Gebed vóór de lezing   [ Lees verder . . . ] Laat stralen in onze harten, menslievende Heer, het zuivere licht van Uw goddelijke kennis en open de ogen van ons verstand om de verkondiging van Uw Evangelie te begrijpen. Plant in ons het ontzag voor Uw zalige geboden, zodat wij al onze vleselijke begeerten vertreden en een geestelijke levenswijze leiden en U behagen in al ons denken en doen. Want Gij zijt de verlichting van onze zielen en lichamen, Christus God, en tot U zenden wij de lof evenals tot Uw beginloze Vader en Uw alheilige, goede en levendmakende Geest, nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

vorige dag           volgende dag


15 februari - donderdag in de zuivelweek -

APOSTEL

pericoop 78-b (Judas 11-25)

Lezing uit de algemene brief van Judas,

Geliefden, wee de goddelozen, want zij zijn de weg van Kaïn ingeslagen en hebben zich om geld in de dwaling van Bileam gestort en zijn door het tegenspreken net als Corach omgekomen. Deze mensen zijn schandvlekken bij uw liefdemaaltijden. Als zij met u de maaltijd gebruiken, doen zij zichzelf onbeschroomd te goed. Zij zijn wolken zonder water, die door de winden heen en weer gedreven worden. Zij zijn als bomen in de late herfst, zonder vrucht, tweemaal gestorven en ontworteld. Zij zijn wilde golven van de zee, die hun eigen schanddaden opschuimen, dwaalsterren, voor wie de diepste duisternis tot in eeuwigheid bewaard wordt. Zij zijn het ook over wie Henoch, de zevende vanaf Adam, geprofeteerd heeft toen hij zei:
Zie, de Heer is gekomen
met Zijn tienduizenden heiligen,
om over allen het oordeel te vellen
en alle goddelozen onder hen terecht te wijzen voor al hun goddeloze daden,
die zij op goddeloze wijze bedreven hebben,
en voor al de harde woorden die zij, goddeloze zondaars,
tegen Hem gesproken hebben.
Zij zijn het die morren, die klagen over hun lot en die naar hun eigen begeerten wandelen. Hun mond spreekt hoogdravende woorden, en zij praten anderen naar de mond om er zelf beter van te worden. Maar gij, geliefden, herinnert gij u de woorden die voorzegd zijn door de apostelen van onze Heer Jezus Christus, toen zij u zeiden: dat er in de laatste tijd spotters zullen zijn, die naar hun eigen goddeloze begeerten wandelen. Zij zijn het die verdeeldheid zaaien en alleen op het aardse gericht zijn, mensen, die de Geest niet hebben. Maar gij, geliefden, bouwt uzelf op in uw allerheiligst geloof en bid in de Heilige Geest, bewaar uzelf in de liefde van God en verwacht de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus, tot het eeuwige leven. En ontferm u over sommigen, en ga daarbij met onderscheid te werk. Red anderen echter met vrees, en ruk hen uit het vuur. Verafschuw zelfs het onderkleed dat ze met hun lichaam bezoedeld hebben. Aan Hem nu Die bij machte is u voor struikelen te bewaren, en u onberispelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in grote vreugde, de alleenwijze God, onze Redder, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, nu en in alle eeuwigheid. Amen.

- donderdag in de zuivelweek -

EVANGELIE

Lc - pericoop 110 (Lc 23 : 1-31, 33a, 44-56)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Lucas,

