vorige dag           volgende dag Register

Heiligenjaar   -   5 december

De heilige Nektarios, een Bulgaar. Als kind was hij met zijn ouders op wonderbare wijze ontsnapt aan een Turkse razzia. Uit dankbaarheid werd zijn vader monnik en ook de kinderen werden in een klooster ondergebracht Nektarios ging later naar de Athos, waar hij na enkele avonturen cellenmonnik werd van de Protos Daniël, en na diens dood als kluizenaar leefde. Hij had te lijden van langdurige en pijnlijke ziektes en is tenslotte in vrede gestorven, de 5e december van het jaar 1500. Toen zijn lichaam later werd opgegraven, verspreidde zich een lieflijke geur.

Vandaag wordt ook herdacht de heilige Filotheos, in de Hagar-kluis te Karyes op de Athos,

De heilige Goerias, aartsbisschop van Kazan, uit Radonesj, was monnik in het Wolokolamsk-klooster. In 1555 werd hij de eerste bisschop van het sinds kort veroverde Kazan. Tijdens zijn 9-jarig bestuur bekeerde hij duizenden moslims en heidenen uit dat gebied.

De heilige Anastasios zag hoe de martelaren werden gefolterd in het circus en met welk een moed zij de kwellingen doorstonden. Toen werd hij door enthousiasme gegrepen, drong zich naar voren en riep uit dat hij ook christen was. Hij werd toen wreed gepijnigd en tenslotte onthoofd, terwijl zijn lichaam in zee geworpen werd zodat de christenen hem niet konden begraven.

