Gebed vóór de lezing   [ Lees verder . . . ] Laat stralen in onze harten, menslievende Heer, het zuivere licht van Uw goddelijke kennis en open de ogen van ons verstand om de verkondiging van Uw Evangelie te begrijpen. Plant in ons het ontzag voor Uw zalige geboden, zodat wij al onze vleselijke begeerten vertreden en een geestelijke levenswijze leiden en U behagen in al ons denken en doen. Want Gij zijt de verlichting van onze zielen en lichamen, Christus God, en tot U zenden wij de lof evenals tot Uw beginloze Vader en Uw alheilige, goede en levendmakende Geest, nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

vorige dag           volgende dag


Dinsdag 14 maart - dinsdag in de derde week van de Grote Vasten -

op weekdagen in de Grote Vasten is er geen Goddelijke Liturgie, en zijn er daarmee ook geen lezingen uit de Apostel en het Evangelie vastgesteld. Wel zijn er Oud-testamentische lezingen in het zesde uur en in de Vespers:



LEZING IN HET ZESDE UUR

Jesaja 9,8-10,4

Lezing uit de profetie van Jesaja,

Zo spreekt de Heer: heel het volk van Efraïm zal het weten, en de inwoners van Samaria, die met hoogmoed en een trots hart zeggen: bakstenen zijn gevallen; maar kom, laten we rotsblokken uithouwen, laten we vijgenbomen kappen, en ceders, en daarmee een toren bouwen. En God zal hen die op de berg Sion tegen Hem opstaan verbrijzelen, Hij zal Zijn vijanden uiteen drijven. Syrië vanuit het oosten, en de Grieken vanuit het westen, die Israël met heel hun mond verslinden. Door dit alles is Zijn woede niet afgewend, Zijn hand is nog opgeheven.

En het volk keerde niet terug, totdat het geslagen werd, en zij zochten de Heer niet. En in één dag hakte de Heer van Israël kop en staart, groot en klein af. De oudste en hen die opkijken naar anderen, dit is het begin. De profeet die wetteloosheid onderricht, die is de staart. Want zij die dit volk zalig prijzen zijn bedriegers, en zij bedriegen hen om hen te verslinden. Daarom zal de Heer zich niet verheugen over hun jongelingen en Hij zal geen medelijden hebben met hun wezen en hun weduwen. Want zij zijn allen wettelozen en boosdoeners, en iedere mond spreekt onrecht. Door dit alles is Zijn woede niet afgewend, Zijn hand is nog opgeheven.

En wetteloosheid zal branden als vuur, als droog gras zal het verteerd worden door vuur, het zal branden in bossen van kreupelhout en alles verslinden in de heuvels rondom. Door de ziedende woede van de Heer is heel de aarde verbrand. En het volk zal zijn als geheel verteerd door vuur.

Een man zal geen mededogen hebben met zijn broeder; hij zal zich afwenden naar rechts, omdat hij honger heeft, en hij zal eten aan zijn linkerkant, maar een man zal niet verzadigd worden, al eet hij het vlees van zijn eigen arm. Want Manasse eet van Efraïm en Efraïm eet van Manasse, want samen zullen ze Juda belegeren. Door dit alles is Zijn woede niet afgewend, Zijn hand is nog opgeheven.

Wee hen die boosheid schrijven. Want als ze schrijven, schrijven ze boosheid. Het recht van de armen leggen zij naast zich neer, zij grijpen het oordeel over de behoeftigen van mijn volk, zodat de weduwe zijn buit wordt en de wees zijn roofgoed. En wat zullen zij doen op de dag van het onderzoek? Want het verdriet zal voor u van verre komen. En tot wie zult gij uw toevlucht nemen om geholpen te worden? En waar zult gij uw roem achterlaten, opdat die niet wordt weggenomen? Door dit alles is Zijn woede niet afgewend, Zijn hand is nog opgeheven.




LEZINGEN IN DE VESPERS

Genesis 7,1-5

Lezing uit Genesis,

De Heer God zei tegen Noach: Ga in de ark, gij en heel uw gezin, want Ik heb gezien dat gij te midden van uw tijdgenoten voor Mijn aangezicht rechtvaardig zijt. Gij moet voor uzelf van alle reine dieren zeven paar nemen, een mannetje en zijn vrouwtje; maar van de dieren die niet rein zijn, één paar, een mannetje en zijn vrouwtje; ook van de reine vogels in de lucht zeven paar, mannelijk en vrouwelijk, maar van de vogels die niet rein zijn, één paar, een mannetje en zijn vrouwtje; om de soort op heel de aarde in leven te houden. Want over nog zeven dagen zal Ik het op de aarde veertig dagen en veertig nachten laten regenen; en Ik zal elk levend wezen, wat Ik gemaakt heb, van de aardbodem verdelgen. En Noach deed alles wat de Heer God hem geboden had.





Spreuken 8,32-9,11

Lezing uit de Spreuken,

Mijn zoon, luister naar Mij:
Gelukzalig zijn zij die Mijn wegen in acht nemen.

Luister naar wijsheid en wordt wijs
en sluit je er niet voor af.

Gelukzalig de man, die naar Mij luistert
en die Mijn wegen in acht neemt,

die overdag Mijn poorten bewaakt,
die wacht houdt bij Mijn deurposten.

Want Mijn wegen zijn de wegen van het leven
en voor wie ze volgt, wordt welwillendheid bij de Heer bereid.

Maar zij die tegen Mij zondigen, beledigen hun eigen ziel;
en zij die Mij haten, hebben de dood lief.

De wijsheid heeft voor zichzelf een huis gebouwd
en zeven zuilen opgericht.

Zij heeft haar eigen offers geslacht,
haar eigen wijn in een kruik gemengd
en haar eigen tafel klaargemaakt.

Zij heeft haar dienaren uitgezonden om uit te nodigen tot het mengvat
en met plechtige woorden te spreken:

Laat hij die onverstandig is zich tot mij wenden.
En tot hem die geen verstand heeft, zegt Ze:

Kom, eet van mijn brood
en drink van de wijn die ik voor u gemengd heb.

Laat onverstand achter, en gij zult heersen tot in eeuwigheid,
zoek verstand en vervolmaak uw inzicht door kennis.

Hij die slechte mensen onderricht,
zal minachting op zich laden.

Wie de goddeloze terecht wijst,
zal zelf berispt worden.

Wijs slechte mensen niet terecht,
opdat zij je niet berispen.

Maar berisp de wijze,
en hij zal je liefhebben.

Geef een wijze de gelegenheid,
en hij zal nog wijzer worden.

Geef kennis aan een rechtvaardige,
en hij zal nog meer ervan ontvangen.

Het begin van de wijsheid is de vreze voor de Heer,
en inzicht is de raad van heiligen.

Want het kennen van de wet
getuigt van een goed inzicht.

Want op die manier zul je lang leven,
en er zullen jaren aan je leven worden toegevoegd.