem ervan af te houden, maar na een gesprek met zijn geestelijke vader aanvaardde Michaël deze overgave om zijn volk de ellende van de Tartaarse wreedheid te besparen.
Hij ging dus naar de Khan, en werd met hoofd en handen in een schandblok gesloten. Zijn zoon, die als gijzelaar bij de Horde leefde, mocht hem gezelschap houden. Deze voedde hem en sloeg de bladzijden om van de gebedenboeken, want Michaël deed niets anders dan het officie zingen en de psalmen lezen. Geregeld werd hij, zo geboeid, voor de Khan gevoerd, voor wie hij moest knielen, altijd onder dezelfde dreiging, en aan de bespotting van het gezelschap uitgeleverd. Onophoudelijk werd hij nu geconfronteerd met het psalmvers: “Ik ben hun tot versmading geworden, zij zien mij hoofdschuddend aan. Help mij, Heer mijn God, red mij volgens Uw barmhartigheid.” (ps. 108: 25, 26). En voortdurend vloeiden zijn tranen, tot aan het uur van zijn dood.
In 1318 werd hij naar Moskou gebracht en uitgeleverd aan zijn neef Georgios, van wie hij eens het leven had gespaard. Deze viel met zijn dronken soldaten als wilde dieren op de weerloze man aan. Zij bespotten en mishandelden hem op weerzinwekkende wijze en vermoordden hem met sabelhouwen. In 1320 werden zijn relieken plechtig teruggebracht naar Twer, en bij zijn graf geschiedden vele wonderen.

De heilige Menignos had een wasbedrijf te Patria aan de Hellespont. Toen hij in de stad het edict zag waarop Decius de hernieuwing van de christenvervolging beval, scheurde hij verontwaardigd die aankondiging van de muur. Als ogenblikkelijke straf werden hem de vingers afgesneden. Daarna moest hij terecht staan en hij werd na vele folteringen ter dood gebracht, in 251.

De heilige Michaël was een soldaat uit Bulgarije een godsdienstig man vanaf zijn jonge jaren. Er werd verteld dat zijn gebed een monsterlijke slang had doen sterven, die in de woestijn van Rhaith verschillende mensen had gedood. Hij is gestorven te Potouk in 866.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren Prokopios, catecheet in Skythopolis, onderging zijn lijden in Kesaria in 303; Maximos Kaplikarlos de gevangenbewaarder; Markos, nog een Markos en Stefanos hebben te Antiochië hun lijden ondergaan te Maromilia, onder Diokletiaan; Thaddeos werd geradbraakt; Agapion, door wilde dieren verscheurd in 306; de priesters Sisinios en Agapios; en Maurus uit Noord-Afrika, gedood in Rome.

Eveneens op deze dag de heilige Agabbas (Abbas) leidde in Syrië een streng ascetisch leven, zijn gelaat straalde altijd van vreugde over de opstanding, 5e eeuw; Thaddeos, monnik van het Studion-klooster; Kallistos II Xanthopoulos, een Athos-monnik, patriarch van Constantinopel, 1392-1395, een van de auteurs van de Filokalia; Pragmatius, bisschop van Autun, 6e eeuw; de monnik Aubeus, 690; Marema, maagd; en Sabinianus, abt, 8e eeuw.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.