De heilige woestijnvader Sabbas de Gewijde, 437-531. Hij werd geboren te Mulalaska in Kappadocië. Zijn vader, die een hoge post bekleedde in het leger, liet de kleine Sabbas achter in de hoede van een van zijn broers. Daar bleef hij tot hij acht jaar oud was, maar toen kon hij het slechte humeur van zijn oom niet langer verdragen en hij liep weg naar een andere oom. Dit gaf aanleiding tot heftige ruzies in de familie en Sabbas trok zich dat zo aan dat hij ook hier wegliep en zich, nog geen negen jaar oud, bij het klooster van Flavianum meldde.
Men ontfermde zich over de jongen, maar verder werd hij blijkbaar een beetje aan zijn lot overgelaten. Het was Sabbas echter wel toevertrouwd om voor zichzelf te zorgen want hij speelde het klaar om alle psalmen uit het hoofd te leren. Hij was ook een echte jongen met lef. Toen eens de bakkersoven was aangestoken terwijl er nog natte kleren in te drogen hingen, klauterde hij onbevreesd in de vlammen om met een ruk die mantels weg te grissen terwijl de anderen alleen maar stonden te weeklagen. Dat deed zijn aanzien natuurlijk wel goed.
Er werd daardoor meer op hem gelet en zo is ook het volgende voorval bekend geworden.
De jonge Sabbas werkte eens in de kloostertuin. Hij kreeg dorst en hij plukte een prachtige appel, ofschoon niemand iets mocht eten zonder daartoe verlof te hebben. Plotseling realiseerde hij zich hoe Adam door een appel was verleid. Toen wierp hij de vrucht op de grond, vertrapte hem om er niet meer door in verleiding te worden gebracht, en deed een gelofte om heel zijn leven geen appel meer te eten.
Tien jaar later kreeg hij zegen om op pelgrimstocht naar Jeruzalem te gaan. Daar hoorde hij spreken over de heilige Euthymios en hij ging naar het klooster van de heilige Bessarion in de woestijn van de Jordaan. De abt vond hem echter te jong en stuurde hem door naar de heilige Theoktistos. Deze zond hem eens met een opdracht naar Egypte. Daar ontmoette hij zijn ouders die hem trachtten over te halen bij hen te blijven, maar Sabbas keerde naar Palestina terug.
Weer tien jaar later, toen Sabbas dus ongeveer dertig jaar oud was, mocht hij zich vestigen in een grot. Alleen de weekeinden kwam hij nu nog naar de kloosterkerk voor het vieren van de heilige Mysteriën. Dan ging hij weer terug naar zijn grot met een lading palmtakken. Daarvan vlocht hij korven, tien stuks per dag, zodat hij zaterdags met 50 manden naar het klooster kwam. De heilige Euthymios koos hem als metgezel bij zijn jaarlijkse retraite in de Ruban-woestijn. Bij een van deze tochten ontdekte Sabbas een ontoegankelijk hol in een overhellende rotswand boven de Kedron-kloof. Hij was nog altijd een held in het klauteren en hij wist het hol te bereiken, waar hij een touw bevestigde, dat hem een rechtstreekse toegang bood.
Sabbas was veertig jaar toen hij in dit hol ging wonen, zo volkomen afgesloten van de wereld. Maar het duurde nog geen vijf jaar of er hadden zich reeds 70 leerlingen rond hem verzameld. die hij onderbracht in grotten in de omtrek. Hun grootste moeilijkheid was om aan drinkwater te komen, want het Kedron-water was ondrinkbaar, de beek diende waarschijnlijk als afvoer van het afvalwater van Jeruzalem naar de Dode Zee. Maar Sabbas zag in een maanlichte nacht hoe een wilde ezel het grind wegtrapte en op die manier water vond. Hij liet daar graven en ze vonden er een bron met bruikbaar drinkwater voor allen.
Tijdens een van zijn zwerftochten in die rotswereld vond hij een groot hol waarin een oude tempel was geweest. Hiervan maakte hij een kerk voor de broeders, wier aantal intussen was gestegen tot zo’n 150. Voor zichzelf bouwde hij een verblijf boven op die rots, met een eigen pad naar de gebedsruimte. Toen de patriarch van Jeruzalem op bezoek was, wijdde hij Sabbas tot priester en de oude tempel tot kerk, in 490. Dit maakte ook een einde aan de moeilijkheden welke er bestonden met sommige monniken, omdat niemand met gezag kon oordelen over liturgische kwesties die zich voordeden bij het bezoek van sommige vreemde priesters. Sabbas was toen 53 jaar.
Bij een andere gelegenheid vond hij een oud Romeins fort dat uitzag over de vallei. In die ruïne stichtte hij een nieuw klooster voor de broeders die er in het andere teveel waren. Onder hen waren zowel Egyptenaren als Armeniërs. Sabbas liet hen de diensten vieren, elk in hun eigen taal behalve de gebeden die aanleiding zouden geven tot ketterij, die moesten in het Grieks.
Een aantal monniken begon zich steeds meer te beklagen over de vaak zo langdurige afwezigheid van Sabbas waardoor de gewone gang van zaken verstoord werd omdat er zonder hem geen beslissingen konden worden genomen. Nadat zij vergeefs bij de patriarch om een andere abt hadden gevraagd, trok een zestigtal monniken tijdens zulk een afwezigheid weg en begonnen een nieuwe vestiging in de woestijn van Thecua. In de praktijk bleek dat bitter tegen te vallen en de groep kwam in grote moeilijkheden. Toen Sabbas tenslotte in de laura terugkwam kunnen we ons voorstellen dat dit hem met enig leedvermaak door de getrouwen werd verteld. Sabbas zei hier niets op maar vertrok meteen naar de broeders die in nood verkeerden. Hij maakte geen enkele aanmerking maar organiseerde de bouw van een kerk, hij zorgde dat zij land kregen waarop zij voedsel konden verbouwen en intussen bezorgde hij hun levensmiddelen en geld.
Op humoristische wijze kon Sabbas soms iemands geweten blootleggen. Eens liep hij met een jonge monnik langs de Jordaan bij Jericho. Zij passeerden enige reizigers in wier gezelschap zich een knap jong meisje bevond. “Wat was dat voor een vrouw met één oog, waar we zojuist langskwamen?” vroeg Sabbas aan zijn metgezel. “Maar ze had niet maar één oog”, sprak de ander tegen. “Weet je zeker dat je je niet vergist?” hield Sabbas aan. “Nee vader, ik heb er speciaal naar gekeken, ze had twee prachtige ogen”. “Zo zo, je keek dus speciaal naar haar ogen? Beste jongen, ga dan ergens anders heen, want dan hoor je niet thuis in mijn klooster”, was de reactie van Sabbas.
De talrijke kloosters raakten verdeeld door de monofysitisme-kwestie, (dwz. dat Christus alleen maar de goddelijke natuur bezeten zou hebben), die velen in verwarring bracht omdat de strenge monastieke levenswijze op de verachtelijkheid van het lichaam scheen te wijzen. De patriarch van Jeruzalem benoemde toen de twee bekendste monnikvaders tot archimandriet en exarch over alle monniken: Theodosios over de cenobieten, en Sabbas over de laureoten, de georganiseerde kluizenaars. Dit terwijl Sabbas reeds zeven door hem gestichte grote kloosters onder zijn beheer had.
Sabbas volgde de oude gewoonte van sommige heiligen om de Grote Vasten in volkomen eenzaamheid door te brengen, diep in de woestijn, waarbij hij voor zichzelf geen enkel voedsel meenam. Eens ontmoette hij daar een kluizenaar die reeds 38 jaar zo leefde en in die tijd nooit een mens had gezien. Toen Sabbas het volgend jaar naar dezelfde plaats terugkeerde, bleek de ander gestorven te zijn.
Tegen het einde van zijn leven werd de heilige Sabbas door de partij van de keizer misbruikt om geestelijk gezag te verlenen aan het ter dood brengen van ketters en Samaritanen. Hij is gestorven in 531, in de ouderdom van 94 jaar. Het Mar-Sabas-klooster is waarschijnlijk het oudste nog in gebruik zijnde klooster.
Sabbas werd “de Gewijde” genoemd omdat het in die tijd nog een zeldzaamheid was dat een monnik priester werd. Het onbedorven lichaam van de heilige Sabbas was door de kruisvaarders naar Venetië geroofd, maar op 26 oktober 1965 werd het weer teruggebracht naar het beroemde Sabbas-klooster, dat zoveel heiligen heeft voortgebracht, waaronder Johannes Damascenos, Kosmas van Majuma, Andreas van Kreta en Stefanos de Sabbaïet. Daar is ook het typikon ontstaan, met de naam: ‘Typikon van Jeruzalem’, dat nog steeds de vorm van de orthodoxe diensten bepaalt.

