Gebed vóór de lezing   [ Lees verder . . . ] Laat stralen in onze harten, menslievende Heer, het zuivere licht van Uw goddelijke kennis en open de ogen van ons verstand om de verkondiging van Uw Evangelie te begrijpen. Plant in ons het ontzag voor Uw zalige geboden, zodat wij al onze vleselijke begeerten vertreden en een geestelijke levenswijze leiden en U behagen in al ons denken en doen. Want Gij zijt de verlichting van onze zielen en lichamen, Christus God, en tot U zenden wij de lof evenals tot Uw beginloze Vader en Uw alheilige, goede en levendmakende Geest, nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

vorige dag           volgende dag


1 februari - zaterdag in de 32e week -

APOSTEL

pericoop 273 (I Thess 5 : 14-23)

Lezing uit de eerste brief van Paulus aan de Thessalonicenzen,

Broeders, wij roepen u ertoe op, hen die ordeloos leven terecht te wijzen, de moedelozen te bemoedigen, de zwakken te ondersteunen, en met allen geduld te hebben. Pas op dat niemand een ander kwaad met kwaad vergeldt, maar jaag altijd het goede na, én voor elkaar én voor allen. Verblijd u altijd. Bid zonder ophouden. Wees dankbaar in alles. Want dit is de wil van God in Christus Jezus voor u. Blus de Geest niet uit. Veracht de profetieën niet, maar onderzoek alles, en behoud het goede. Onthoud u van elke vorm van kwaad. En moge de God van de vrede Zelf u geheel en al heiligen, en mogen uw geheel oprechte geest, ziel en lichaam onberispelijk bewaard worden bij de komst van onze Heer Jezus Christus.

- zaterdag in de 15e week van de Lucas-cyclus -

EVANGELIE

Lc - pericoop 84 (Lc 17 : 3-10)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Lucas,

De Heer zei: ‘Let goed op jezelf! Als je broeder zondigt, bestraf hem, en als hij berouw toont, vergeef hem. Zelfs als hij zevenmaal per dag tegen je zondigt en zevenmaal naar je terugkomt en zegt: “Ik heb er spijt van,” moet je hem vergeven.’ En de apostelen zeiden tegen de Heer: ‘Vermeerder ons geloof.’ De Heer zei: ‘Als jullie geloof hadden als een mosterdzaadje, zouden jullie tegen deze moerbeiboom zeggen: “Trek je wortels uit de grond en plant jezelf in de zee,” en hij zou jullie gehoorzamen. Wie van jullie die een knecht heeft die voor hem ploegt of zijn kudde weidt, zal als hij van het land thuiskomt, zeggen: “Kom meteen aan tafel aanliggen?” Zal hij niet veel eerder tegen hem zeggen: “Maak mijn maaltijd klaar, omgord je en bedien me totdat ik gegeten en gedronken heb; daarna kun je zelf eten en drinken?” Hij bedankt die knecht toch niet omdat hij gedaan heeft wat hem was opgedragen? Ik denk het niet. Zo moeten ook jullie zeggen, wanneer jullie alles gedaan hebben wat jullie is opgedragen: “Wij zijn maar onnutte knechten, want we hebben slechts onze plicht gedaan.”’