Gebed vóór de lezing   [ Lees verder . . . ] Laat stralen in onze harten, menslievende Heer, het zuivere licht van Uw goddelijke kennis en open de ogen van ons verstand om de verkondiging van Uw Evangelie te begrijpen. Plant in ons het ontzag voor Uw zalige geboden, zodat wij al onze vleselijke begeerten vertreden en een geestelijke levenswijze leiden en U behagen in al ons denken en doen. Want Gij zijt de verlichting van onze zielen en lichamen, Christus God, en tot U zenden wij de lof evenals tot Uw beginloze Vader en Uw alheilige, goede en levendmakende Geest, nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

vorige dag           volgende dag


Zondag 12 maart - Zondag van de h. Gregorius Palamas -

Prokimen     toon 5          (ps. 11)

Gij, o Heer, bewaar en behoed ons tegen dit geslacht, * tot in alle eeuwigheid. Red mij, Heer, want er is geen toegewijde meer.


APOSTEL

pericoop 304 (Hebr 1 : 10-2:3)

Lezing uit de brief van Paulus aan de Hebreeën,

In het begin hebt Gij, Heer, de aarde gegrondvest,
en de hemelen zijn de werken van Uw handen.
Die zullen vergaan, maar Gij blijft altijd.
En ze zullen alle verslijten als een gewaad,
en als een mantel zult Gij ze oprollen en ze zullen verwisseld worden;
maar Gij zijt Dezelfde en Uw jaren zullen niet ophouden.
En tegen wie van de engelen heeft Hij ooit gezegd:
Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb
als een voetbank voor Uw voeten?
Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen die het heil zullen beërven? Daarom moeten wij ons des te sterker houden aan wat wij gehoord hebben, opdat wij niet op enig moment afdrijven. Want als het woord dat door engelen gesproken werd, al bindend was en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontving, hoe zullen wij dan ontkomen, als wij zulk een groot heil veronachtzamen, dat in het begin door de Heer is verkondigd, en dat aan ons bevestigd is door hen die Hem gehoord hebben.

op deze dag eventueel ook: lezing voor de H. Gregorius Palamas

pericoop 318 (Hebr 7 : 26-8:2)

Broeders, zo'n Hogepriester hadden wij nodig: heilig, onschuldig, onbesmet, afgescheiden van de zondaars en boven de hemelen verheven. Hij heeft het niet nodig, zoals de hogepriesters, elke dag eerst voor zijn eigen zonden slachtoffers te brengen en pas daarna voor die van het volk. Want dat heeft Hij voor eens en altijd gedaan, toen Hij Zichzelf offerde. De wet stelt als hogepriester mensen aan, die met zwakheid behept zijn; maar het woord van de eed die na de wet gezworen is, stelt de Zoon aan, Die tot in eeuwigheid volmaakt is. De hoofdzaak nu van de dingen waarover wij spreken, is dit: zo'n Hogepriester hebben wij, Eén Die Zich heeft gezet aan de rechterhand van de troon van de Majesteit in de hemelen. Hij is een Dienaar in het heiligdom en in de ware tabernakel, die de Heer heeft opgericht en niet een mens.

Alleluja     toon 5          (ps. 88)

Uw barmhartigheid, Heer, wil ik bezingen in eeuwigheid.

Gij hebt immers gezegd:  “Mijn barmhartigheid is opgebouwd voor eeuwig.”

- Zondag van de H. Gregorius Palamas -

EVANGELIE

in de Metten: Lc pericoop 113 - het 5e opstandingsevangelie (Lc 24 : 12-35)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Lucas,

