Gebed vóór de lezing   [ Lees verder . . . ] Laat stralen in onze harten, menslievende Heer, het zuivere licht van Uw goddelijke kennis en open de ogen van ons verstand om de verkondiging van Uw Evangelie te begrijpen. Plant in ons het ontzag voor Uw zalige geboden, zodat wij al onze vleselijke begeerten vertreden en een geestelijke levenswijze leiden en U behagen in al ons denken en doen. Want Gij zijt de verlichting van onze zielen en lichamen, Christus God, en tot U zenden wij de lof evenals tot Uw beginloze Vader en Uw alheilige, goede en levendmakende Geest, nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

vorige dag           volgende dag


3 februari - 36e zondag na Pinksteren -

Prokimen     toon 3          (ps 46)

Zing een psalm voor onze God, zing voor Hem; * zing voor onze Koning, zing een psalm.

Alle volkeren klap in de handen; juich voor God met vreugdekreten.


APOSTEL

pericoop 182-b (II Cor 6 : 16b-7:1) (lezing 17e zondag)

Lezing uit de tweede brief van Paulus aan de Corinthiërs,

Broeders, gij zijt de tempel van de levende God, zoals God gezegd heeft:
‘Ik zal in hun midden wonen
en onder hen wandelen,
en Ik zal hun God zijn
en zij zullen Mijn volk zijn.
Ga daarom uit hun midden weg
en zonder u af, zegt de Heer,
en raak het onreine niet aan,
en Ik zal u aannemen,
en Ik zal u tot een Vader zijn,
en gij zult Mij tot zonen en dochters zijn,
zegt de Heer, de Albeheerser.’
Omdat wij deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bevlekking van vlees en geest, en de heiligheid volbrengen in de vreze Gods.

Alleluja     toon 3          (ps. 70)

Heer, op U vertrouw ik: laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.

Wees voor mij een beschermende God, een toevluchtsoord om mij te redden.

- 16e zondag (Mattheüs-cyclus) - De Talenten -

EVANGELIE

in de Metten: Mc Pericoop 71 - het 3e opstandingsevangelie (Mc 16 : 9-20)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Marcus,

Toen Jezus ‘s morgens op de eerste dag van de week was opgestaan, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit wie Hij zeven demonen uitgedreven had. Zij ging heen en vertelde het aan hen die Hem vergezeld hadden, en die treurden en weenden. En toen zij hoorden, dat Hij leefde en door haar gezien was, geloofden zij het niet. Daarna is Hij in een andere gedaante verschenen aan twee van hen, die onderweg waren en naar een stuk land gingen. Ook zij gingen het aan de anderen vertellen; maar zij geloofden ook hen niet. Later verscheen Hij aan de elf, terwijl zij aan tafel aanlagen; en Hij verweet hun hun ongeloof en de hardheid van hun hart, omdat zij hen niet geloofd hadden die Hem gezien hadden nadat Hij was opgewekt. En Hij zei tegen hen: ‘Ga heen in heel de wereld, verkondig het evangelie aan heel de schepping. Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. En deze tekenen zullen hen vergezellen die geloven: in Mijn Naam zullen zij demonen uitdrijven; zij zullen in nieuwe talen spreken, slangen zullen zij oppakken, en als zij iets dodelijks drinken, zal dat hun niet schaden; zieken zullen zij de handen opleggen en zij zullen gezond worden.’ Nadat de Heer tot hen gesproken had, werd Hij opgenomen in de hemel, en heeft Zich gezet aan de rechterhand van God. En zij gingen heen en predikten overal, en de Heer werkte mee en bekrachtigde hun woorden door de tekenen, die erop volgden. Amen.

in de Liturgie: Mt pericoop 105 (Mt 25 : 14-30; Lc 8:8b)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Mattheüs,

De Heer vertelde de volgende gelijkenis: ‘Een man vertrok naar het buitenland en hij riep zijn dienaren en vertrouwde hun zijn vermogen toe. Aan de één gaf hij vijf talenten, aan een ander twee en aan weer een ander één, ieder naar zijn bekwaamheid, en daarna ging hij meteen op reis. Hij nu, die de vijf talenten ontvangen had, ging op weg, dreef er handel mee en verdiende er vijf bij. Evenzo verdiende ook degene die er twee ontvangen had, er nog twee bij. Maar hij die er één ontvangen had, ging heen, groef een kuil in de grond en verborg het geld van zijn heer. En na lange tijd kwam de heer van die knechten terug en hield afrekening met hen. En degene die vijf talenten ontvangen had, kwam naar voren, overhandigde hem nog vijf talenten, zeggend: Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, daarmee heb ik nog vijf talenten verdiend. Zijn heer zei tegen hem: Zeer goed, gij goede en trouwe knecht! Over weinig zijt gij trouw geweest, over veel zal ik u aanstellen; kom delen in de vreugde van uw heer. En ook degene die de twee talenten ontvangen had, kwam naar voren en zei: Heer, gij hebt mij twee talenten gegeven; zie, daarmee heb ik nog twee talenten verdiend. Zijn heer zei tegen hem: Zeer goed, gij goede en trouwe knecht! Over weinig zijt gij trouw geweest, over veel zal ik u aanstellen; kom delen in de vreugde van uw heer. Toen kwam ook degene die één talent ontvangen had naar voren en zei: Heer, ik kende u als een streng persoon, die oogst, waar gij niet gezaaid hebt, en verzamelt, waar gij niet hebt uitgestrooid. Daarom ben ik bevreesd heengegaan en heb uw talent in de grond begraven. Hier hebt gij het uwe terug. Maar zijn heer gaf hem ten antwoord: Gij slechte en luie knecht, gij wist dus, dat ik oogst, waar ik niet gezaaid heb, en dat ik verzamel, waar ik niet heb uitgestrooid? Dan hadt gij mijn geld bij de bankiers moeten brengen, en zou ik bij mijn terugkomst het mijne met rente teruggekregen hebben. Neem hem daarom het talent af en geef het aan hem, die de tien talenten heeft. Want aan hem die heeft, zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van hem die dat niet heeft, zal ook hetgeen hij heeft, afgenomen worden. En werp die nutteloze knecht in de uiterste duisternis. Daar zal gejammer zijn en tandengeknars.’ Toen Hij dit gezegd had, riep Hij: Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.