Gebed vóór de lezing   [ Lees verder . . . ] Laat stralen in onze harten, menslievende Heer, het zuivere licht van Uw goddelijke kennis en open de ogen van ons verstand om de verkondiging van Uw Evangelie te begrijpen. Plant in ons het ontzag voor Uw zalige geboden, zodat wij al onze vleselijke begeerten vertreden en een geestelijke levenswijze leiden en U behagen in al ons denken en doen. Want Gij zijt de verlichting van onze zielen en lichamen, Christus God, en tot U zenden wij de lof evenals tot Uw beginloze Vader en Uw alheilige, goede en levendmakende Geest, nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

vorige dag           volgende dag


17 mei - vrijdag in de 3e week van pascha -

APOSTEL

pericoop 21-a (Hand 8:40-9:19a)

Lezing uit de Handelingen der Apostelen,

In die dagen werd Filippus aangetroffen in Asdod; en terwijl hij het land doorging, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij in Caesarea kwam. Saulus nu, die tegen de leerlingen van de Heer nog steeds brieste van dreiging en moord, ging naar de hogepriester toe en vroeg van hem brieven voor Damascus, gericht aan de synagogen, opdat, als hij er enigen zou vinden die van die Weg waren, zowel mannen als vrouwen, hij die geboeid naar Jeruzalem zou brengen. En terwijl hij onderweg was, gebeurde het dat hij dicht bij Damascus kwam. En plotseling omscheen hem een licht vanuit de hemel, hij viel op de grond en hoorde een stem die tegen hem zei: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? En hij zei: Wie zijt Gij, Heer? En de Heer zei: Ik ben Jezus, Die gij vervolgt. Maar sta op en ga de stad in en daar zal u gezegd worden wat gij moet doen. En de mannen die met hem meereisden, stonden sprakeloos, want zij hoorden wel de stem, maar zagen niemand. En Saulus stond op van de grond; en toen hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij leidden hem bij de hand en brachten hem naar Damascus. En gedurende drie dagen kon hij niet zien, en at en dronk hij niet. En er was een zekere leerling in Damascus van wie de naam Ananias was; en de Heer zei tegen hem in een visioen: Ananias! En hij zei: Zie, hier ben ik, Heer. En de Heer zei tegen hem: Sta op en ga naar de straat die de Rechte genoemd wordt, en vraag in het huis van Judas naar iemand van wie de naam Saulus is, uit Tarsus, want zie, hij bidt, en hij heeft in een visioen gezien dat een man van wie de naam Ananias was, binnenkwam en hem de hand oplegde, opdat hij weer kon zien. Ananias antwoordde echter: Heer, ik heb van velen over deze man gehoord hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft; en hij heeft hier volmacht van de overpriesters om allen gevangen te nemen die Uw Naam aanroepen. Maar de Heer zei tegen hem: Ga, want deze is voor Mij een uitverkoren instrument om Mijn Naam te brengen naar de heidenen en de koningen en de Israëlieten. Want Ik zal hem laten zien hoeveel hij moet lijden voor Mijn Naam. En Ananias ging heen en ging het huis binnen; en na hem de handen opgelegd te hebben, zei hij: Saul, broeder, de Heer heeft mij gestuurd, namelijk Jezus, Die u verschenen is op de weg waarlangs gij gekomen bent, opdat gij weer ziende zou worden en met de Heilige Geest vervuld zou worden. En meteen vielen hem als het ware schellen van de ogen, en onmiddellijk werd hij weer ziende, en hij stond op en werd gedoopt. En toen hij voedsel genomen had, sterkte hij aan.

EVANGELIE

Jh pericoop 23 (Jh 6 : 48-54)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Johannes,

De Heer zei tegen de Joden die in Hem geloofden: ‘Ik ben het brood des levens. Uw vaderen hebben in de woestijn manna gegeten en zij zijn gestorven. Dit is het brood dat uit de hemel neerdaalt, opdat wie daarvan eet, niet sterft. Ik ben het levende brood, dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees dat Ik geven zal voor het leven van de wereld.’ De Joden redetwistten dan onder elkaar, en zeiden: ‘Hoe kan Hij ons Zijn vlees te eten geven?’ Jezus zei tegen hen: ‘Amen, amen, Ik zeg u: Als gij het vlees van de Zoon des mensen niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.’