De heilige monnik-martelaar Kosmas, protos van de Athos, met vele andere monniken die zich verzetten tegen de latiniserende keizer Michael VIII Paleologos‚ die met geweld een unie tussen de Orthodoxe Kerk en die van Rome wilde doordrijven, die hij getekend had op het Concilie van Lyon (1274) om zo hulp tegen de Turken te verkrijgen. De monniken van de Grote Laura en van Xeropotamou hadden in de unie toegestemd, maar alle anderen bleven weigeren. Verschillende kloosters werden uitgemoord; tenslotte ook Karyes‚ in die tijd nog een laura, maar waar reeds het gezamenlijk bestuur over de Athos zetelde. Eeuwenlang hebben de monniken dagelijks een lamp ontstoken op zijn graf, maar pas op 5 december 1981 werden de relieken van Kosmas ter verering opgegraven en werd zijn gedachtenisfeest voor de eerste maal plechtig gevierd.

De heilige Nicetius, bisschop van Trier. Als abt van een benedictijner abdij had hij eens koning Diederik terechtgewezen. Deze bewonderde zijn onverschrokkenheid en in 527 liet hij Nicetius tot bisschop wijden, nadat clerus en volk hun toestemming hadden gegeven.
Nicetius was aangesteld over het volk en dit betekende voor hem dat hij zich verantwoordelijk voelde voor het volk en het steeds weer in bescherming nam tegen de willekeur en de onderdrukking door de adel, ook al was dit de koning zelf. Hij predikte bijna dagelijks en noemde dan ook onverschrokken de namen van hen die misbruik maakten van hun macht. In 561 werd hij het land uitgezet door koning CIotarius‚ maar deze stierf vrijwel direct daarna en toen werd Nicetius teruggeroepen door diens opvolger Sigebert.
Aan de gebeden van Nicetius werd ook toegeschreven dat er een einde kwam aan een besmettelijke ziekte die de bevolking van Gallië sinds 546 decimeerde. Nicetius is gestorven in 566.

