Gebed vóór de lezing   [ Lees verder . . . ] Laat stralen in onze harten, menslievende Heer, het zuivere licht van Uw goddelijke kennis en open de ogen van ons verstand om de verkondiging van Uw Evangelie te begrijpen. Plant in ons het ontzag voor Uw zalige geboden, zodat wij al onze vleselijke begeerten vertreden en een geestelijke levenswijze leiden en U behagen in al ons denken en doen. Want Gij zijt de verlichting van onze zielen en lichamen, Christus God, en tot U zenden wij de lof evenals tot Uw beginloze Vader en Uw alheilige, goede en levendmakende Geest, nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

vorige dag           volgende dag


Vrijdag 17 maart - vrijdag in de derde week van de Grote Vasten -

op weekdagen in de Grote Vasten is er geen Goddelijke Liturgie, en zijn er daarmee ook geen lezingen uit de Apostel en het Evangelie vastgesteld. Wel zijn er Oud-testamentische lezingen in het zesde uur en in de Vespers:



LEZING IN HET ZESDE UUR

Jesaja 13,2-13

Lezing uit de profetie van Jesaja,

Zo spreekt de Heer: hef een teken omhoog op de bergvlakte, verhef uw stemmen tegen hen, wees niet bang, spoor elkaar aan met geheven hand, open de poorten, o vorsten. Ik heb opdracht gegeven en Ik leid hen. Ze komen als reuzen om Mijn toorn te vervullen, ze verheugen zich, en beledigen tegelijkertijd. Rumoer van veel volken, het stemgeluid van vorsten en volken die zich verzameld hebben. De Heer Sabaoth heeft een krijgsmacht van oorlogsvolk bevel gegeven, om uit een ver land te komen, uit het einde van het hemelgewelf, de Heer en Zijn gewapenden, om de hele bewoonde wereld te vernietigen. Weeklaag, want de dag des Heren is nabij, en de verwoesting zal van God komen. Daarom zullen alle handen slap worden en de ziel van ieder mens zal vrezen. De ouderen zullen schrikken en weeën zullen hen aangrijpen als een barende vrouw en zij zullen tegen elkaar jammeren en ontsteld zijn en hun gezicht zal verkleuren als een vlam. Want zie, de dag des Heren komt, onafwendbaar, met toorn en woede, om de bewoonde wereld tot woestenij te maken en de zondaars eruit te vernietigen. Want de sterren aan de hemel, en Orion en de sterrebeelden die de hemel sieren, zullen geen licht laten schijnen, en het zal donker worden wanneer de zon opkomt, en de maan zal haar licht niet laten schijnen. Ik zal rampen laten komen over de bewoonde wereld en over de goddelozen voor hun zonden, en Ik zal de hoogmoed van de wettelozen vernietigen en de hooghartigheid van de trotsen vernederen. Zij die overblijven zullen schaarser zijn dan gelouterd goud en een mens zal kostbaarder zijn dan een edelsteen van Ofir. Want de hemel zal toornig zijn en de aarde zal schudden op haar grondvesten door de toornige woede van de Heer Sabaoth op die dag dat Zijn toorn zal komen.




LEZINGEN IN DE VESPERS

Genesis 8,4-21

Lezing uit Genesis,

En de ark bleef in de zevende maand, op de zeventiende dag van de maand, vastzitten op het gebergte van Ararat. En gaandeweg werd het water minder, tot aan de tiende maand. In de tiende maand, op de eerste dag van de maand, werden de toppen van de bergen zichtbaar. En het gebeurde na verloop van veertig dagen dat Noach het venster van de ark, dat hij gemaakt had, opendeed. En hij liet een raaf los, om te zien of het water afgenomen was: en toen hij naar buiten ging, keerde hij niet terug totdat het water van de aarde was opgedroogd. Daarna stuurde hij een duif er achter aan om te zien of het water op de aardbodem afgenomen was. Maar de duif vond geen rustplaats voor de holte van haar voet; daarom keerde zij naar hem terug in de ark, want het water bedekte nog heel de aarde. Hij stak zijn hand uit, pakte haar en bracht haar bij zich in de ark. En hij wachtte nog eens zeven dagen; toen liet hij de duif weer los uit de ark. En de duif kwam naar hem toe tegen de avond; en zie, er was een afgebroken olijfblad in haar snavel; daaraan merkte Noach dat het water op de aarde afgenomen was. Toen wachtte hij nog eens zeven dagen. Hij liet de duif weer los, maar zij keerde niet meer naar hem terug. En het was in het zeshonderdeerste jaar van het leven van Noach, in de eerste maand, op de eerste dag van die maand, dat het water van boven de aarde weg was. Toen nam Noach het luik van de ark weg die hij gemaakt had en keek naar buiten, en hij zag dat het water van de aardbodem weg was. In de tweede maand, op de zevenentwintigste dag van de maand, was de aarde droog geworden. Toen sprak de Heer God tot Noach, zeggend: Ga de ark uit, gij, uw vrouw, uw zonen en de vrouwen van uw zonen met u. Laat al de dieren die bij u zijn en alle vlees, van de vogels tot het vee en alle kruipende dieren, die over de aarde kruipen, met u naar buiten gaan, en gij zult u vermenigvuldigen en talrijk worden op de aarde. Toen ging Noach naar buiten, en zijn vrouw, en zijn zonen, en de vrouwen van zijn zonen met hem. Alle wilde dieren, en al het vee en alle vogels en alle kruipende dieren die over de aarde kruipen, overeenkomstig hun soorten, gingen de ark uit op de eerste dag van de derde maand. En Noach bouwde een altaar voor de Heer; en hij nam van al het reine vee en van alle reine vogels, en bracht brandoffers op dat altaar. En de Heer God rook die aangename geur.





Spreuken 10,31-11,12

Lezing uit de Spreuken,

De mond van de rechtvaardige loopt over van wijsheid,
maar de tong van de onrechtvaardige wordt vernietigd.

De lippen van de rechtvaardige lopen over van wat aangenaam is,
maar de mond van de goddelozen is afstotelijk.

Bedrieglijke weegschalen zijn voor de Heer een gruwel,
maar een zuivere weegsteen is Hem welgevallig.

Waar overmoed komt, daar komt ook schande,
maar de mond van de nederigen overweegt wijsheid.

De volmaaktheid van de oprechten leidt hen,
maar de verkeerdheid van de trouwelozen verwoest henzelf.

Bezit baat niet op de dag van de toorn,
maar rechtvaardigheid redt van de dood.

Een stervende rechtvaardige laat rouw achter,
maar het verlies van onrechtvaardigen brengt onmiddellijk vreugde.

De gerechtigheid maakt onberispelijke wegen recht,
maar goddeloosheid brengt ten val door ongerechtigheid. De gerechtigheid van oprechte mannen zal hen redden,
maar de wetsovertreders worden gevangen in hun eigen verderf.

Als een rechtvaardige man sterft, vergaat zijn hoop niet,
maar de grootspraak van de goddelozen vergaat.

De rechtvaardige wordt uit een valstrik gered,
en in zijn plaats wordt de goddeloze overgeleverd.

In de mond van de goddeloze ligt een valstrik voor de burgers,
maar de opmerkzaamheid van de rechtvaardigen geeft voorspoed.

Een stad staat stevig door het goede van de rechtvaardigen,
en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.

Door de zegen van de oprechten wordt een stad verheven,
maar door de mond van goddelozen worden haar fundamenten weggeslagen.

Wie gebrek heeft aan verstand, bespot zijn medeburgers,
maar een verstandig man houdt zich stil.