Gebed vóór de lezing   [ Lees verder . . . ] Laat stralen in onze harten, menslievende Heer, het zuivere licht van Uw goddelijke kennis en open de ogen van ons verstand om de verkondiging van Uw Evangelie te begrijpen. Plant in ons het ontzag voor Uw zalige geboden, zodat wij al onze vleselijke begeerten vertreden en een geestelijke levenswijze leiden en U behagen in al ons denken en doen. Want Gij zijt de verlichting van onze zielen en lichamen, Christus God, en tot U zenden wij de lof evenals tot Uw beginloze Vader en Uw alheilige, goede en levendmakende Geest, nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

vorige dag           volgende dag


3 maart - Zondag van het Laatste Oordeel -

Prokimen     toon 3          (ps. 146)

Groot is de Heer, en groot is zijn kracht; * en oneindig is Zijn begrip.

Loof de Heer, want zingen is goed; voor God een schone lofzang.


APOSTEL

pericoop 140 (I Cor 8 : 8-9:2)

Lezing uit de eerste brief van Paulus aan de Corinthiërs,

Broeders, voedsel brengt ons niet dichter bij God, want hetzij wij wel eten, dan zal ons dat niet tot voordeel strekken; en hetzij wij niet eten, dan zal ons dat niet tot nadeel strekken. Maar let erop dat de vrijheid die gij hebt niet op een of andere manier een aanstoot wordt voor hen die zwak zijn. Want als iemand u, die deze kennis bezit, in een afgodstempel aan tafel ziet aanliggen, zal dan zijn geweten, omdat het zwak is, er niet toe aangezet worden om afgodenoffers te eten? En zal zo de broeder die zwak is door uw kennis verloren gaan, een broeder voor wie Christus gestorven is? Door zó te zondigen tegen de broeders en hen in hun geweten, dat zwak is, te treffen, zondigt gij tegen Christus. Daarom, als het voedsel mijn broeder doet struikelen, dan zal ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, opdat ik mijn broeder geen oorzaak geef tot struikelen. Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus, onze Heer, gezien? Zijt gij niet mijn werk in de Heer? Als ik voor anderen geen apostel ben, dan ben ik het toch wel voor u, want gij zijt het zegel van mijn apostelschap in de Heer.

Alleluja     toon 8          (ps. 94)

Kom, laat ons jubelen voor de Heer; laat ons juichen voor God, onze Redder.

Laat ons voor zijn aanschijn treden met belijdenis, en met psalmen juichen voor Hem.

- Zondag van het Laatste Oordeel -

EVANGELIE

in de Metten: Jh Pericoop 63 - het 7e opstandingsevangelie (Jh 20 : 1-10)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Johannes,

Op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena ’s morgens vroeg, toen het nog donker was, naar het graf, en zij zag dat de steen was weggenomen van het graf. Daarom snelde zij heen en ging naar Simon Petrus en naar de andere leerling, van wie Jezus hield, en zei tegen hen: ‘Zij hebben de Heer uit het graf weggenomen en wij weten niet waar zij Hem hebben neergelegd.’ Toen ging Petrus van huis en de andere leerling en zij gingen naar het graf. En zij renden allebei, maar de andere leerling liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam het eerst bij het graf; en toen hij zich voorover boog, zag hij de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. Toen kwam, na hem, Simon Petrus aan, en hij ging het graf binnen. Hij zag de linnen doeken liggen, en de lijkdoek die Zijn hoofd bedekt had, zag hij niet bij de andere doeken liggen, maar apart opgerold op een andere plaats. Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde; want zij hadden de Schrift nog niet begrepen dat Hij uit de doden moest opstaan. Toen gingen de leerlingen weer naar huis.

in de Liturgie: Mt - pericoop 106 (Mt 25 : 31-46)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Mattheüs,

De Heer zei: ‘Wanneer de Men­senzoon komt in Zijn heerlijkheid en al de heilige engelen met Hem, zal Hij plaatsnemen op Zijn heerlijke troon. En alle volken zullen vóór Hem bijeengebracht worden, en Hij zal ze van elkaar scheiden zoals een herder de schapen van de bokken scheidt. Hij zal de schapen rechts van Zich plaatsen en de bokken links. Dan zal de koning tegen hen die aan zijn rechterhand staan, zeggen: Kom, gezegenden van Mijn Vader, om het Koninkrijk te beërven, dat voor u bereid is vanaf de grondlegging van de wereld. Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven. Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen, naakt en u hebt Mij gekleed, ziek en u hebt Mij bezocht. Ik was in de gevangenis en u bent naar Mij toe gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden: Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben U te eten gegeven, of dorstig en hebben U te drinken gegeven? Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U opgenomen, of naakt en hebben U gekleed? Wanneer hebben wij U ziek gezien of in de gevangenis en hebben U bezocht? En de koning zal hun antwoorden en zeggen: Amen, ik verzeker u: Alles wat u gedaan hebt voor één van de geringsten van Mijn broeders, hebt u voor Mij gedaan. Dan zal Hij ook tot hen, die aan Zijn linkerhand staan, zeggen: Ga weg van Mij, vervloekten, naar het eeuwig vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is. Want Ik had honger en u hebt Mij niet te eten gegeven. Ik had dorst en u hebt Mij niet te drinken gegeven. Ik was vreemdeling en u hebt Mij niet opgenomen, naakt en u hebt Mij niet gekleed, ziek en in de gevangenis en u hebt Mij niet bezocht. Dan zullen ook zij Hem antwoorden en zeggen: Heer, wanneer hebben wij U hongerig of dorstig of als een vreemdeling of naakt of ziek of in de gevangenis gezien en hebben wij niet voor U gezorgd? Dan zal Hij hun antwoorden: Amen, Ik verzeker u: Voor zover u dit niet gedaan hebt voor één van deze geringsten, hebt u het ook voor Mij niet gedaan. En zij zullen naar de eeuwige straf gaan, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.’