In die tijd stond Petrus op en snelde naar het graf en toen hij zich vooroverboog, zag hij alleen de linnen doeken liggen. En hij ging naar huis, vol verwondering over wat er gebeurd was. En zie, op diezelfde dag waren er twee van hen op weg naar een dorp, dat zestig stadiën van Jeruzalem ligt, Emmaüs genaamd. En zij spraken met elkaar over alles wat er voorgevallen was. En het gebeurde, terwijl zij met elkaar spraken en van gedachten wisselden, dat Jezus zelf bij hen kwam en met hen meeliep. Maar hun ogen werden ervan weerhouden Hem te herkennen. En Hij zei tegen hen: ‘Wat zijn dit voor gesprekken, die jullie al lopend met elkaar voeren, en waarom zien jullie er somber uit?’ En één van hen, Kleopas genaamd, antwoordde en zei tegen Hem: ‘Bent U de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat U niet weet, wat daar in deze dagen gebeurd is?’ Hij zei tegen hen: ‘Wat dan?’ Zij zeiden tegen Hem: ‘Wat Jezus de Nazoreeër betreft, een man die een machtig profeet was, in werk en woord voor God en heel het volk; en hoe onze overpriesters en leiders Hem overgeleverd hebben om ter dood veroordeeld te worden, en Hem gekruisigd hebben. Wij hoopten echter dat Hij het was die Israël zou verlossen; maar al met al is het reeds de derde dag sinds dit gebeurd is. Maar ook hebben sommige vrouwen uit ons midden, die vroeg in de morgen bij het graf geweest zijn, ons versteld doen staan. Zij hadden Zijn lichaam niet gevonden, en kwamen zeggen, dat zij zelfs een verschijning van engelen gezien hadden, die zeiden dat Hij leeft. En sommigen van hen die bij ons waren, zijn naar het graf gegaan en troffen het aan zoals ook de vrouwen hadden gezegd, maar Hém zagen zij niet.’ En Hij zei tegen hen: ‘O onverstandigen en tragen van hart, als het gaat om het geloof in alles wat de profeten gesproken hebben. Moest de Christus dit niet lijden om in Zijn heerlijkheid in te gaan?’ En beginnend bij Mozes en al de Profeten legde Hij hun uit, wat er in al de Schriften over Hem geschreven stond. En toen zij het dorp naderden, waar zij naartoe gingen, deed Hij, alsof Hij verder wilde gaan. Maar zij drongen bij Hem aan en zeiden: ‘Blijf bij ons, want het is tegen de avond, en de dag loopt ten einde.’ En Hij ging naar binnen om bij hen te blijven. En het gebeurde toen Hij met hen aanlag, dat Hij het brood nam, de zegen uitsprak, het brak en het hun gaf. Toen werden hun ogen geopend en zij herkenden Hem; en Hij werd onzichtbaar voor hen. En zij zeiden tegen elkaar: ‘Was ons hart niet brandend in ons, toen Hij onderweg tot ons sprak en voor ons de Schriften opende?’ En op datzelfde moment stonden zij op en keerden terug naar Jeruzalem, en zij vonden de elf en de anderen die bij hen waren, bijeen. En die zeiden: ‘De Heer is werkelijk opgewekt en Hij is aan Simon verschenen.’ En zij legden uit wat er onderweg gebeurd was en hoe zij Hem herkend hadden bij het breken van het brood.

in de Basilius-Liturgie: Mc-pericoop 7 (Mc 2 : 1-12)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Marcus,

In die tijd kwam Jezus in Kafarnaüm, en men hoorde dat Hij thuis was. En meteen stroomden zo veel mensen samen dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en Hij verkondigde hun het woord. Er werd een verlamde bij Hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd. En omdat zij door de menigte Jezus niet konden benaderen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Hij was, en toen ze een opening hadden gemaakt lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken. Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: ‘Zoon, uw zonden zijn u vergeven.’ Er zaten daar ook een paar schriftgeleerden die bij zichzelf dachten: ‘Waarom zegt deze man zulke godslasteringen? Wie kan zonden vergeven behalve God alleen?’ Maar in Zijn geest doorzag Jezus meteen dat zij dit bij zichzelf dachten, en Hij zei tegen hen: ‘Waarom denkt u dat bij uzelf? Wat is gemakkelijker tegen deze verlamde te zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven,” of te zeggen: “Sta op, neem uw bed op en ga lopen?” Maar opdat u zult weten dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te vergeven,’ zei Hij tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, neem uw bed op en ga naar huis.’ En hij stond meteen op, nam zijn bed op en ging voor het oog van allen naar buiten, zodat zij allen versteld stonden, God loofden en zeiden: ‘Zoiets hebben wij nog nooit gezien.’

ook op deze dag eventueel ook: lezing voor de H. Gregorius Palamas

Jh-pericoop 36 (Jh 10 : 9-16)

De Heer zei: ‘Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden zijn; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. De dief komt alleen om te stelen en te slachten en te verderven. Ik ben gekomen, opdat zij leven en overvloed hebben. Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf komen, laat de schapen in de steek en vlucht weg en de wolf rooft en verstrooit ze, want hij is een huurling en heeft geen hart voor de schapen. Ik ben de goede herder en Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, gelijk de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. En Ik geef mijn leven voor mijn schapen. Ik heb ook nog andere schapen, die van deze schaapsstal niet zijn; ook die moet Ik leiden, en zij zullen naar mijn stem horen en het zal één kudde en één herder worden.’