De heilige martelares Crispina, in Numidië. Zij bekleedde een aanzienlijke positie, was gehuwd en had verschillende kinderen. Zij werd gevangen genomen tijdens de vervolging van Diokletiaan. De authentieke akten van haar proces zijn bewaard gebleven:
Tijdens het consulaat van Diokletiaan en Maximiaan, tijdens de zitting van het hof op de Nonen van december, onder het voorzitterschap van Annulinus de pro-consul, las de griffier:
Crispina van Thagara, die het keizerlijk bevel in de wind heeft geslagen, zal met uw welnemen worden gehoord.
Annulinus, de rechter, zei: Laat haar binnenbrengen.
Crispina werd binnengebracht.
A: Hebt ge het decreet gehoord?
Crispina antwoordde: lk weet van geen decreet.
A: Het gaat erover dat ge moet offeren aan al de goden voor het welzijn van de keizers.
C: Nooit zal ik offeren tenzij aan de ene God en aan Zijn Zoon onze Heer Jezus Christus, Die als Mens is geboren en geleden heeft.
A: Houd toch op met dat bijgeloof en geef toe aan de eredienst van onze goden.
C: Dagelijks breng ik eer aan mijn God, ik ken geen andere.
A: Ge bent hardnekkig en roekeloos; dat zal heel de strengheid van de wet over u afroepen.
C: Laat gebeuren wat moet. Voor mijn geloof wil ik lijden.
A: Het zal u het hoofd kosten wanneer ge niet gehoorzaamt aan het gebod van de keizers; heel Afrika heeft gehoorzaamd en gij zult eveneens daartoe gedwongen worden.
C: lk wil offeren aan de Heer, de Schepper van hemel en aarde en van alles wat zich daarin bevindt; maar nooit zal ik me laten dwingen om aan demonen te offeren.
A: Dus gij accepteert de goden niet die ge wel zult moeten eren om uw leven te redden?
C: Dat kan toch geen eredienst zijn als men ertoe gedwongen moet worden!
A: Maar wilt ge dan niet voor de vorm, met gebogen hoofd, een beetje wierook offeren in de gewijde tempels?
C: Dat heb ik nooit gedaan vanaf dat ik geboren ben, en ik zal het ook nooit doen zolang ik leef.
A: Doe het dan toch maar om niet de zwaarte van de wet te ondergaan.
C: Daar ben ik niet bang voor. Maar ik vrees wel God, want als ik zou gehoorzamen dan snijdt Hij mij af om mijn godslastering.
A: Het is toch geen godslastering om de wet te gehoorzamen?
C: Wilt ge me God laten lasteren om niet oneerbiedig te zijn tegenover de keizers? God is oneindig groot en almachtig: Hij heeft de zee gemaakt en het land en alles wat daarop groeit Hoe kan ik dan de voorkeur geven aan schepsels boven Hem?
Annulinus beval dat haar hoofd kaalgeschoren moest worden. Toen zij daar niet van onder de indruk kwam, zei hij: “Wenst ge te leven of houdt ge vast aan de wens om te sterven zoals uw medegevangenen Maxima, Donatilla en Secunda?” .
C: Als ik had willen sterven en mijn ziel verderven dan zou ik wel voor uw demonen doen wat ge van mij eist
A: lk zal u onthoofden als ge onze eerbiedwaardige goden blijft bespotten.
C: Ik zou mijn hoofd pas echt verliezen als ik hen zou beginnen te vereren.
A: Ge blijft dus hardnekkig bij deze mening?
C: Mijn God, de eeuwig Zijnde, en Die is van alle eeuwigheid, Hij heeft opdracht gegeven dat ik zou geboren worden; Hij heeft mij gered door het water van de Heilige Doop; Hij is met mij om mijn ziel bij te staan en die te weerhouden om de godslastering te plegen die gij van mij eist.
A: Die goddeloze Crispina is niet langer te verdragen.
De akten werden voorgelezen en Annulinus gaf bevel dat Crispina het zwaard moest ondergaan. Toen riep Crispina uit: “lk prijs U, Christus, ik zegen de Heer Die Zich op deze wijze verwaardigt mij uit uw handen te bevrijden.” Zij heeft het lijden ondergaan te Thebeste, op de Nonen van december van het jaar 304.

Ook nog op deze dag de heilige martelaren Awerkios, gedood met het zwaard; Bassus, bisschop van Nice, na veelvuldige martelingen verbrand, 3e eeuw; Crispinus, FeIix‚ Gratus, Julia, Potamia en nog 7 anderen te Thagura in Tunesië; Dalmatius, bisschop van Pavia, onder Maximiaan; Diogenes, gestenigd; en Pelinus, bisschop van Pentima, wreed vermoord onder Juliaan de Afvallige.

Eveneens op deze dag de heilige monniken Karion‚ met zijn zoon Zacharias, in de Sketis-woestijn‚ 4e eeuw; Gratos; en Nonnos.


Door de gebeden van deze en al Uw heiligen, Heer Jezus Christus onze God, ontferm U over ons en red ons. Amen.




teksten samengesteld door archimandriet Adriaan - eeuwige gedachtenis !
illustraties door matj. Johanna - eeuwige gedachtenis !
overgenomen met toestemming van het klooster St. Jan de Voorloper in Den Haag.