In die tijd leidden de hogepriesters en de oudsten van het volk Jezus voor Pilatus. En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggend: ‘Wij hebben bevonden dat deze man het volk van het rechte pad afbrengt en verbiedt belasting te betalen aan de keizer, en dat Hij van Zichzelf zegt, dat Hij de Christus, de Koning is.’ Toen vroeg Pilatus Hem: ‘Bent U de Koning van de Joden?’ Hij antwoordde en zei tegen hem: ‘U zegt het.’ En Pilatus zei tegen de hogepriesters en tegen de menigte: ‘Ik vind niets waaraan deze man schuldig is.’ Maar zij bleven beweren en zeiden: ‘Hij ruit het volk op met Zijn onderricht in heel Judea, eerst in Galilea en tot hiertoe.’ Toen Pilatus Galilea hoorde noemen, vroeg hij of die man een Galileeër was. En toen hij te weten kwam dat Hij onder Herodes’ gezag viel, stuurde hij Hem naar Herodes, die in die dagen ook in Jeruzalem was. Toen Herodes Jezus zag, werd hij erg blij, want al lange tijd had hij Hem willen zien omdat hij veel over Hem gehoord had; en hij hoopte Hem een wonder te zien doen. Hij stelde Hem dan veel vragen, maar Hij antwoordde hem niets. En de hogepriesters en de schriftgeleerden stonden Hem heftig te beschuldigen. Toen Herodes met zijn soldaten Hem gehoond en bespot had, deed hij Hem een schitterend gewaad aan en stuurde Hem vervolgens naar Pilatus terug. En op diezelfde dag werden Herodes en Pilatus vrienden van elkaar, terwijl zij daarvoor elkaars vijanden waren geweest. Pilatus riep de hogepriesters, de leiders en het volk bijeen en zei tegen hen: ‘U hebt deze man voor mij gebracht als Iemand Die het volk van het rechte pad afbrengt; en zie, ik heb Hem in uw bijzijn verhoord en ik heb geen enkele grond gevonden voor uw beschuldigingen. En Herodes evenmin, ik heb u immers naar hem gestuurd. Nee, er is niets door Hem gedaan dat de dood verdient. Ik zal Hem dus laten geselen en dan vrijlaten. Hij was immers verplicht om op het feest iemand vrij te laten. Maar zij begonnen met zijn allen te schreeuwen: ‘Weg met Hem, laat Barabbas vrij!’ Die was wegens een oproer dat in de stad had plaatsgevonden en wegens een moord in de gevangenis geworpen. Pilatus sprak hun opnieuw toe, omdat hij Jezus wilde vrijlaten. Maar zij riepen ertegenin en zeiden: ‘Kruisig Hem, kruisig Hem!’ Voor de derde maal zei hij tegen hen: ‘Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? Ik heb niets in Hem gevonden waarvoor hij de doodstraf verdient; ik zal Hem dus laten geselen en vrijlaten.’ Maar met luid geschreeuw drongen zij aan en eisten dat Hij gekruisigd zou worden. En hun geschreeuw en dat van de hogepriesters overstemde alles. En Pilatus besliste dat hun eis ingewilligd zou worden. En hij liet Barabbas vrij die wegens oproer en moord in de gevangenis geworpen was en die zij eisten, maar leverde Jezus uit aan hun willekeur. En toen zij Hem wegvoerden, hielden zij een zekere Simon van Cyrene aan, die juist van zijn akker kwam, en legden hem het kruis op om het achter Jezus aan te dragen. En een grote menigte van volk volgde Hem, en veel vrouwen, die zich op de borst sloegen en over Hem weeklaagden. En Jezus keerde Zich naar hen om en zei: ‘Dochters van Jeruzalem, huil niet om Mij, maar huil om uzelf en om uw kinderen. Want kijk, er komen dagen waarop men zal zeggen: Gelukzalig de onvruchtbaren en de moederschoot die niet gebaard heeft en de borsten die niet gezoogd hebben. Dan zal men beginnen tegen de bergen te zeggen: Val op ons neer, en tegen de heuvels: Bedek ons. Want als zij dit doen met het groene hout, wat zal dan aan het dorre gebeuren?’ En toen zij aangekomen waren bij de plaats die Schedel genoemd werd, kruisigden zij Hem daar. En het was ongeveer het zesde uur; en er kwam duisternis over het hele land tot het negende uur toe. De zon werd verduisterd en het voorhangsel van de tempel scheurde doormidden. En Jezus riep met luide stem: ‘Vader, in Uw handen leg Ik Mijn geest.’ En met deze woorden gaf Hij de geest. Toen de honderdman zag wat er gebeurde, verheerlijkte hij God, zeggend: ‘Werkelijk, deze Man was een rechtvaardige.’ Toen de menigten die om dit te zien waren samengestroomd, zagen wat er gebeurd was, sloegen zij zich op de borst en gingen weer naar huis. En al Zijn bekenden stonden op een afstand, en ook de vrouwen die Hem gevolgd waren vanuit Galilea, zagen dit. Nu was er een man die Jozef heette, een raadsheer, een goed en rechtvaardig man -hij had met hun besluit en daad niet ingestemd- uit Arimatea, een stad van de Joden, die het Koninkrijk van God verwachtte, ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. En nadat hij het lichaam van het kruis had afgenomen, wikkelde hij het in een linnen doek en legde het in een graf, dat in de rots was uitgehouwen en waarin nog nooit iemand gelegd was. En het was de voorbereidingsdag, de sabbat brak bijna aan. En de vrouwen die met Hem uit Galilea gekomen waren, volgden Jozef en zagen het graf en hoe Zijn lichaam erin gelegd werd. Daarna gingen zij terug naar huis en bereidden welriekende kruiden en mirre. En op de sabbat rustten zij overeenkomstig het gebod.