Gebed vóór de lezing   [ Lees verder . . . ] Laat stralen in onze harten, menslievende Heer, het zuivere licht van Uw goddelijke kennis en open de ogen van ons verstand om de verkondiging van Uw Evangelie te begrijpen. Plant in ons het ontzag voor Uw zalige geboden, zodat wij al onze vleselijke begeerten vertreden en een geestelijke levenswijze leiden en U behagen in al ons denken en doen. Want Gij zijt de verlichting van onze zielen en lichamen, Christus God, en tot U zenden wij de lof evenals tot Uw beginloze Vader en Uw alheilige, goede en levendmakende Geest, nu en altijd, en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

vorige dag           volgende dag


16 december - Zondag van de voorvaders -

Prokimen     toon 8          (7e ode-Daniel 3)

Gezegend zijt Gij, Heer God van onze vaderen; * en lofwaardig en verheerlijkt is Uw Naam in eeuwigheid.

Gij zijt rechtvaardig in alles wat Gij voor ons hebt gedaan: al Uw werken zijn waarachtig.


APOSTEL

pericoop 257 (Col 3 : 4-11)

Lezing uit de brief van Paulus aan de Colossenzen,

Broeders, wanneer Christus, Die ons leven is, verschijnen zal, dan zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid. Dood dan uw leden die op de aarde zijn: ontucht, onreinheid, hartstocht, kwade begeerte, en de hebzucht, die afgoderij is. Door deze dingen komt de toorn van God over de ongehoorzamen. In deze dingen hebt ook gij voorheen gewandeld, toen gij in die dingen leefde. Maar nu, legt ook gij dit alles af, namelijk toorn, woede, slechtheid, laster, en schandelijke taal uit uw mond. Lieg niet tegen elkaar, aangezien u de oude mens met zijn daden uitgetrokken hebt, en u met de nieuwe mens bekleed hebt, die vernieuwd wordt tot kennis, overeenkomstig het beeld van Hem Die hem geschapen heeft. Daarbij is niet Griek en Jood van belang, besnedene en onbesnedene, barbaar en Scyth, slaaf en vrije, maar Christus is alles en in allen.

Alleluja     toon 8          (ps. 98)

Mozes en Aäron zijn onder Zijn priesters; Samuël is onder hen die Zijn Naam aanroepen.

Zij riepen tot de Heer en Hij heeft hen verhoord.

Lezing van de 11e zondag (Lucas-cyclus) - Zondag van de voorvaders - de genodigden -

EVANGELIE

in de Metten: Jh pericoop 63 - het 7e opstandingsevangelie (Jh 20 : 1-10)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Johannes,

Op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena ’s morgens vroeg, toen het nog donker was, naar het graf, en zij zag dat de steen was weggenomen van het graf. Daarom snelde zij heen en ging naar Simon Petrus en naar de andere leerling, van wie Jezus hield, en zei tegen hen: ‘Zij hebben de Heer uit het graf weggenomen en wij weten niet waar zij Hem hebben neergelegd.’ Toen ging Petrus van huis en de andere leerling en zij gingen naar het graf. En zij renden allebei, maar de andere leerling liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam het eerst bij het graf; en toen hij zich voorover boog, zag hij de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar binnen. Toen kwam, na hem, Simon Petrus aan, en hij ging het graf binnen. Hij zag de linnen doeken liggen, en de lijkdoek die Zijn hoofd bedekt had, zag hij niet bij de andere doeken liggen, maar apart opgerold op een andere plaats. Toen ging ook de andere leerling, die het eerst bij het graf gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde; want zij hadden de Schrift nog niet begrepen dat Hij uit de doden moest opstaan. Toen gingen de leerlingen weer naar huis.

in de Liturgie: Lc - pericoop 76 (Lc 14 : 16-24)

Lezing uit het Heilig Evangelie volgens Lucas,

De Heer vertelde de volgende gelijkenis: ‘Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde veel mensen uit. En tegen de tijd van de maaltijd stuurde hij zijn dienaar eropuit om tegen de genodigden te zeggen: Kom, want alles is klaar. Maar één voor één begonnen zij zich te verontschuldigen. De eerste zei tegen hem: Ik heb een akker gekocht die ik beslist moet gaan bekijken; ik vraag u mij te verontschuldigen. Een ander zei: Ik heb vijf span ossen gekocht en die ga ik keuren; ik vraag u mij te verontschuldigen. En weer een ander zei: Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen. En de dienaar kwam terug en bracht zijn heer verslag uit. Toen ontstak de heer des huizes in woede en zei tegen zijn dienaar: Ga er snel op uit naar de straten en stegen van de stad en breng de armen, de gebrekkigen, de kreupelen en de blinden hier binnen. En de dienaar zei: heer, zoals gij opgedragen hebt, is het gebeurd, en nog is er plaats. En de heer zei tegen de dienaar: Ga naar de landwegen en de akkerpaden en nodig iedereen met klem uit om binnen te komen, zodat mijn huis vol wordt. Want ik zeg u dat niemand van de mensen die genodigd waren, van mijn maaltijd zal proeven. Want velen zijn geroepen maar weinig uitverkoren.’